Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.
Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 19.11.1996

Date :
19-11-1996
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Faillite,Attestation du curateur

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 19.11.1996
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 19.11.1996
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 19.11.1996
Tax year : 2005
Document date : 19/11/1996
Document language : FR
Name : A 96/23
Version : 1
Court : appeal

ARRET A 96/23


Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 19.11.1996



FJF 97/40

Faillite - Attestation du curateur

    Ce n'est qu'au moment de la clôture de la liquidation de la faillite des débiteurs que la perte sur une créance peut être considéréé comme certaine et liquide. On ne peut pas attendre du contribuable qu'il procède à la citation, la signification et l'exécution d'un jugement pour faire constater l'insolvabilité du débiteur.

    Si, en cas de déclaration de faillite du débiteur, le créancier présente une attestation suffisamment individualisée du curateur avec l'indication que la créance doit être considérée comme perdue, la perte doit être considérée comme certaine et liquide à partir de la date de cette attestation. Les attestations des huissiers de justice ne sont pas à cet égard équivalentes.

    L'affirmation du contribuable selon laquelle les créanciers chirographaires ne reçoivent dans la très grande majorité des faillites aucun dividende, ne se fonde sur aucune donnée concrète et n'exclut pas la possibilité d'un dividende dans les faillites en cause au moment de leur clôture.



 

Voorzitter: Mevr. Bertrand
Raadsheren: Dhr. Wetsels, Mevr. Winants
Advocaten: Mr. van Meensel, Mr. Aernaudts

J.R. en A.V. 
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

Het Hof, na beraadslaging zitting houdende in openbare zitting, wijst het volgend arrest:
Gelet op de aanslag in de personenbelasting, Gemeente Ranst: Aanslagjaar 1992, inkomsten 1991, artikel 3702326, toegezonden aan de belastingschuldigen op 5 februari 1993, een belasting vorderend van 866 036 F, op grond van een belast inkomen van 3 033 898 F;
Gelet op het bezwaarschrift, tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur, op 25 maart 1993;
Gelet op de beslissing waartegen voorziening, genomen onder nummer 02019341879 door de gedelegeerde ambtenaar van de directeur van de directe belastingen van de gewestelijke directie Antwerpen II op 19 oktober 1994, dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingschuldigen, waardoor het bezwaar wordt afgewezen;
Gelet op het verzoekschrift tot voorziening, tijdig ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen, op 25 november 1994, samen met het origineel van het exploot van kennisgeving d.d. 25 november 1994;
Overwegende dat de bestreden beslissing de aanslagprocedure, het bezwaar en de hieraan onderliggende feiten toelicht en dat het Hof deze uiteenzetting bijtreedt;
Overwegende dat eisers van hun belastbare inkomsten willen aftrekken hun schuldvordering van 3 900 155 F en 234 011 F B.T.W., gesteund op facturen ten laste van de firma's E., SPRL Z. en SPRL C., respectievelijk failliet verklaard op 13 juni 1991, 16 mei 1991 en 8 januari 1992; dat eisers inroepen dat het faillissement van hun schuldenaars en de voorgelegde attesten van de gerechtsdeurwaarder voldoende aantonen dat hun schuldvordering oninbaar is;
Overwegende dat verweerder zich aansluit met de redengeving van de bestreden beslissing naar luid waarvan het verlies van een schuldvordering naar aanleiding van een faillissement slechts als een zeker en vaststaand verlies wordt beschouwd op het tijdstip van de afsluiting van de vereffening van het faillissement en dat enkel ingeval de schuldeiser een voldoende geïndividualiseerd attest van de curator voorlegt met melding dat de schuldvordering als verloren moet worden beschouwd, het verlies als zeker en vaststaand moet worden aangemerkt vanaf de datum van het attest;
Overwegende dat eisers die een bedrijfsverlies van hun belastbare inkomsten willen aftrekken, het bestaan en het bedrijfskarakter van het aangevoerd verlies moeten bewijzen;
Overwegende dat enkel op het tijdstip van de afsluiting van de vereffening van het faillissement van de debiteurs het verlies als zeker en vaststaand kan worden beschouwd; dat op dat ogenblik vaststaat of eisers als chirografaire schuldeisers al dan niet een dividend zullen ontvangen; dat de stelling van eisers dat in nagenoeg alle faillissementen de chirografaire schuldeisers geen dividend ontvangen, een lukrake bewering is die op geen concrete gegevens steunt en bovendien de mogelijkheid van enig dividend in onderhavige faillissementen op het ogenblik van de afsluiting ervan niet uitsluit;
dat anders dan door eisers betoogd in geval van het faillissement van de debiteur, van de belastingplichtige niet wordt verwacht dat hij tot dagvaarding, betekening en uitvoering van een vonnis overgaat om de insolvabiliteit van de debiteur te doen vaststellen; dat met de bestreden beslissing wordt aangenomen dat ingeval de schuldenaar is failliet verklaard, het volstaat dat de belastingplichtige een voldoend geïndividualiseerd attest van de curator voorlegt waaruit blijkt dat de schuldvordering als verloren moet worden beschouwd;
Overwegende dat eisers nalaten dergelijk attest van de curator van voormelde faillissementen voor te leggen; dat de attesten van de gerechtsdeurwaarder hiermee niet gelijkstaan;
dat dienvolgens niet vaststaat dat met betrekking tot het betwist aanslagjaar onderhavige schuldvordering van eisers als bedrijfsverlies in aanmerking komt;
Overwegende dat de bestreden beslissing wordt bevestigd; 

Om die redenen,
Het Hof,
Recht doende op tegenspraak:
Gelet op artikel 24bis van de Wet van 15 juni 1935;
Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van Voorzitter M. Bertrand;
Verklaart de voorziening toelaatbaar doch ongegrond; 
Bevestigt de bestreden beslissing;
Verwijst eisers in de kosten.