Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.02.2000

Date :
29-02-2000
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
6 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Simulation,Quasi-apport,Non-respect d'exigences de forme

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.02.2000
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.02.2000
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.02.2000
Tax year : 2005
Document date : 29/02/2000
Document language : FR
Name : A 00/17
Version : 1
Court : appeal

ARRET A 00/17


Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers dd. 29.02.2000



FJF 2000/275

Simulation - Quasi-apport - Non-respect d'exigences de forme

    Le non-respect de dispositions légales en matière de quasi-apport (à savoir le dépôt au greffe du tribunal de commerce des rapports du réviseur et du gérant) n'emporte pas en soi, au regard de la doctrine Brepols, que le quasi- apport devrait être considéré comme simulé avec pour conséquence que la totalité de la plus-value sur immobilisation immatérielle devrait être imposée comme attribution à l'associé. Lorsque l'administration prétend faire appel à la théorie de la simulation, elle doit en effet démontrer que la volonté déclarée et la volonté réelle des parties ne correspondent pas. L'administration supporte la charge de la preuve et ne peut se limiter à invoquer une contravention à la loi.

    Le non-respect des exigences de formes susdites (absence de dépôt des rapports au greffe du tribunal de commerce) entraîne l'inopposabilité de l'acte aux tiers (art. 10 des L.C.S.C.). Le fisc, qui n'est pas un tiers au stade de l'établissement de l'impôt, ne peut invoquer cette inopposabilité. Le fisc a en effet l'obligation, pour l'établissement de l'impôt, de tenir compte de la situation telle qu'elle existe pour les parties.



 

Raadsheer waarnemend Voorzitter : Mevr. Winants
Raadsheer : Mevr. Wouters
Plaatsvervangend raadsheer : M. van Engelen
Advocaten : Mr. Wauman loco Mr. Dubois, Mr. Aernaudts

B.V.O., F.C.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën;

Het Hof, na beraadslaging zitting houdende in openbare zitting, wijst het volgend arrest :
Gelet op de aanslagen in de personenbelasting, gemeente Antwerpen,

- aanslagjaar 1991, inkomsten 1990, artikel 3726438, supplement aan artikel 2717420, toegezonden aan de belastingplichtigen op 15 oktober 1993;
- aanslagjaar 1992, inkomsten 1991, artikel 3727017, supplement aan artikel 2718750, toegezonden aan de belastingplichtigen op 22 oktober 1993;

Gelet op het bezwaarschrift tijdig toegekomen bij de bevoegde directeur op 29 november 1993;
Gelet op de bestreden beslissing genomen door de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijke directeur der directe belastingen te Antwerpen I op 2 december 1997, op dezelfde datum aangetekend verzonden aan de belastingplichtigen, waarbij ontheffingen worden verleend voor een bedrag van 4 466 394 Fr. voor het aanslagjaar 1992 en het bezwaarschrift voor het overige wordt afgewezen;
Gelet op het verzoekschrift in voorziening tijdig neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 9 januari 1998 samen met het origineel van het exploot van betekening van 8 januari 1998;

Overwegende dat eiser, die vanaf 1984 een zelfstandige activiteit uitoefende als handelsagent (zelfstandig tussenpersoon in de verkoop van de kleding tussen buitenlandse producenten en Belgische winkeliers) in de loop van 1989 deze activiteit stopzette en de materiële en immateriële activa van deze werkzaamheid voor 3 miljoen frank verkocht aan de op 20 juli 1989 door eisers opgerichte B.V.B.A. V.;

Overwegende dat eisers voor de aanslagjaren 1991 en 1992 een tijdige en geldige aangifte in de personenbelasting hebben ingediend;

Overwegende dat voor aanslagjaar 1991 een aanslag werd gevestigd op basis van een op 28 april 1992 door eiser ondertekend akkoord, waarbij de aangegeven afzonderlijk belastbare stopzettingsmeerwaarde van 600 000 Fr. werd verhoogd tot 2 855 450 Fr. (stuk 12);
dat de aanvankelijke aanslag werd gevestigd overeenkomstig de aangifte en het akkoord van 28 april 1992 en de stopzettingsmeerwaarde van 2 855 450 Fr. integraal afzonderlijk werd belast aan 16,5 %;
dat na een aanvullend onderzoek op 11 juni 1993 door eiser een akkoord werd ondertekend waarbij de premie levensverzekering en de aftrek van sociale bijdragen werden verminderd (stuk 26);
dat bij bericht van wijziging van aangifte van 15 juni 1993 (stuk 29) aan eisers ter kennis werd gebracht o.m. «Er werd vastgesteld dat U slechts een gedeelte van uw handelsactiviteit hebt stopgezet zodat de meerwaarde van 2 855 450 Fr. niet als een stopzettingsmeerwaarde, doch als een gezamenlijk belastbare meerwaarde dient te worden belast (toepassing artikel 31, 1º W.I.B.'64). Uw handelsactiviteit werd aangevat op 29 maart 1988, hetzij minder dan 5 jaar voor de overdracht van een gedeelte ervan.»;
dat de gevolmachtigde van eisers tijdig het niet-akkoord meedeelde (stuk 30) en argumenteerde dat uit de BTW-controle bleek dat er stopzetting is geweest van minstens tien maanden aangezien dit gedeelte werd teruggevorderd bij eiser en het bedrag dat door de BTW werd ingevorderd meer bedroeg dan 50 000 Fr. alsook dat eiser reeds van 1984 een zelfstandige activiteit uitoefende zodat het argument van minder dan vijf jaar moet verworpen worden;
dat ten gevolge van de tussen partijen gevoerde briefwisseling en na bespreking op 29 juli 1993 een nieuw bericht van wijziging van aangifte aan eisers werd verzonden (stuk 36), waarin met betrekking tot de stopzettingsmeerwaarde werd gesteld : «Zoals reeds uiteengezet in mijn brief van 16.7.93 is de vergoeding van 2 800 000 Fr. goodwill te beschouwen als een vergoeding ter compensatie van een verminderde werkzaamheid en derhalve belastbaar à 16,5 %, tot maximaal de gemiddelde netto winst der laatste vier jaar voor de vermindering van de werkzaamheid, van de afgestane werkzaamheid, die in casu 393 852 Fr. bedraagt (zie berekening in genoemde brief). Het saldo, 2 406 148 Fr. is belastbaar aan het volle tarief (toepassing artikel 93 § 1, 2º wet van 22.12.89). In tegenstelling tot hetgeen U stelt in uw brief van 19.7.93 is dit wetsartikel van toepassing op de vergoedingen ten gevolge van verminderingen van werkzaamheid vanaf 1.1.90 (artikel 33 § 1, 6º wet 22.12.89). Uw bewering als zou dit reeds in 1989 gebeurd zijn wordt tegengesproken door de boeking per 31.12.90 van de goodwill door de BVBA en het feit dat U de meerwaarde hebt aangegeven (verhoogd door uw akkoordverklaring van 28.4.92) voor het aanslagjaar 1991. Bij gebreke aan nadere verantwoording wordt het voor het materiaal ontvangen bedrag 200 000 Fr. integraal als een gezamenlijk belastbare meerwaarde beschouwd.»;
dat de gevolmachtigde van eisers onmiddellijk het niet akkoord meedeelde (stuk 37) en argumenteerde :

- met betrekking tot de meerwaarde op het materiaal, onder verwijzing naar het bedrijfsrevisorenverslag, dat deze meerwaarde niet 200 000 Fr. kon bedragen, doch hoogstens 14 236 Fr., die bovendien reeds werd belast voor het aanslagjaar 1990,
- met betrekking tot de goodwill dat deze niet pas op 31.12.90 in de BVBA zou zijn ingebracht; indien dit zo zou geweest zijn dan had de vennootschap onmogelijk kunnen werken in het eerste boekjaar van 1.7.89 tot 31.12.90; toch bedroeg de omzet over deze periode 18 069 200 Fr.;

dat de supplementaire aanslag gevestigd werd overeenkomstig het bericht van wijziging van 29 juli 1993, doch de meerwaarde op de materiële activa herleid werd van 200 000 Fr. naar 55 450 Fr.;

Overwegende dat voor aanslagjaar 1992 een aanslag werd gevestigd op basis van de aangegeven cijfers;
dat na een aanvullend onderzoek op 11 juni 1993 door eiser een akkoord werd ondertekend waarbij de premie levensverzekering werd verminderd (stuk 26);
dat in het bericht van wijziging van aangifte van 15 juni 1993 (stuk 29) de inkomsten volgens tekenen en indiciën werden bepaald op 4 539 097 Fr., waarmee de gevolmachtigde van eisers zich tijdig niet akkoord verklaarde;
dat in het bericht van wijziging van aangifte van 29 juli 1993 het indiciair tekort werd bepaald op 6 792 324 Fr. (stuk 36) en de gevolmachtigde van eisers tijdig het niet akkoord meedeelde;
dat de supplementaire aanslag gevestigd werd overeenkomstig dit bericht van wijziging;

Overwegende dat op 17 december 1996, met akkoord van eisers, nog een aanvullende aanslag werd gevestigd door opname in de belastbare basis van roerende inkomsten (art. 614371);

Overwegende dat eisers bezwaar hebben aangetekend tegen de supplementaire aanslagen onder verwijzing naar de argumenten uiteengezet in hun antwoorden op de berichten van wijziging van aangifte;
dat dus voor het aanslagjaar 1991 de wijze van belasten van de stopzettingsmeerwaarde werd betwist, terwijl voor het aanslagjaar 1992 werd gesteld dat er geen sprake kan zijn van een vermogenstekort;
dat het bezwaarschrift tegen artikel 3727017 (aanslagjaar 1992) bij toepassing van artikel 367 W.I.B.'92 ambtshalve werd uitgebreid tot de op 17 december 1996 gevestigde supplementaire aanslag artikel 614371;

Overwegende dat de bestreden beslissing de bezwaren met betrekking tot aanslagjaar 1991 als ongegrond heeft afgewezen onder de redengeving :

- de effectieve stopzetting van een bedrijfstak vond plaats op 30 juni 1989, zodat de taxatie van de meerwaarden dient te gebeuren volgens de regels beschreven in artikel 120quater van het Wetboek van Koophandel;
- uit het onderzoek is gebleken dat niet voldaan werd aan de wettelijke verplichting om het verslag van de bedrijfsrevisor en het bijzonder verslag van de zaakvoerder neer te leggen op de griffie van de rechtbank van koophandel op de wijze voorgeschreven bij artikel 10, zodat derhalve de meerwaarde ontstaan door de goodwill belastbaar is aan het volledig tarief;
- door het beoordelen van de akte van quasi-inbreng als geveinsd moet de meerwaarde op het materieel actief beoordeeld worden als een gewone verwezenlijkte meerwaarde; bij gebrek aan een bezit van vijf jaar en door gebrek aan gespreide taxatie wegens het niet wederbeleggen van de vergoeding, is geen taxatie aan het afzonderlijk tarief mogelijk, zodat de taxatie van de meerwaarde op het materieel actief terecht aan het volle tarief gebeurde;

dat met betrekking tot het aanslagjaar 1992 eisers na bespreking akkoord konden gaan met een vermogenstekort van 1 miljoen frank, mits toepassing van een belastingverhoging van 10 % en met een belastingverhoging van 50 % voor artikel 614371, wat resulteerde in een ontheffing van 4 466 394 Fr.;

Overwegende dat, gelet op het in de loop van de bezwaarprocedure gesloten akkoord voor aanslagjaar 1992, thans nog enkel de aanslag over het aanslagjaar 1991 het voorwerp uitmaakt van de betwisting;

Overwegende dat eisers de hervorming nastreven van de bestreden beslissing teneinde hun bezwaren gegrond te horen verklaren en dienvolgens de betwiste aanslag te horen vernietigen en verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling van alle uit hoofde van kwestieuze aanslag betaalde sommen, te vermeerderen met de moratoire intresten en de kosten;
dat zij daartoe in hun verzoekschrift in voorziening verwijzen naar de grieven aangehaald in het bezwaarschrift en in de briefwisseling met de administratie en alle middelen in feite en in rechte te doen gelden in de loop van het geding en hier uitdrukkelijk voorbehouden;
dat zij in conclusies als grieven inroepen :

- de belasting van de stopzettingsmeerwaarde gebeurde in een verkeerd aanslagjaar : de stopzettingsmeerwaarde van 2 855 450 Fr. werd belast in aanslagjaar 1991, terwijl dit diende te gebeuren in aanslagjaar 1990, vermits de meerwaarde werd gerealiseerd in 1989;
- de stopzettingsmeerwaarde werd ten onrechte belast aan het progressief tarief, omdat geoordeeld werd dat de quasi-inbreng gesimuleerd was; uit het niet naleven van de vormvereiste dat het bedrijfsrevisorenverslag en het verslag van de zaakvoerder niet werden neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel kan niet afgeleid worden dat de verkoop van de activabestanddelen in werkelijkheid niet zou hebben plaatsgehad; de meerwaarde die eisers hebben gerealiseerd naar aanleiding van de verkoop van de lichamelijke en onlichamelijke activa die deel uitmaakten van de stopgezette werkzaamheid moet dan ook als een stopzettingsmeerwaarde in de zin van artikel 31, 1º W.I.B.'64 belast worden tegen het tarief van 16,5 %;

dat door eisers tijdig een bundel stukken werd neergelegd;

Overwegende dat verweerder concludeert tot de onontvankelijkheid van de grief omtrent het toepasselijke aanslagjaar en tot de ongegrondheid van de voorziening en de bevestiging van de bestreden beslissing;
dat hij daartoe de redengeving van de door de Gewestelijke directeur gedelegeerde ambtenaar herhaalt en verdedigt;
dat de Gewestelijke directeur in een op 22 juni 1998 ter griffie neergelegde nota stelt dat de door eisers neergelegde stukken niet van aard zijn het standpunt van de administratie te wijzigen;

Overwegende dat naar luid van artikel 377, 2º lid W.I.B.'92 de eiser aan het Hof van beroep bezwaren mag onderwerpen die noch in het bezwaarschrift werden geformuleerd noch ambtshalve door de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar werden onderzocht, voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straf van nietigheid voorgeschreven procedurevormen aanvoeren;
dat dergelijke bezwaren binnen de zestig dagen na de neerlegging van het administratief dossier schriftelijk moeten worden afgegeven aan de griffie van het Hof van beroep (artikel 378, 2º lid W.I.B.'92);

Overwegende dat de door eisers in op 15 mei 1998 (dit is binnen de termijn van zestig dagen) ter griffie neergelegde conclusies ingeroepen grief met betrekking tot het toepasselijk aanslagjaar een wettelijke grief is, die niet gesteund is op feitelijke elementen die niet werden aangevoerd voor de directeur;
dat deze grief derhalve ontvankelijk is;

Overwegende dat eisers voorhouden dat de stopzettingsmeerwaarde diende belast te worden voor het aanslagjaar 1990 vermits ze gerealiseerd werd in 1989;
dat evenwel uit navolgende feiten en gegevens blijkt dat de meerwaarde terecht belast werd voor het aanslagjaar 1991 :

- eisers hebben de betrokken meerwaarde als een stopzettingsmeerwaarde aangegeven in hun aangifte voor het aanslagjaar 1991 en zij tonen niet aan dat zij een vergissing hebben begaan;
- de boeking door de vennootschap op de lopende rekening van de zaakvoerder is pas op 31 december 1990 gebeurd en er wordt geen verdere overeenkomst tussen eisers en de vennootschap voorgebracht; de vordering heeft dus pas op 31 december 1990 een zeker en vaststaand karakter gekregen;
- de datum van het verslag van de bedrijfsrevisor is niet relevant, vermits dit verslag één van de voorafgaande handelingen is bij een quasi-inbreng;
- het feit dat de vennootschap reeds gebruik maakte van het cliënteel van eiser is evenmin een aanduiding van het zeker, vaststaand en eisbaar karakter van de vordering; bovendien was eiser ook zaakvoerder van de vennootschap en kon hij zonder gevaar voor zijn rechten zijn cliënteel reeds ter beschikking stellen van de vennootschap;
- dat in het boekjaar van de verwerving van de goodwill reeds een afschrijving werd geboekt die geldt voor het hele boekjaar is een gebruikelijke en toegelaten boeking;

dat deze grief dan ook ongegrond is;

Overwegende dat vaststaat dat eiser zijn vroegere zelfstandige activiteit heeft stopgezet per 30 juni 1989 (volledige stopzetting volgens eisers, gedeeltelijke stopzetting volgens verweerder);
dat de taxatie van de meerwaarde derhalve dient te gebeuren volgens de regels van toepassing voor de wet van 22 december 1989, die slechts van toepassing is op meerwaarden die voortvloeien uit stopzettingen vanaf 1 januari 1990;
dat de wettelijke voorschriften voor quasi-inbreng worden omschreven in artikel 120quater van het Wetboek van koophandel;
dat niet betwist wordt dat niet voldaan werd aan de voorwaarden van voormeld artikel 120quater, met name de neerlegging op de griffie van de rechtbank van koophandel van het verslag van de bedrijfsrevisor en van het verslag van de zaakvoerder;
dat deze verslagen wel werden opgesteld doch nooit effectief werden neergelegd;

Overwegende dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt gesteld dat wegens het niet naleven van deze wettelijke bepaling op grond van de Brepols doctrine de quasi-inbreng als geveinsd dient aangezien te worden en bijgevolg de volledige meerwaarde op het immaterieel actief belastbaar is als toekenning vennoot;
dat de administratie, wanneer zij beroep wenst te doen op de simulatieleer, dient aan te tonen dat de verklaarde wil en de werkelijke wil van de partijen niet met elkaar overeenstemmen;
dat de bewijslast die op de administratie rust niet kan beperkt worden tot het aanvoeren van een wetsovertreding;
dat te dezen nergens uit blijkt dat de partijen niet alle rechtsgevolgen van hun handelingen aanvaard hebben;

Overwegende dat de niet naleving van de gestelde vormvereisten van neerlegging van de verslagen op de griffie van de rechtbank van koophandel overeenkomstig artikel 10 van de Vennootschappenwet de niet-tegenstelbaarheid van de akte tegenover derden tot gevolg heeft;
dat de fiscus bij de vestiging van de belasting evenwel geen derde is en zich dus niet kan beroepen op de niet-tegenstelbaarheid van een rechtshandeling wegens niet naleving van publiciteitsvoorschriften; dat dit immers het bestaan van de overeenkomst tussen partijen niet belet en de fiscus verplicht is voor de heffing van de belasting de toestand in aanmerking te nemen zoals hij voor de partijen bestaat;

Overwegende dat aangezien nergens uit blijkt dat de quasi-inbreng geveinsd is, de meerwaarde die eisers hebben gerealiseerd naar aanleiding van de verkoop van de lichamelijke en onlichamelijke activa die deel uitmaken van de stopgezette activiteit dient belast te worden als een stopzettingsmeerwaarde in de zin van (oud) artikel 31, 1º W.I.B.;
dat te dezen geen betwisting bestaat over het feit dat de stopzetting heeft plaatsgevonden in 1989;
dat het toepasselijk (oud) artikel 93, § 1, 2º b W.I.B. uitdrukkelijk stelt dat afzonderlijk belast worden tegen het tarief van 16,5 % de in artikel 31, 1º W.I.B. bedoelde winsten en baten, zijnde de stopzettingsmeerwaarden op lichamelijke en onlichamelijke activa die voor het beroep werden gebezigd;
dat in casu de administratie een meerwaarde heeft weerhouden van 2 855 450 Fr., namelijk 2 800 000 Fr. op de overgedragen goodwill en 55 450 Fr. op de verkochte materiële vaste activa;
dat hetzelfde éénvormige tarief van 16,5 % van toepassing was zowel voor stopzettingsmeerwaarden op immateriële vaste activa als op stopzettingsmeerwaarden op materiële vaste activa;
dat de stopzettingsmeerwaarde dan ook ten onrechte belast werd volgens het progressief tarief;

Overwegende dat de voorziening dan ook deels gegrond is;

Om deze redenen,
Het Hof, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935;
Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer D. Wouters;
Verklaart de voorziening ontvankelijk en gegrond;
Hervormt de bestreden beslissing en opnieuw rechtdoende;
Verklaart de bezwaren gegrond en zegt voor recht dat de stopzettingsmeerwaarde van 2 855 450 Fr. dient belast te worden aan het afzonderlijk tarief van 16,5 %;
Beveelt de herberekening van de aanslag en veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle ten onrechte geïnde bedragen, te vermeerderen met de moratoriumintresten op de belastingen;
Veroordeelt verweerder tot de kosten.