Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 17.06.2003

Date :
17-06-2003
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Fonctionnaire OTAN,Quotient conjugal

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 17.06.2003
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 17.06.2003
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 17.06.2003
Tax year : 2005
Document date : 17/06/2003
Document language : FR
Modification date : 04/05/2005 15:34:10
Name : G 03/11
Version : 1
Court : appeal

ARRET G 03/11


Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 17.06.2003



Fonctionnaire OTAN - Quotient conjugal

    L'appelant est un fonctionnaire de l'OTAN dont les revenus ont été exemptés d'impôt. Le contribuable est d'avis que l'administration refuse à tort d'appliquer l'avantage du quotient conjugal à son épouse dont les revenus ont été imposés en Belgique.

    Les demandeurs soutiennent à tort que le principe d'égalité a été violé et plus particulièrement qu'une distinction arbitraire est introduite entre les redevables dont les conjoints obtiennent des revenus exemptés en vertu du traité (OTAN) et ceux qui obtiennent des revenus exemptés autrement que par ce traité (comme par exemple en vertu de dispositions de droit interne). La situation des demandeurs est en effet insuffisamment comparable avec la situation des redevables dont le conjoint perçoit des revenus exemptés en vertu du droit interne belge (cour d'arbitrage n° 2/95 du 12/1/1995)

    L'article 128, 1 er alinéa 4° CIR92 n'est pas contraire à article 19 de l'accord d'Ottawa du 20/09/1951. La raison de l'exclusion du quotient conjugal ne résulte en effet pas du fait que le contribuable est un fonctionnaire de l'OTAN percevant un salaire de plus 270.000 BEF (soit maintenant 6693,13EUR) mais découle uniquement de l'application la condition générale relative au critère de la hauteur des revenus qui est déterminante pour l'octroi du droit à l'avantage concerné. Or, celle-ci vaut sans distinction, aussi bien pour les conjoints de fonctionnaires mariés que pour chaque autre contribuable.

Voir aussi :



Nr. 1999/FR/27

in de zaak van:

H.G. en zijn echtgenote,

L. B.,

samenwonende te …,

eisers - verstekmakend

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 14 te Brussel, in de persoon van de Gewestelijke Directeur der directe belastingen te Gent, met kantoor te 9000 GENT, Savaanstraat 11

verweerder, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V.R. loco mr. V.J., advocaat te 8460 OUDENBURG, Westkerksestraat 9

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

Overwegende dat de eisers tijdig en regelmatig een voorziening hebben ingediend van de beslissing van de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijke directeur der directe belastingen te Gent van 15 januari 1999, waarbij het bezwaar tegen de op naam van de eiseres gevestigde aanslag in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelastingen voor het aanslagjaar 1996 (kohierartikel 774600576) ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;

Overwegende dat de eisers bij het oproepen van de zaak verstek lieten gaan niettegenstaande de griffie bij een ter post aangetekende brief een oproeping heeft gezonden aan de in het beroep opgegeven woonplaats; dat er aldus overeenkomstig artikel 385 van het Wetboek van inkomstenbelastingen/1992 uitspraak wordt gedaan op de conclusie van de andere partij en het arrest in elk geval geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen;

Overwegende dat met de conclusies van de eisers neergelegd ter griffie op 15 mei 2003, hetzij nadat de debatten gesloten werden, geen rekening kan worden gehouden;

Overwegende dat de betwiste aanslag werd gevestigd op naam van de eiseres op grond van de cijfers vermeld in de door haar ingediende afzonderlijke aangifte doch zonder rekening te houden met het huwelijksquotiënt; dat de aanslag werd ingekohierd op 16 juni 1997 en aan

de belastingplichtige toegestuurd op 18 juni 1997;

Overwegende dat het bezwaar in de directoriale beslissing werd afgewezen;

Overwegende dat in de voorziening voor het Hof de eisers de grieven van hun bezwaar hebben hernomen en aldus opnieuw vragen dat bij de berekening van de belasting het huwelijksquotiënt zoals voorzien in artikel 87 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen/92 zou worden toegepast;

Overwegende dat de eiser NAVO-ambtenaar is wiens inkomsten zijn vrijgesteld van belastingen; dat werd ingeroepen dat de administratie ten onrechte weigert het voordeel van het huwelijksquotiënt toe te passen op de inkomsten van de in België belaste echtgenote; dat de eisers aanvoeren dat artikel 21 van de wet van 28 december 1990 en later de artikelen 87 en 88 van het Wetboek van de inkomstenbelasting/92 in strijd zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en met artikel 19 van de Overeenkomst betreffende de rechtspositie van de organisatie van het Noord-Atlantisch verdrag, van de nationale vertegenwoordigers en van het internationaal personeel, ondertekend te Ottawa op 20 september 1951 en bekrachtigd door de wet van 1 februari 1955, daar het huwelijksquotiënt niet wordt toegepast om de enkele reden dat één van de echtgenoten bij de NAVO werkt en deze functie bijgevolg onrechtstreeks tot gevolg heeft dat de Belgische fiscale last wordt verzwaard, wat in strijd is met het beginsel van de totale belastingvrijstelling dat België moet eerbiedigen;

Overwegende dat artikel 87 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen/92 voorziet dat wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd en slechts één van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft verkregen, een deel daarvan wordt toegekend aan de andere echtgenoot, tevens dat dit deel 30 % van die inkomsten bedraagt doch niet hoger mag zijn dan 270.000 BEF (thans 6.693,13 EUR);

Overwegende dat verder artikel 88 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen/92 bepaalt dat wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd en de beroepsinkomsten van één echtgenoot minder bedragen dan 30 % van het totale bedrag van de beroepsinkomsten van beide echtgenoten, hem van de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot een zodanig deel wordt toegerekend dat de som van zijn eigen beroepsinkomsten en het toegerekend deel 30 % van dat totale bedrag bereikt, doch niet hoger is dan 270.000 BEF (thans 6.693,1 EUR);

Overwegende dat artikel 128 eerste lid 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 92 (voorheen artikel 1 van de wet van 7.12.1988 zoals gewijzigd bij artikel 21 van de wet van 28.12.1990) bepaalt dat voor de berekening van de belasting gehuwde personen niet als echtgenoten maar als alleenstaanden worden aangemerkt wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 BEF (thans 6.693,13 EUR) die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op de andere inkomsten van het gezin; dat de eisers niet betwisten dat de eiser beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 BEF (thans 6.693,13 EUR);

Overwegende dat de eisers ten onrechte aanvoeren dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en meer bepaald een willekeurig onderscheid wordt ingevoerd tussen de belastingplichtigen waarvan de echtgenoten inkomsten verkrijgen vrijgesteld bij verdrag en zijn die inkomsten verkrijgen vrijgesteld bij verdrag en zij die internrechtelijke bepalingen; dat de situatie van de eisers immers onvoldoende vergelijkbaar is met de situatie van de belastingplichtigen van wie de echtgenoot inkomsten geniet die zijn vrijgesteld krachtens het Belgisch intern recht (Arbitragehof nr. 2/95, van 12 januari 1995);

Overwegende dat de eisers ook tevergeefs stellen dat artikel 128 eerste lid 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen/92 strijdig zou zijn met artikel 19 van de Overeenkomst van Ottawa van 20 september 1951; dat de reden voor uitsluiting van het huwelijkscoëfficiënt niet gelegen is in de hoedanigheid van Navo-ambtenaar met een salaris van meer dan 270.000 BEF (thans 6.693,13 EUR) maar voortvloeit uit de algemene voorwaarde die zonder onderscheid geldt zowel voor gehuwden wier echtenoot ambtenaar is, als voor ieder andere belastingplichtige, namelijk de hoogt van de inkomsten die bepalend is voor het recht op het betrokken voordeel; dat zo aan die voorwaarde is voldaan, de echtgenoot van de Navo-ambtenaar evengoed als ieder ander aan de Belgische belastingwet onderworpen persoon voor dit belastingvoordeel in aanmerking komt; dat aldus artikel 19 van de Overeenkomst van Ottawa van 20 september 1951 niet geschonden wordt door artikel 128 eerste lid 4° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen/92 (vergelijk met Cass. 26 september 2002, rolnummer F.00.0083.F);

Overwegende dat in de gegeven omstandigheden de voorziening als ongegrond moet worden afgewezen;

OP DE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende bij arrest dat overeenkomstig artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen/92 dient geacht op tegenspraak te zijn gewezen,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Gehoord in openbare terechtzitting het rapport van Voorzitter N.V. en de administratie in haar middelen en conclusies.

Verklaart de voorziening ontvankelijk doch niet gegrond.

Verwijst de eisers in de kosten begroot op 8,38 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ZEVENTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN DRIE.

Aanwezig:

Mevrouw N.V., Voorzitter,

De heren A.D. en G.T., Raadsheren,

M.V., griffier.