Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 24.06.1998

Date :
24-06-1998
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Déductions et exonérations,Intérêts,Acquisition ou conservation de revenus mobiliers et immobiliers ,Emprunt destiné à payer un impôt

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 24.06.1998
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 24.06.1998
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 24.06.1998
Tax year : 2005
Document date : 24/06/1998
Document language : FR
Name : G 98/11
Version : 1
Court : appeal

ARRET G 98/11


Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 24.06.1998



FJF 98/191

Déductions et exonérations - Intérêts - Acquisition ou conservation de revenus mobiliers et immobiliers - Emprunt destiné à payer un impôt

    Le contribuable a apporté son commerce à une société dans le courant de l'année 1982, apport pour lequel il a reçu en contrepartie des actions de la société. Pour payer l'impôt sur les plus-values réalisées à l'occasion de l'apport de son propre commerce en société, le contribuable a obtenu un prêt auprès de ladite société. Selon la cour, l'impôt sur ces plus-values doit être considéré comme une partie du prix d'acquisition, décaissé par l'appelant, d'un important patrimoine mobilier, à savoir les actions de la société. Comme celui-ci, pour payer cet impôt sur ses plus-values, a dû contracter un emprunt auprès de la société, cet emprunt doit être considéré comme constitutif d'une dette visée à l'article 71, § 1er, 2° du CIR, étant donné qu'il a été contracté pour acquérir des revenus mobiliers qui sont pris en considération pour l'établissement des revenus imposables.



Raadsheer, waarnemend Kamervoorzitter : M. Van Eygen
Plaatsvervangende Raadsheren : M. Lardinoit, M. Cornut
Advocaten : Mr. Delafontaine, Mr. Peeraer

B.V., G.D.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën,

velt het Hof het volgend arrest :
Overwegende dat de eisers tijdig en regelmatig een voorziening hebben ingediend van de beslissing van de directeur der directe belastingen te Brugge van 14 april 1989 waarbij het bezwaar tegen de op hun naam gevestigde aanslag in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor het aanslagjaar 1985 (kohierartikel 7705167) werd afgewezen;
Overwegende dat de eiser in zijn aangifte in de personenbelasting onder de rubriek 365 1 038 799 frank interesten aftrok van zijn nettobelastbaar inkomen, zich daarbij steunend op de bepaling van artikel 71 § 1, 2º W.I.B. (oud) dat bepaalt dat van de gezamenlijk netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 van voornoemd wetboek bedoelde kategorieën worden afgetrokken, voor zover zij niet konden worden afgetrokken voor de vaststelling van die netto-inkomsten : de intresten van schulden aangegaan om roerende of onroerende inkomsten te verkrijgen of te behouden die in aanmerking komen bij het bepalen van het belastbaar inkomen; dat de eiser zich tevens steunde op het feit dat in de vorige jaren de intrestaftrek werd aanvaard;
Overwegende dat de administratie de aftrek van die intresten weigerde op grond van de overweging dat de aftrek van die intresten een uitzondering vormt op het beginsel van de belastbaarheid van de nettoinkomsten beoogd bij artikel 6 van voornoemd wetboek en derhalve restrictief moest worden geïnterpreteerd; dat de gevraagde intrestaftrek voortkomt uit een belastbaar rentevoordeel tengevolge van een voortdurend debetsaldo van de lopende rekening van de eiser bij de N.V. M. waar hij afgevaardigde bestuurder was; dat de administratie oordeelde dat slechts 252 390 frank intresten in mindering van het belastbaar inkomen mochten gebracht worden omdat slechts tot beloop van deze som deze intresten betrekking hebben op het verwerven van roerende en onroerende goederen zoals omschreven in artikel 71 § 1, 2º W.I.B. (oud); dat voor het overige de administratie stelde dat de intrestaftrek veroorzaakt is door een verhoging van de debetstanden op de lopende rekening die de eiser heeft bij de N.V. M. en hoofdzakelijk werden veroorzaakt door voorafnemingen van persoonlijke aard verhoogd met de verschillende intresten; dat de fiscus de boekingen i.v.m. de debetstand van de lopende rekening van de eiser bij de N.V. M. naging en tot het besluit kwam dat slechts een totaal bedrag van 1 953 536 frank gediend heeft om roerende of onroerende goederen te kopen en rekening gehouden met het feit dat de effecten t.b.v. 93 776 frank pas op 17.02 1984 werden aangekocht en dus slechts voor 318 dagen op 365 in aanmerking kwamen, zodat de aftrek van de intresten voor het aanslagjaar 1985 slechts werd aanvaard voor 252 390 frank;
Overwegende dat in casu de vraag zich stelt of de schulden van de rekening-courant die de eiser openhield bij de N.V. M. kunnen aanzien worden als zijnde aangegaan «om onroerende of roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden die in aanmerking komen bij het bepalen van een belastbaar inkomen» ? zodat de intresten overeenkomstig artikel 71 § 1, 2º W.I.B. kunnen worden afgetrokken;
Overwegende dat niet wordt betwist dat bij de oprichtingsakte d.d. 2 november 1982 van de N.V. M. verleden voor notaris D. de eiser zijn handelsactiviteit inbracht in deze vennootschap en hij daardoor belangrijke participaties heeft verworven in deze vennootschap; dat ingevolge de aanwerving van de aandelen van de N.V. M. de eiser in zijn roerend patrimonium een belangrijke meerwaarde realiseerde waarop hij belast werd; dat de eiser, om deze meerwaardebelasting te betalen, een lening aanging bij de N.V. M., dit om te beletten dat hij een gedeelte van zijn roerend of onroerend patrimonium zou moeten verkopen;
Overwegende dat het toenmalig artikel 71 § 1, 2º W.I.B. (oud) bepaalt : «van de gezamelijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 bedoelde categorieën worden afgetrokken, voor zover zij niet konden worden afgetrokken voor de vaststelling van die netto-inkomsten : de intresten van schulden aangegaan om onroerend of roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden die in aanmerking komen bij het bepalen van het belastbaar inkomen.»;
Overwegende dat de eisers weliswaar terecht aanhalen dat, inzake de aftrekbaarheid van de intresten van de schulden in het kader van artikel 71 § 1, 2º W.I.B. (oud), de vereiste dat de schuld specifiek moet zijn aangegaan om onroerende of roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden pas ingevolge de hervormingen van de wet van 7 december 1988 toepassing vindt, doch dat zij echter niet uit het oog mogen verliezen dat de opnemingen of lopende rekening door een beheerder of vennoot enkel als een schuld bedoeld in artikel 71 § 1, 2º W.I.B. (oud) kunnen worden beschouwd wanneer wordt aangetoond dat deze opnemingen hebben gediend om onroerende of roerende inkomsten te verkrijgen of te behouden die in aanmerking komen bij het bepalen van het belastbaar inkomen;
Overwegende dat de eisers derhalve het bewijs moeten leveren van de aanwending van de door hen opgenomen bedragen van de lopende rekening in de N.V. M.
Overwegende dat de administratie akkoord gaat om te stellen dat voor 1 953 536 frank opnemingen werden gedaan om roerende of onroerende goederen aan te kopen;
Overwegende dat uit de voorgelegde details van de lopende rekening van de eiser bij de N.V. M. (stukken 35-36-37) blijkt dat de debetstand in grote mate het gevolg is van betaling van personenbelasting; dat in het jaar 1982 voor 5 000 000 frank aan voorafbetaalde belastingen werd gedaan en in het jaar 1983 een totaal van 6 250 542 frank aan personenbelasting werd betaald; dat dit bedrag van 6 250 542 frank is samengesteld uit 200 692 frank betaalde personenbelasting voor het boekjaar 1980, 1 389 584 frank voor het boekjaar 1981 en 4 660 266 frank voor het boekjaar 1982;
Overwegende dat de eisers niet aantonen dat deze opnemingen hebben gediend om roerende of onroerende inkomsten te verkrijgen of te behouden, behoudens voor wat het bedrag van 4 660 266 frank betreft, opgenomen in 1982;
Overwegende dat immers door de administratie niet wordt betwist dat het bedrag van 4 660 266 frank het bedrag is dat de eiser heeft betaald op de aanslagen inzake het aanslagjaar 1983 en dat daarin is begrepen de belasting op de meerwaarde gerealiseerd bij de inbreng van zijn eigen handelszaak in de N.V. M.;
Overwegende dat deze meerwaardebelasting dan ook moet worden aanzien als de prijs die samenhangt met de verwerving door de eiser van een belangrijk roerend patrimonium, zijnde de aandelen in de N.V. M.;
Overwegende dat nu de eiser voor deze meerwaardebelasting een lening heeft aangegaan bij de N.V. M. dient gesteld dat deze als een schuld bedoeld in artikel 71 § 1, 2º W.I.B. (oud) moet worden beschouwd daar wordt aangetoond dat deze heeft gediend om roerende inkomsten te verkrijgen die in aanmerking komen bij het bepalen van het belastbaar inkomen;
Overwegende dat in deze omstandigheden dan ook naast de door de administratie aangenomen intresten van 253 390 frank een bijkomende intrest van 605 835 frank moet worden afgetrokken, zijnde 13 % op 4 660 266 frank.
Overwegende dat kan worden aangenomen dat wanneer de eiser niet over de nodige fondsen beschikte op het ogenblik dat hij de betaalde meerwaardebelasting diende te betalen hij opteerde voor het aangaan van een lening eerder dan zijn onroerende goederen te vervreemden; dat de omstandigheid dat hij belangrijke beroepsinkomsten heeft genoten daaraan geen afbreuk doet;
Overwegende dat het beginsel van de annualiteit van de belasting belet dat rekening wordt gehouden met wat de administratie voor de vorige aanslagjaren heeft aanvaard; dat het beginsel van het opgewekte vertrouwen dan ook niet werd geschonden;

Op die gronden,
Het Hof,
Gelet op artikel 24 bis van de wet van 15 juni 1935.
Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van plaatsvervangende Raadsheer C. Lardinoit en de partijen in hun middelen en conclusies.
Ontvangt de voorziening en verklaart ze gedeeltelijk gegrond.
Beveelt de herberekening van de bestreden aanslag rekening houdend met wat voorafgaat en beveelt tevens de teruggave van het eventueel te veel geïnde meer de moratoriumintresten.