Arrêt de la Cour de Cassation dd. 11.06.1999
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Intérêts moratoires,Dégrèvement ordonné par le juge
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour de Cassation dd. 11.06.1999
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour de Cassation dd. 11.06.1999 Tax year : 2005 Document date : 11/06/1999 Document language : FR Name : C 99/23 Version : 1 Court : cassation
ARRET C 99/23 Arrêt de la Cour de Cassation dd. 11.06.1999 FJF 2000/25 Intérêts moratoires - Dégrèvement ordonné par le juge Le dégrèvement des surtaxes au sens de l'article 277, 1er , du CIR, qui est accordé d'office après l'écoulement des délais de réclamation et de recours, ne donne lieu au paiement d'aucun intérêt (art. 309, 3°, du CIR). Cette règle s'applique aussi au dégrèvement ordonné par une cour d'appel sur la base de l'article 277, § 1er. Afdelingsvoorzitters : M. Verougstraete, M. Forrier Raadsheren : M. Bourgeois, M. Dirix, M. Maffei Advocaat-generaal : Mr. Goeminne Advocaten : Mr. Vandebergh, Mr. Smeets de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën; tegen M.S., A.C. Het Hof, Gehoord het verslag van afdelingsvoorzitter Forrier en op de conclusie van advocaat-generaal Goeminne; Gelet op het bestreden arrest, op 15 april 1997 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen; Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 309 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals het van toepassing was voor aanslagjaar 1991, doordat het bestreden arrest, na met de beslissing van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur der directe belastingen te Hasselt van 11 augustus 1994 te hebben aangenomen dat het bezwaar tegen de bestreden aanslag, aanslagjaar 1991, laattijdig is, daar 30 april 1993 als uiterste datum voor het indienen van het bezwaarschrift geldt, en na te hebben geoordeeld dat artikel 376, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 te dezen toepassing vindt (bedoeld wordt artikel 277, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964)), en dat ambtshalve ontheffing dient te worden verleend van de overbelasting die voortvloeit uit de vastgestelde materiële vergissing, eiser in cassatie veroordeelt tot terugbetaling van de aldus ten onrechte geïnde bedragen vermeerderd met de moratoriuminterest overeenkomstig artikel 418 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (bedoeld wordt artikel 308 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964)), terwijl overeenkomstig artikel 309, eerste lid, 3º, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) geen moratoriuminterest wordt toegekend bij terugbetaling van de overbelastingen als bedoeld bij artikel 277, § 1, van dat wetboek die na het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt, zodat het bestreden arrest door toch moratoriuminterest toe te kennen op de ten onrechte geïnde belastingen waar van het overeenkomstig artikel 277, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) de terugbetaling beveelt, artikel 309, eerste lid, 3º, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) schendt : Overwegende dat het arrest enkel wordt bestreden in zoverre het de toekenning van moratoriuminterest beveelt op de ambtshalve ontheffing voor het aanslagjaar 1991; Overwegende dat, krachtens artikel 309, 3º, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), geen rente wordt toegekend bij terugbetaling van de overbelastingen als bedoeld bij artikel 277, § 1, van dat wetboek, die na het verstrijken van de termijnen van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt; Dat die bepaling ook geldt als de terugbetaling op grond van het vermelde artikel 277, § 1, wordt bevolen door een hof van beroep; Overwegende dat het arrest de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt door moratoriuminterest toe te kennen op de terugbetaling van overbelastingen die het beveelt op grond van artikel 277, § 1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964); Overwegende dat de verweerders opwerpen : «Er is geen enkele deugdelijke verantwoording te geven aan het feit dat bij toepassing van artikel 277 (van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964)) er geen moratoriuminterest mogen worden toegekend en bij toepassing van artikel 267 (van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964)) wel. Dit onderscheid steunt op niets en dus wordt een ongelijkheid (gecreëerd) die strijdig is met de Grondwet»; Overwegende dat de verweerders aldus blijkbaar aanvoeren dat het beginsel van de grondwettelijke gelijkheid geschonden wordt doordat bij toepassing van artikel 267 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) rente zou mogen worden toegekend, terwijl dit niet toepasselijk zou zijn bij toepassing van artikel 277 van dat Wetboek; Overwegende evenwel dat artikel 267 van dat Wetboek alleen betrekking heeft op de mogelijkheid een bezwaar in te dienen maar geen verband houdt met de terugbetaling van rente; Dat op de vraag die op een verkeerde premisse steunt, niet nader hoeft te worden ingegaan; Om die redenen, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de toekenning van moratoriuminterest beveelt op de bedragen waarvan ambtshalve ontheffing is verleend voor het aanslagjaar 1991; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. |
|||||||