Arrêt de la Cour de Cassation dd. 17.09.1998
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Dégrèvement d'office,Fait nouveau,Décision directoriale
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Arrêt de la Cour de Cassation dd. 17.09.1998
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Arrêt de la Cour de Cassation dd. 17.09.1998 Tax year : 2005 Document date : 17/09/1998 Document language : FR Name : C 98/4 Version : 1 Court : cassation
ARRET C 98/4 Arrêt de la Cour de Cassation dd. 17.09.1998 FJF 98/233 Dégrèvement d'office - Fait nouveau - Décision directoriale La décision du directeur régional d'accorder la déduction de certains frais comme frais professionnels ne constitue pas un fait nouveau permettant un dégrèvement d'office pour des exercices d'imposition ultérieurs. L'excédent d'impôt payé résultant de la déduction de pertes à reporter découlant d'une décision directoriale ayant admis la déduction de frais professionnels supplémentaires, ne peut être dégrevé d'office sur la base d'un fait nouveau. 1e Kamer Voorzitter: Verougstraete, Forrier Raadsheren: Parmentier, Waûters, Bourgeois O.M.: Goeminne Advocaten: mr. R. Tournicourt Partijen: J.E., en zijn echtgenote, D.M., tegen de Belgische Staat HET HOF, Gehoord het verslag van afdelingsvoorzitter Forrier en op de conclusievan advocaat-generaal Goeminne; Gelet op het bestreden arrest, op 9 februari 1995 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel; Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikel 277 §1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen zoals van toepassing voor aanslagjaar 1987, doordat het hof van Beroep, na te hebben vastgesteld dat verweerders voor aanslagjaar 1987 als nieuw feit of bescheid in de zin van artikel 277, §1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen de directoriale beslissing aanvoeren, gewezen op 9 november 1988 op bezwaar tegen de aanslagen van de twee voorafgaande aanslagjaren (1985 en 1986), dat wat de ingeroepen directoriale beslissing van 9 november betreft, het vaststaat en niet betwist is dat deze beslissing voor aanslagjaar 1985 de aftrek als bedrijfsuitgave aanvaardt van een door verweerder betaalde schadevergoeding ten belope van 1.300.000 fr. evenals van de interesten betaald op een lening aangegaan om de betaling van dit bedrag te financieren, dat evenmin betwist is dat er dientengevolge voor het aanslagjaar 1985 een overdraagbaar verlies ontstond dat gedeeltelijk in mindering kon worden gebracht voor het aanslagjaar 1986 en dat, na aanrekening nog een overdraagbaar verliessaldo overbleef van 126.701 fr., zoals vastgesteld in de directoriale beslissing van 9 november 1988, dat verweerders in toepassing van artikel 277, 51 WIB verzoeken dit aldus vastgestelde saldo van overdraagbaar verlies alsnog in aftrek te kunnen brengen voor aanslagjaar 1987, evenals de interesten ten bedrage van 96.720 fr. gedurende het betwist aanslagjaar betaald voor de lening ter financiering van de betaling van 1.300.000 fr., beslist dat in casu de tussengekomen directoriale beslissing een nieuw feit uitmaakt in de zin van artikel 277, § 1 WIB en dat de administratie verweerders ten onrechte ten kwade duidt dat zij, na het indienen van het bezwaarschrift voor de aanslagjaren 1985 en 1986, waarin voor de eerste keer de problematiek van de betaling van 1.300.000 fr. en van de lening om die betaling te financieren aan de orde kwam, en hangende deze eerste bezwaarprocedure, ook geen bezwaar hebben ingediend voor het daaropvolgende aanslagjaar, maar de uitslag van het eerste bezwaarschrift hebben afgewacht om dan voor het daaropvolgend aanslagjaar beroep te doen op de inmiddels tussengekomen beslissing om toepassing te vragen van de ambtshalve ontlasting, terwijl enkel als een nieuw feit in de zin van artikel 277, § 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen kan worden beschouwd een tot dan toe aan partijen onbekend gegeven dat de belastingplichtige niet in staat was in te roepen voor het verstrijken van de bezwaartermijn en de belastingplichtigen in het beoogde geval geenszins moesten wachten op het op 24 oktober 1988 in het kader van de bezwaarschriften bereikte akkoord dat aan de grondslag ligt van de beslissing van 9 november 1988 om aan te voeren dat er voor aanslagjaar 1987 nog een verlies in aanmerking moest worden genomen vermits de aftrek van de schadevergoeding en de hiermee gepaard gaande interesten die hebben geleid tot het nog over te dragen verlies reeds het voorwerp waren van de door hen ingediende bezwaarschriften met betrekking tot de voor de aanslagjaren 1985 en 1986 gevestigde aanslagen, zodat het arrest, door de beslissing van 9 november 1988 als een nieuw feit dat aanleiding geeft tot ambtshalve ontheffing te bestempelen, de juiste draagwijdte van artikel 277, 51 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen miskent en dienvolgens deze wetsbepaling schendt : Overwegende dat artikel 277, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) bepaalt dat de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar ambtshalve ontheffing verleent van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door wettige redenen; Dat voor de toepassing van die wetsbepaling alleen als nieuwe feiten of bescheiden gelden die welke een bewijs kunnen opleveren dat voordien niet is geleverd en die de belastingplichtige niet kon overleggen of aanvoeren voordat de termijnen van bezwaar of beroep waren verstreken; Overwegende dat een belastingplichtige die voor eerdere aanslagjaren een bezwaar heeft laten gelden, hieruit de gevolgen kon trekken voor het bedrag van de aangegeven inkomsten voor latere aanslagjaren, zonder de uitspraak van de directeur af te wachten; Dat een directoriale beslissing die de rechten van de belastingplichtige bepaalt, in die omstandigheden geen nieuw gegeven uitmaakt dat de toepassing van artikel 277, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) kan wettigen; Overwegende dat uit het arrest blijkt dat, luidens een directoriale beslissing van 9 november 1988, gewezen op een op 9 februari 1988 ingediend bezwaar tegen de aanslagen voor de aanslagjaren 1985 en 1986, diverse bedragen mochten worden afgetrokken voor die aanslagjaren; dat het arrest vaststelt dat als gevolg hiervan voor het aanslagjaar 1987 nog een overdraagbaar verlies bestond en dat voor het aanslagjaar 1987 verweerder geen bezwaar indiende binnen de bezwaartermijn die op 30 april 1988 verstreek; Overwegende dat het hof van beroep uit die vaststellingen niet wettig heeft kunnen afleiden dat te dezen de directoriale beslissing een nieuw feit is in de zin van artikel 277, §1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964); Dat het middel gegrond is; OM DIE REDENEN, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit de voorziening ontvankelijk verklaart; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. |
|||||||