We zijn erg blij om te zien dat u van ons platform houdt! Op hetzelfde moment, hebt u de limiet van gebruik bereikt... Schrijf u nu in om door te gaan.

Arrêt de la Cour de Cassation dd. 31.01.1986

Date :
31-01-1986
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Intérêts moratoires (art. 418-419 CIR)

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Arrêt de la Cour de Cassation dd. 31.01.1986
Arrêt de la Cour de Cassation dd. 31.01.1986
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Arrêt de la Cour de Cassation dd. 31.01.1986
Tax year : 2005
Document date : 31/01/1986
Document language : FR
Name : C 86/2
Version : 1
Court : cassation

ARRET C 86/2


Arrêt de la Cour de Cassation dd. 31.01.1986



Bull. n° 655, p. 2467

Intérêts moratoires (art. 418-419 CIR)

    Lorsqu'un dégrèvement d'impôt est accordé conformément à l'art. 277 CIR, aucun intérêt moratoire ne peut être alloué (art. 309, 3° CIR).



EERSTE KAMER VOORZITTER : de heer Janssens 

RAADSHEREN : de heren Caenepeel, Rauws, Matthijs en Poupart 

O.M. : de heer Krings 

ADVOCATEN : Mr Gheysens 

PARTIJEN : De Belgische Staat tegen H.D., gepensioneerd handelaar 

HET HOF, 

Gehoord het verslag van afdelingsvoorzitter Janssens en op de conclusie van Procureur-Generaal Krings;

Gelet op het bestreden arrest, op 23 september 1983 door het Hof van Beroep te Gent gewezen;

Over het eerste middel, afgeleid uit de schending van art. 277 WIB, doordat het arrest beslist dat uit de tekst van art. 277, par. 1, 1e WIB moet worden afgeleid dat, in geval van dubbele belasting, de belasting die bepalend is inzake de begindatum van de termijn van drie jaar bedoeld in voormelde wettekst, steeds de belasting is die de dubbele belasting doet ontstaan, dit wil zeggen de laatst gevestigde belasting, terwijl de termijn van drie jaar vermeld in art. 277, par. 1, 1e WIB moet worden berekend in functie van het jaar van vestiging van de aanslag die effectief de overbelasting omvat, onverschillig of deze aanslag de eerst- of laatstgevestigde aanslag is, derwijze dat voormelde wetsbepaling niet toelaat de overbelasting te herstellen die begrepen is in een foutieve aanslag gevestigd voor 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar van de vaststelling of van de bekendmaking van de overbelasting : Overwegende dat uit het arrest blijkt dat ten deze, nadat reeds andere, nu niet meer besproken aanslagen werden verbeterd, er nog dubbele belasting bestond tussen enerzijds de op 20 december 1978 gevestigde aanslag nr X, ten onrechte verbonden aan het aanslagjaar 1976, en anderzijds de op 30 maart 1981 gevestigde aanslag nr Y, terecht verbonden aan het aanslagjaar 1975;

Overwegende dat wanneer de dubbele belasting haar oorsprong vindt in het feit dat een en dezelfde winst belast is in twee verschillende aanslagjaren, de belasting die bepalend is voor de begindatum van de termijn van drie jaar bedoeld in art. 277, slechts de belasting kan zijn die de toestand van dubbele belasting doet ontstaan;

Overwegende dat de vraag welke aanslag de dubbele belasting doet ontstaan, niets te maken heeft met de vraag welke van de twee aanslagen "foutief" werd gevestigd, dit wil zeggen in dit geval, werd verbonden aan een verkeerd aanslagjaar;

Dat het middel faalt naar recht;

doordat het arrest beslist dat het Hof van Beroep onbevoegd is om een bij directoriale beslissing verleende ontheffing teniet te doen, ervan uitgaande dat de Gewestelijke Directeur der Directe Belastingen een ten onrechte verleende ontheffing kan annuleren door zijn aanvankelijke beslissing te herroepen, en uit deze overwegingen afleidt dat de ten onrechte gevestigde aanslag moet ontheven worden in de mate dat deze het voorheen dubbel belaste inkomen treft, ondanks het feit dat reeds een ontlasting werd verleend bij directoriale beslissing, terwijl, in het kader van een betwisting omtrent de toepassing van art. 277, par. 1 WIB, inzonderheid inzake dubbele belasting, het Hof van Beroep de gevolgen van de dubbele belasting moet bepalen, derhalve het bedrag van de overbelasting moet aanduiden en sanctioneren binnen de perken van zijn bevoegdheid, zodat het slechts de als onjuist beoordeelde directoriale beslissing kan verbeteren door de ontheffing te bevelen van de alsdan nog werkelijk bestaande overbelasting : Overwegende dat de beslissing, waarover het arrest handelt, die is van 3 juni 1981, waarbij de Directeur de laatst overblijvende dubbele belasting wilde wegwerken, namelijk die van de aanslag nr Y, aanslagjaar 1975, enerzijds, en de aanslag X, aanslagjaar 1976, anderzijds; dat bedoelde beslissing zonder meer vermeldt : ambtshalve ontheffing van 326 837 F, dit is de aanslag nr Y, aanslagjaar 1975, met toepassing van art. 277, par. 1 WIB, wegens dubbele belasting met de definitief geworden regularisatie van de fiscale toestand over het aanslagjaar 1976;

Overwegende dat het arrest beslist dat de aanslag nr X, aanslagjaar 1976, de aanslag is die moet worden ontlast; dat het arrest vervolgens oordeelt dat het Hof van beroep 1. geen ontlasting kan tenietdoen, wat doelt op de ontlaste aanslag van het aanslagjaar 1975, en 2. evenmin effectief ontlasting kan verlenen, waarmee bedoeld wordt de volledige ontlasting van de aanslag voor het aanslagjaar 1976;

Overwegende dat de voorziening van de Minister van Financien gericht is tegen deze laatste beslissingen; dat volgens eiser, het arrest het bedrag van de overbelasting moet aanduiden en sanctioneren binnen de perken van zijn bevoegdheid; dat eiser hier echter aan toevoegt dat die taak van het Hof van Beroep inhoudt dat het de onjuist beoordeelde beslissing van de Directeur kan verbeteren door de ontheffing te bevelen van de alsdan nog werkelijk bestaande overbelasting;

Overwegende dat het arrest, in zijn beschikkend gedeelte, zegt : "Beveelt de herberekening van de aanslag over het aanslagjaar 1976, Watou art. X, overeenkomstig de hierboven gegeven richtlijnen"; dat deze richtlijnen in de werkelijkheid echte beslissingen zijn over de beide resterende aanslagen over 1975 en 1976, met name het behoud van de aanslag betreffende het jaar 1975, en de volledige ontheffing van de aanslag betreffende 1976 in de mate dat hij op meerwaarden slaat;

Dat het arrest aldus doet wat het volgens het middel moest doen;

dat het middel derhalve bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is;

Over het derde middel, afgeleid uit de schending van art. 309 WIB, doordat in het beschikkend gedeelte van het arrest moratoire interest wordt toegekend op het bedrag van de met toepassing van art. 277, par. 1 en 2 WIB bevolen ontheffing, terwijl art. 309, eerste lid, 3e WIB voorschrijft dat geen interest wordt toegekend bij terugbetaling van de overbelastingen als bedoeld in art. 277, par. 1 en 2 van voormeld wetboek die na het verstrijken van de termijn van bezwaar en beroep van ambtswege geschiedt; dat bedoelde termijnen van bezwaar en beroep deze zijn welke bestaan ten aanzien van de te ontheffen aanslag; voormelde termijnen inzake de op 20 december 1978, onder artikelnummer X, gevestigde aanslag op het ogenblik van de vaststelling van de overbelasting voortvloeiend uit de dubbele belasting verstreken waren : Overwegende dat het enkel krachtens art. 277, par. 1 is dat aan verweerder ontlasting werd verleend voor het aanslagjaar 1976; dat in zulk geval, krachtens art. 309, 3e geen interest wordt toegekend;

Dat het middel gegrond is;

OM DIE REDENEN, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het moratoire interesten toekent en uitspraak doet over de kosten;

Verwerpt de voorziening voor het overige;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.