BTW-handleiding, nr. 018/2, dd. 01.02.2012

Date :
01-02-2012
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Régulation
Type :
Professional courses
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Uit hun aard onroerende goederen.

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > BTW-handleiding, nr. 018/2, dd. 01.02.2012
BTW-handleiding, nr. 018/2, dd. 01.02.2012
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Professional courses
Title : BTW-handleiding, nr. 018/2, dd. 01.02.2012
Tax year : 2012
Document date : 01/02/2012
Keywords : uit hun aard onroerende goederen. / levering van goederen
Document language : NL
Name : BTW-handleiding, nr. 018/2, dd. 01.02.2012
Version : 1
Previous document   Next document   Show list of documents

 

nr. 018/2.

Uit hun aard onroerende goederen.

 

[01.02.2012]

               
               
 

Uit hun aard onroerende goederen zijn goederen die niet verplaatsbaar zijn, zoals de grond of planten, gebouwen, constructies en werken die aan de grond vastzitten (Burgerlijk Wetboek, art. 518 e.v.).

               
 

Uit hun aard onroerende goederen worden ook lichamelijk onroerende goederen genoemd. Het gaat dus vnl. om de grond (bovengrond en ondergrond), gebouwen en planten die aan de grond vastzitten, wanneer ze erbij ingelijfd zijn. In artikel 9 van het Wetboek worden dus onder meer bouwgronden, landbouwgronden, weiden, huizen en industriële gebouwen, die bij de grond zijn ingelijfd, bedoeld.

               
 

De bestanddelen van een gebouw, constructie of werk, d.w.z. alle onderdelen en apparaten die er een geheel mee uitmaken en wel zo dat, wanneer ze ontbreken, de gebouwen, constructies of werken in hun aard zelf zouden worden gewijzigd doordat zij niet volledig meer zouden zijn, zijn eveneens onroerend uit hun aard (bv. de dakbedekking, de trappen, de deuren, vensterramen, liften, ... van een gebouw). Deze bestanddelen kunnen evenwel niet afzonderlijk van het gebouw worden vervreemd.

               
 

De voorwerpen die - zonder hun eigen individualiteit te verliezen - een louter toebehoren zijn van een gebouw, een constructie of werk, die dus bij gebreke daarvan volledig zijn (bv. machines), hebben daarentegen het karakter niet van onroerende goederen uit hun aard, zelfs wanneer zij materieel vastgehecht zijn aan het betrokken bouwwerk (die toebehoren blijven roerende goederen tenzij zij aan de voorwaarden voldoen die vereist zijn voor de onroerendmaking door bestemming).

               
 

Tegenover de lichamelijke onroerende goederen staan de onlichamelijke onroerende goederen, dit zijn:

               
 

-

de onroerende zakelijke rechten, uitgezonderd de eigendom: bepaalde van deze rechten worden voor de toepassing van de BTW als goederen beschouwd;

               
 

-

de onroerende schuldvorderingen: worden niet als goederen bedoeld in artikel 9 van het Wetboek beschouwd;

               
 

-

de onroerende rechtsvorderingen: worden evenmin als goederen bedoeld in artikel 9 van het Wetboek beschouwd.

               
 

De levering van uit hun aard onroerende goederen (gebouwen, grond ...) is bijgevolg een handeling die beoogd wordt door het Wetboek.

               
 

Artikel 44, § 3, 1 , a, van het Wetboek stelt evenwel op een algemene wijze de levering van deze goederen van de BTW vrij. Het betreft een vrijstelling met uitsluiting van het recht op aftrek van de voorbelasting.

               
 

Ingevolge dezelfde bepaling wordt de levering van een gebouw, een gedeelte van een gebouw en van het bijhorend terrein beoogd door artikel 1, § 9, van het Wetboek, echter van deze vrijstelling uitgesloten, op voorwaarde dat de levering wordt verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van het goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, van het Wetboek, door:

               
 

-

hetzij een in artikel 12, § 2, van het Wetboek beoogde belastingplichtige die voornoemd goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, van het Wetboek heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de BTW heeft verkregen;

               
 

-

hetzij elke andere belastingplichtige (d.w.z. een belastingplichtige voor een andere economische activiteit dan diegene hiervoor genoemd) wanneer hij op de in het koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970, bepaalde wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling voornoemd goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, van het Wetboek dat hij heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de BTW heeft verkregen, te vervreemden met voldoening van de BTW;

               
 

-

hetzij een in artikel 8, § 1 beoogde toevallige belastingplichtige.

               
 

De levering van gebouwen, gedeelten van gebouwen en van het bijhorend terrein onder de in het vorige lid bepaalde omstandigheden is bijgevolg in de regel met BTW te belasten. Onder gebouw wordt hier verstaan elk bouwwerk dat vast met de grond is verbonden (Wetboek art. 1, § 9, nr. 152).

               
 

Onder een gedeelte van een gebouw wordt verstaan elk gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk onderworpen is aan het regime van gedwongen mede-eigendom, meerbepaald de appartementen (Wetboek, art. 1, § 9, 1°, z. nr. 152).

               
 

Voor het begrip bijhorend terrein wordt verwezen naar het (de) kadastra(a)l(e) perce(e)l(en) voor het (de) welk(e) een toelating werd verkregen om er op te bouwen, bijvoorbeeld met het oog op een bouwvergunning of verkaveling (Wetboek, art. 1, § 9, 2°, z. nr. 151).

               
 

Tevens wordt opgemerkt dat in bepaalde gevallen verbouwde oude gebouwen voor de toepassing van de BTW als nieuwe gebouwen kunnen worden aangemerkt (z. nr. 152/2; beslissingen E.T. 19.497 van 20 februari en 29 april 1976, BTW-REVUE nr. 28, blz. 29, nr. 595).

               
 

De datum van het contract van vervreemding van het gebouw, m.a.w. de vraag of de levering van het gebouw heeft plaatsgevonden op een ogenblik dat het betreffende gebouw nog nieuw was, kan krachtens artikel 44, § 3, 1 , in fine, van het Wetboek alleen worden aangetoond door bewijsmiddelen die tegen derden kunnen worden ingeroepen (b.v. notariële akte of een onderhandse akte die vaste datum heeft verkregen b.v. doordat ze geregistreerd werd of door het overlijden van een van de ondertekenaars). De administratie stelt zich nochtans toleranter op t.a.v. het bewijs van de datum van de vervreemding. Het bewijs mag ook blijken uit bestanddelen buiten de van de partijen zelf uitgaande akten en bescheiden.