Décision anticipée n° 2011.233 du 12.07.2011
- Section :
- Régulation
- Type :
- Prior agreements L 24.12.2002
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
impôt sur les revenus - apport d?actions - société holding - constitution de sociétés - gestion normale du patrimoine privé - capital libéré - plus-value sur actions - plus-value interne
Texte original :
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Décision anticipée n° 2011.233 du 12.07.2011
Document
Search in text:
Properties
Document type : Prior agreements L 24.12.2002 Title : Décision anticipée n° 2011.233 du 12.07.2011 Document date : 12/07/2011 Publication date : 16/02/2012 Keywords : impôt sur les revenus / apport d’actions / société holding / constitution de sociétés / gestion normale du patrimoine privé / capital libéré / plus-value sur actions / plus-value interne / revenu divers Document language : FR Name : Décision anticipée n° 2011.233 du 12.07.2011 Version : 1
Décision anticipée n° 2011.233 du 12.07.2011Impôt sur les revenus Apport d'actions Société holding Constitution de sociétés Gestion normale du patrimoine privé Capital libéré Plus-value sur actions Plus-value interne Revenu divers
Résumé
Une décision anticipée a été demandée quant au fait de savoir si l'apport par M. X et Mme Y de leurs actions de la SA A et de la SA B dans une société holding encore à constituer C, constitue une opération de gestion normale d'un patrimoine privé comme visée à l'article 90, 9°, premier tiret, CIR 92 et que les revenus, suite à l'opération précitée, ne résultent pas de spéculations comme visé à l'article 90, 1°, CIR 92. Il est en outre demandé si l'apport prévu des actions précitées constitue du capital libéré, au sens de l'article 184, CIR 92, dans le chef de la nouvelle société holding C.
Il a été décidé que, vu les considérations reprises dans la décision, l'opération peut être considérée comme une opération de gestion normale d'un patrimoine privé comme visée à l'article 90, 9°, premier tiret, CIR 92 et que l'apport représente du capital libéré, au sens de l'article 184 CIR 92, dans le chef de la société holding.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe te vernemen of :
1.1. de geplande inbreng tegen marktwaarde door dhr. X en mevr. Y(hierna : de aanvragers) van de aandelen die zij bezitten van de NV A en de NV B in de nog op te richten holdingvennootschap C, kwalificeert als een verrichting van normaal beheer van privé-vermogen zoals bedoeld in artikel 90, 9°, WIB 92 en dat de inkomsten ingevolge de voormelde verrichting niet voortkomen uit speculatie zoals bedoeld in artikel 90, 1°, WIB 92;
1.2. de geplande inbreng van de aandelen van de NV A en de NV B in hoofde van de nog op te richten holdingvennootschap C fiscaal gestort kapitaal uitmaakt in de zin van artikel 184 WIB 92.
II. Omschrijving van de verrichting
II.A Beschrijving van de activiteiten van de aanvragers en de activiteiten en aandeelhoudershistoriek van de groepsvennootschappen
Identiteit van de aanvragers en de bij de inbrengverrichting betrokken vennootschappen
2. De aanvraag wordt ingediend door dhr. X en mevr. Y. Zij zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel en hebben één zoon, dhr. Z.
3. De vennootschappen waarvan de aandelen zullen worden ingebracht zijn de NV A en de NV B.
4. De vennootschap die de aandelen van voormelde vennootschappen zal verwerven is de door de aanvragers nog op te richten holdingvennootschap C.
Identiteit van de niet bij de inbreng betrokken vennootschap
5. Mevr. Y bezit ook nog alle aandelen van de BVBA D. Deze vennootschap wordt niet bij de geplande inbrengverrichting betrokken (zie ook randnummer 26 hierna).
Aandeelhoudershistoriek van de groepsvennootschappen
NV A
6. De NV A werd lange tijd geleden opgericht door dhr. X, mevr. Y en de vader van mevr. Y waarbij dhr. X de meerderheid van de aandelen verwierf, mevr. Y een minderheid en haar vader één aandeel.
7. Een 10-tal jaar na de oprichting van de vennootschap werd een kapitaalverhoging doorgevoerd met de creatie van nieuwe aandelen. Dit kapitaal werd ingebracht door dhr. X waarvoor hij aandelen ontving.
8. Op hetzelfde tijdstip werd er een tweede kapitaalverhoging doorgevoerd met de creatie van nieuwe aandelen. Dit kapitaal werd ingebracht door een buitenlandse vennootschap waarvoor zij (een beperkt aantal) aandelen ontving.
9. Enkele jaren later schonk de vader zijn ene aandeel aan zijn dochter mevr. Y.
10. Weer enkele jaren later werden de aandelen in het bezit van de buitenlandse vennootschap gekocht door dhr. X en vond een nieuwe kapitaalverhoging plaats zonder uitgifte van aandelen.
11. Sindsdien bestaat het aandeelhouderschap van de NV A uit dhr. X (meerderheidsaandeelhouder) en mevr. Y (minderheidsaandeelhouder).
NV B
12. Deze vennootschap werd een lange tijd geleden opgericht door mevr. Y en een derde d.m.v. een inbreng in geld. Beide oprichters hebben in ruil voor hun inbreng elk de helft van de aandelen ontvangen.
BVBA D
13. De BVBA D werd enkele jaren geleden opgericht door mevr. Y en een derde d.m.v. een inbreng in geld. Beide oprichters hebben in ruil voor hun inbreng respectievelijk een meerderheid en een minderheid van de aandelen ontvangen.
14. Recentelijk heeft mevr. Y de aandelen van de BVBA D in het bezit van de derde gekocht zodat zij op heden alle aandelen van deze vennootschap aanhoudt. Gelet op de financiële situatie en de vooruitzichten van de vennootschap (niet verderzetten van de activiteiten), gebeurde deze aankoop voor het bedrag van 1 EUR.
Activiteiten van de betrokken vennootschappen en activiteiten van de aanvragers in deze vennootschappen
NV A
15. De NV A is een operationele vennootschap die personeel tewerkstelt.
16. De NV A heeft momenteel drie bestuurders :
16.1. mevr. Y (gedelegeerd bestuurder);
16.2. dhr. X (voorzitter raad van bestuur);
16.3. dhr. Z (bestuurder)
NV B
17. De NV B is een operationele vennootschap die actief is in dezelfde sector als de NV A maar zich meer tot de kleinhandel richt.
18. Mevr. Y is voorzitter van de Raad van Bestuur van de NV B.
BVBA D
19. De BVBA D is eveneens een operationele vennootschap. Deze vennootschap heeft evenwel op dit ogenblik weinig tot geen activiteiten meer.
20. Mevr. Y is zaakvoeder van de BVBA D.
Dividenduitkeringen door de betrokken vennootschappen
21. Er werden door de NV A, de NV B en de BVBA D geen dividenden uitgekeerd aan hun aandeelhouders, noch kapitaalverminderingen doorgevoerd sinds de oprichting.
Toegekende bestuurdersvergoedingen en tantième
22. Door de NV A werden er in het verleden bestuurdersvergoedingen en tantièmes toegekend.
23. Door de NV B werden er in het verleden bestuurdersvergoedingen toegekend.
24. Door de BVBA D werden geen vergoedingen toegekend aan de aanvragers.
II.B. Beschrijving van de voorgenomen verrichtingen
II.B.1. Onderwerp van de aanvraag
25. De verrichting waarover een voorafgaande beslissing aan de DVB wordt gevraagd omhelst de inbreng in natura door de aanvragers van de aandelen die zij op dat ogenblik bezitten van de NV A en de NV B in de nog op te richten holdingvennootschap C.
II.B.2. Beschrijving van de aan de voormelde inbreng voorafgaande verrichtingen
26. Voorafgaand aan de voormelde inbrengverrichting zal mevr. Y, de participatie die zij op heden aanhoudt in de BVBA D, verkopen aan haar zoon, dhr. Z. Gezien de beperkte waarde van dit aandelenpakket zal deze verkoop gefinancierd worden door dhr. Z met eigen middelen. Het doel en de naam van de vennootschap zullen gewijzigd worden en dhr. Z zal deze vennootschap in de toekomst aanwenden als zijn persoonlijke holdingvennootschap.
27. Vervolgens zal dhr. X een minderheid van de aandelen van de NV A verkopen aan de BVBA D, de holdingvennootschap van zijn zoon, dhr. Z , en nog eens een minderheid van de aandelen van de NV A verkopen aan de BVBA E, vennootschap die zal opgericht worden door de externe partner die recent door de aanvragers werd aangetrokken ingevolge de toenemende activiteiten van de groep.
28. Zowel de verkoop aan de vennootschap van de externe partner als de verkoop aan de BVBA D, vennootschap van de zoon van de aanvragers, zal gebeuren aan dezelfde voorwaarden. Er werd een prijs bepaald na evaluatie van de waardering van de aandelen door de adviseur (bedrijfsrevisor) van de externe partner. De financiering zal in beide gevallen gebeuren door een vendor loan.
29. Er zijn op heden geen afspraken tussen de (toekomstige) aandeelhouders van de NV A voor wat betreft het opstromen van dividenden, dit gezien de gestage groei van de vennootschap en de prioriteit om de liquide middelen hiervoor aan te wenden, doch is het niet uitgesloten dat de Algemene Vergadering beslist om in de toekomst een dividend uit te keren.
30. Na voormelde verrichtingen zullen de aanvragers, de op dat ogenblik in hun bezit zijnde participaties, namelijk een kleine meerderheid van de aandelen van de NV A en de helft van de aandelen van de NV B inbrengen in de nieuw op te richten holdingvennootschap C.
31. Er werd bevestigd dat er geen voorafgaande beslissing wordt gevraagd voor wat betreft de verkoop door mevr. Y van haar aandelen van de BVBA D aan dhr. Z, noch voor wat betreft de verkoop door dhr. X van een gedeelte van zijn aandelen van de NV A aan de respectievelijke holdingvennootschappen van dhr. Z en de externe partner.
II.B.3. Beschrijving van de na de voormelde inbreng geplande verrichtingen
32. Na deze verrichting zullen vanuit de respectievelijke holdings (holding C van de aanvragers, de holdingvennootschap D van dhr. Z en de holdingvennootschap E van de externe partner) nieuwe activiteiten worden opgestart via een nieuwe vennootschap F die zal aangewend worden voor het uitwerken van een nieuw concept.
II.B.4. Door de aanvragers opgenomen engagementen
33. Gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de overdracht van de aandelen van de NV A en de NV B aan de nog op te richten holdingvennootschap C door inbreng in natura :
33.1. zal geen kapitaalvermindering door holdingvennootschap C worden doorgevoerd;
33.2. zal geen kapitaalvermindering door de exploitatievennootschappen worden doorgevoerd, tenzij die middelen door holdingvennootschap C worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen of het verwerven van nieuwe acquisities zonder dat deze geldmiddelen mogen doorstromen naar de aandeelhouders natuurlijke personen;
33.3. zal het door de exploitatievennootschappen uitgekeerde dividendbeleid niet wijzigen ten opzichte van vroeger (dit wil vóór de inbreng in holdingvennootschap C). Er mogen toch hogere dividenden worden uitgekeerd indien wordt aangetoond dat de dividenduitkeringen door holdingvennootschap C worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen of het verwerven van nieuwe acquisities. De hogere dividenden mogen echter niet doorvloeien naar de aandeelhouders natuurlijke personen. De hogere dividenden mogen tenslotte ook worden aangewend voor de betaling van aandeelhouders die niet betrokken zijn bij de inbrengverrichting en die wensen uit te treden;
33.4. zullen de eventuele door de exploitatievennootschappen aan holdingvennootschap C betaalde managementfees, bedrijfsleiderbezoldigingen, … voor de prestaties van de aanvragers overeenstemmen met de vroegere bedrijfsleiderbezoldigingen betaald aan de aanvragers. De geldstroom vanuit deze vennootschappen naar de holdingvennootschap C mag hoger zijn indien blijkt dat hier daadwerkelijke prestaties tegenover staan (bijvoorbeeld boekhouding, personeel,…) die vroeger op het niveau van de werkvennootschappen werden verricht en nu door holdingvennootschap C worden uitgevoerd (eventueel met overdracht van betrokken personeel) en marktconform worden doorgerekend.
34. Voor zover er binnen de 3 jaar na de geplande inbreng dividenden zouden opstromen ter financiering van de door de BVBA D (holdingvennootschap van de zoon) en de door de BVBA E (holdingvennootschap van de externe partner) aangekochte participaties (zie randnummer 29 hiervoor), engageren de aanvragers zich ertoe dat de holdingvennootschap C deze middelen niet zal laten opstromen naar de aanvragers persoonlijk.
35. N.a.v. de inbrengen in natura zal een revisoraal verslag worden opgesteld. De geplande inbreng evenals de verkoop van de aandelen van de NV A aan de BVBA D en aan de BVBA E zullen aan dezelfde waarden gebeuren. Een afschrift van het verslag van de bedrijfsrevisor, waaruit de waarde van de NV A en de NV B blijkt, zal aan de locale controleur van de aanvragers worden overgemaakt.
III. Motivering voor de geplande verrichting door de aanvragers
III.A. Doelstellingen
36. De aanvragers wensen een reorganisatie van hun privé-patrimonium door te voeren ten einde volgende doelstellingen te bereiken :
36.1. het bestuur van de door hen aangehouden participaties centraliseren;
36.2. het verzekeren van de continuïteit van de groepsvennootschappen, onder meer met het oog op een mogelijke toekomstige wijziging van het aandeelhouderschap op het niveau van de groepsvennootschappen bij overlijden van de langstlevende tegen te gaan;
36.3. via het opzetten van een holdingstructuur wordt een geschikte opvolgingsstructuur voor successiedoeleinden mogelijk gemaakt ten aanzien van de zoon van de aanvragers.
37. Om voormelde redenen wensen de aanvragers over te gaan tot de inbreng van hun participaties in de NV A en de NV B in de holdingvennootschap C.
38. Door deze inbrengen zal C als holdingvennootschap fungeren voor wat betreft de participaties die door de aanvragers worden aangehouden.
III.B. Motivering voor de aanvraag om voorafgaande beslissing
III.B.1. Algemeen
39. De activiteit van de groep werd opgestart door de aanvragers via de NV A. Deze activiteit werd door hen verder uitgebouwd zowel binnen de NV A als door de oprichting van de twee andere vennootschappen.
40. De aanvragers wensen hun activiteiten nu verder te ontplooien en een ondernemingsstructuur op te zetten waarbij de betrokken vennootschappen elk afzonderlijk kunnen werken maar met de steun van de andere vennootschappen.
41. Gezien de onderlinge verbondenheid van activiteiten van de verschillende vennootschappen en met het oog op continuïteit hiervan, is het aangewezen om een zekere eenheid van leiding te organiseren in het beheer en de controle van de vennootschappen om zo de nodige continuïteit te garanderen, wat dan ook de bedoeling is van de voorgenomen verrichting.
42. Tevens is het de wens van de aanvragers om de NV A niet bloot te stellen aan mogelijke risico's die de nieuwe activiteit met zich zou kunnen meebrengen.
43. Gezien de toenemende omvang van de activiteiten en om deze verder te kunnen beheren en om de nieuwe activiteiten te kunnen ontplooien werd zeer recentelijk door de aanvragers een externe partner aangetrokken die zal toetreden tot het dagelijks bestuur van de NV A, mits de verwerving van een minderheidsparticipatie in deze vennootschap.
44. Het onderbrengen van de participaties door de aanvragers van de werkvennootschappen in een holdingvennootschap, biedt eveneens de mogelijkheid om zowel de volgende generatie evenals een externe partner te betrekken bij het bestuur van de exploitatievennootschappen. De structuur laat de aanvragers toe om op termijn te waken over het uitgebouwde patrimonium als een goede huisvader zonder dagdagelijks bij de leiding van elk van de vennootschappen betrokken te moeten zijn.
45. Door de inbreng van de participaties die de aanvragers aanhouden in de exploitatievennootschappen in één holdingvennootschap en het onderbrengen/verwerven van de participaties door dhr. Z en de externe partner, in/via hun respectievelijke holdingvennootschappen bekomt men een groepstructuur waarbij het management van de diverse exploitatievennootschappen in de respectievelijke holdingvennootschappen kan gecentraliseerd worden en de continuïteit van het beheer van de vennootschappen voor de toekomst geregeld kan worden.
46. De ontstane structuur biedt tevens de mogelijkheid om enerzijds, voor wat betreft de holdingvennootschap van dhr. Z en van de externe partner, in de eerste plaats de nodige financiële middelen te genereren om de door hen verworven participaties te financieren en anderzijds voor wat betreft de holdingvennootschap van de aanvragers en in een later stadium, t.t.z. na aflossing van de financiering tevens voor wat betreft de holdingvennootschappen van dhr. Z en de externe partner, de liquide middelen van de exploitatievennootschappen die niet onmiddellijk dienstig zijn voor hun werking, in deze holdingvennootschappen te centraliseren. Dit geeft de mogelijkheid om deze middelen te investeren in die vennootschappen van de groep die er nood aan hebben, om deze middelen aan te wenden om de nieuwe activiteit uit te bouwen en om het kapitaal en de reserves van de exploitatievennootschappen af te schermen van het bedrijfsrisico.
III.B.2. Inzake artikel 90, 1° en 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92
47. De geplande inbreng van de aandelen van de betrokken vennootschappen kan volgens de aanvragers als een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92.
48. De meerwaarden gerealiseerd door de aanvragers vloeien voort uit handelingen die een "goede huisvader" ook zou stellen en kaderen dus in het normaal beheer van privé-vermogen. De over te dragen aandelen zijn activa die deel uitmaken van het privé-vermogen van de aanvragers. De overdracht naar een eigen holdingvennootschap is het voorbeeld bij uitstek van een louter beheer, gezien het een loutere omzetting is van privégoederen. Zoals gezegd, betreft het privégoederen die sinds geruime tijd eigendom zijn van de aanvragers.
49. De Vlaamse wetgever heeft tevens bij de inlassing van artikel 60bis W.Succ. zelf gesteld dat het creëren van een patrimoniumvennootschap (holdingvennootschap) een economisch gerechtvaardigde verrichting is. In casu gaat het beheer niet gepaard met abnormale risico's, hoge leningen, quasi-professionele methodes en dergelijke meer.
50. Op basis van de volgende overwegingen kan gesteld worden dat er geen sprake is van speculatie en het een verrichting betreft van normaal beheer van privé-vermogen :
50.1. de aandelen zijn reeds (voor het overgrote deel) sinds de oprichting van de betrokken vennootschappen in het bezit van de aanvragers. De activiteit is sinds de oprichting van de NV A organisch gegroeid. Bij de oprichting van de vennootschappen was er aldus onder geen enkele omstandigheid sprake van speculatie;
50.2. er werd geen financiering aangegaan voor de oprichting van de betrokken vennootschappen;
50.3. de inbreng van deze aandelen in een nieuw op te richten holdingvennootschap gaat niet gepaard met bijzondere risico's, hoge leningen, quasi-professionele methodes en dergelijke meer;
50.4. de overdracht is ingegeven door diverse "normale" overwegingen d.i. voorzien in een transparante structuur, het centraliseren van het bestuur, de continuïteit van de groep verzekeren bij toekomstige wijzigingen van het aandeelhoudersschap en het opzetten van een geschikte opvolgingsstructuur;
50.5. dat de overdracht van de aandelen aan de holdingvennootschap C een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen betreft, blijkt ook uit het feit dat de aanvragers zich, in het geval van een positieve beslissing door de DVB, engageren om de hoger beschreven engagementen na te leven gedurende een termijn van 3 jaar vanaf de voorgenomen inbrengverrichting in holdingvennootschap C.
De voorgenomen inbreng is noch speculatief noch abnormaal van aard
51. De inbreng van de aandelen van de betrokken vennootschappen aan marktwaarde betreft een louter juridische reorganisatie die noodzakelijk is om de hierna vermelde motieven te bereiken en heeft geen effectieve verrijking van de aandeelhouders tot gevolg. Bovendien kan de inbreng van de aandelen niet als speculatief worden beschouwd vermits de aandeelhouders de participaties voor het overgrote deel reeds aanhouden sinds de oprichting van de betrokken vennootschapen en geen speculatief inzicht hadden op het moment van de verwerving van de aandelen in de betrokken ondernemingen.
52. Het beheer van bovenvermelde aandelen met inbegrip van de voorgenomen inbreng gaat niet gepaard met abnormale risico's, hoge leningen, quasi-professionele methodes en dergelijke meer. De inbreng van de aandelen dient bijgevolg als een normale verrichting van beheer van een privé-vermogen te worden beschouwd, zoals dat zou worden gedaan door een goede huisvader.
De voorgenomen inbreng wordt ingegeven door volgende motieven
Risicospreiding en diversificatie
53. Om de NV A niet bloot te stellen aan de risico's en aansprakelijkheden die de opstart en uitbouw van de nieuwe activiteiten mogelijks met zich meebrengt is het aangewezen om deze activiteiten niet onder te brengen in de NV A, maar in een andere daartoe op te richten vennootschap.
Financiering van nieuwe activiteiten
54. Zoals hierboven werd aangehaald is het de bedoeling om nieuwe activiteiten op te starten en uit te bouwen. Deze nieuwe activiteiten kunnen het best gerealiseerd en aangestuurd worden vanuit de respectievelijke holdingvennootschappen. Verder biedt de structuur de mogelijkheid om overtollige cash in een dochtervennootschap via een dividenduitkering ter beschikking van de holdingvennootschappen te stellen. De holdingvennootschappen kunnen er vervolgens voor opteren om de ontvangen gelden te gebruiken om de nieuwe projecten te financieren in andere dochtervennootschappen. Op deze manier dient men minder externe financieringsbronnen aan te wenden en wordt de overtollige cash optimaal benut. De onttrekking van overtollige cash voor de financiering van nieuwe projecten is ook van belang voor een verdere diversificatie en risicospreiding.
55. Indien zou blijken dat de andere aandeelhouder van de NV B, een vennootschap waarvan mevr. Y op vandaag 50 % van de aandelen aanhoudt, zijn aandelenpakket (50 %) zou willen verkopen, dan staat de holdingvennootschap C als aandeelhouder sterk om, indien het op dat moment opportuun zou zijn, de aandelenparticipatie van die aandeelhouder geheel of gedeeltelijk over te nemen. Met de huidige aandeelhoudersstructuur zou dit veel moeilijker zijn.
Toekomststrategie en familiale verankering
56. De beoogde werkwijze kadert in de toekomststrategie van de aanvragers. Door de vooropgestelde structuur maakt men een verdere groei mogelijk. Door de inbreng in een holdingvennootschap behouden de aanvragers de controle over de participaties die zij aanhouden, terwijl externe partners in bepaalde delen kunnen participeren zonder dat de continuïteit van het bedrijf in het gedrang komt.
57. De vooropgestelde structuur vindt zijn oorsprong in de mogelijkheid om key personen of financiële partners deel te laten nemen in bepaalde exploitatievennootschappen. De structuur laat de aanvragers toe om beter te waken over het uitgebouwde patrimonium "als een goed huisvader" zonder dagdagelijks bij de leiding van elk van de uitbatingen betrokken te moeten zijn.
III.B.3. Inzake artikel 184 WIB 92
58. Luidens artikel 184 WIB 92 is het gestorte kapitaal het deel van het maatschappelijk kapitaal dat werkelijk is gestort, in zover geen verminderingen of terugbetalingen hebben plaatsgevonden. In het kapitaal opgenomen andere winsten dan uitgekeerde winsten die als dusdanig aan belasting werden onderworpen, worden niet als fiscaal gestort kapitaal aangemerkt.
59. De aandelen die worden ingebracht in de holdingvennootschap C stemmen overeen met een werkelijk gestorte inbreng, zodat het kapitaal dat door de inbreng wordt gecreëerd, wel degelijk dient te worden beschouwd als fiscaal gestort kapitaal.
60. De wet van 11 december 2008 houdende wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde het in overeenstemming te brengen met de richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat, gewijzigd bij de richtlijn 2005/19/EEG van de Raad van 17 februari 2005, doet bovendien geen afbreuk aan het voorgaande.
III.C. Conclusie
61. In de nieuwe structuur worden de diverse participaties in de verschillende groepsvennootschappen aangehouden door de respectievelijke holdingvennootschappen van de betrokken partners. Meer specifiek brengt het onderbrengen van de participaties door de aanvragers in hun holdingvennootschap volgende voordelen met zich mee :
61.1. de mogelijkheid om het bestuur van de betrokken vennootschappen te centraliseren;
61.2. het verzekeren van de continuïteit binnen de betrokken vennootschappen;
61.3. het opzetten van een geschikte opvolgingsstructuur voor successiedoeleinden.
62. Tevens kunnen door de vooropgestelde structuur de liquide middelen die niet noodzakelijk zijn voor de werking van werkvennootschappen afgeschermd worden van het risico van deze vennootschappen door deze middelen onder te brengen in een holdingvennootschap die niet aan directe risico's is onderworpen.
63. In casu ontbreken overigens ook de factoren op basis waarvan de rechtspraak doorgaans beslist dat meerwaarden op aandelen niet kaderen in het normaal beheer van een privé-vermogen.
64. Om deze redenen zijn de aanvragers van oordeel dat de meerwaarden, die gerealiseerd zouden worden bij de overdracht door dhr. X en mevr. Y van hun participatie in de NV A en de NV B niet belastbaar zijn overeenkomstig artikel 90,1° WIB 92 en artikel 90, 9°, 1e gedachtestreepje WIB 92 en dat het kapitaal dat door de inbreng van de aandelen in de holdingvennootschap gecreëerd wordt, beschouwd dient te worden als fiscaal gestort kapitaal.
IV. Beslissing
IV.A. Met betrekking tot de toepassing van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92
65. De geplande inbreng tegen marktwaarde door de aanvragers van de aandelen die zij bezitten van de NV A en de NV B in de nog op te richten holdingvennootschap C vormt een overdracht onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92.
66. De aandelen van de betrokken vennootschappen behoren tot het privé-vermogen van de aanvragers.
67. De geplande inbreng kan, gelet op de hierna vermelde overwegingen, worden aangemerkt als een normale verrichting van beheer van het privé-vermogen in de zin van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92 :
67.1. er is geen korte tijdspanne tussen de oprichting van de vennootschappen van wie de aandelen worden ingebracht en de inbreng van de aandelen;
67.2. de over te dragen aandelen zijn reeds lang in het bezit van de aanvragers. De aanvragers bezitten reeds het merendeel van de aandelen van de NV A sinds de oprichting van de vennootschap. Mevr. Y bezit haar in te brengen aandelen van de NV B sinds de oprichting van de vennootschap;
67.3. het betreft geen complexe verrichting noch spitsvondig feitencomplex;
67.4. de geplande nieuwe activiteiten (vennootschap F) zullen gerealiseerd en aangestuurd worden vanuit de holdingvennootschap C;
67.5. gezien de onderlinge verbondenheid van de activiteiten van de verschillende operationele vennootschappen (NV A, NV B en de nog op te richten vennootschap F), en met het oog op de continuïteit ervan, is het aangewezen om vanuit de nieuwe holdingvennootschap C een zekere eenheid van leiding te organiseren in het beheer en de controle van de vennootschappen om zo de nodige continuïteit te garanderen;
67.6. met het onderbrengen van hun participaties in de holdingvennootschap C wordt door de aanvragers een geschikte opvolgingsstructuur voor successiedoeleinden opgestart;
67.7. door de aanvragers worden engagementen aangegaan (zie randnummers 33 en 34);
67.8. een kopie van het waarderingsverslag, waaruit de waarde van de NV A en de NV B blijkt, zal aan de locale controleur van de aanvragers worden overgemaakt;
67.9. de meerwaarde die bij de inbreng van de aandelen wordt gerealiseerd is, gelet op de bezitsduur van de aandelen, de afwezigheid van financieringen en van hoge risico's, niet het gevolg van speculatie als bedoeld in artikel 90, 1° WIB 92.
IV.B. Met betrekking tot de toepassing van artikel 184 WIB 92
68. Volgens artikel 184, 1e lid WIB 92 is het gestorte kapitaal het deel van het maatschappelijk kapitaal dat werkelijk is gestort en voorzover er geen verminderingen of terugbetalingen hebben plaatsgevonden.
69. Het kapitaal dat wordt gevormd naar aanleiding van de inbreng in de nieuwe holdingvennootschap C wordt beschouwd als fiscaal gestort kapitaal in de zin van artikel 184, 1e lid WIB 92.
Gelet op de overwegingen vermeld in de randnummers 65 tot 69 beslist het College in zitting van 12 juli 2011 dat :
70. de geplande inbreng tegen marktwaarde door de aanvragers van de aandelen die zij bezitten van de NV A en de NV B in de nog op te richten holdingvennootschap C, beschouwd kan worden als een normale verrichting van beheer van het privé-vermogen, zodat de meerwaarde niet belast zal worden op grond van artikel 90, 9°, eerste gedachtestreepje, WIB 92;
71. de inbreng van de aandelen in hoofde van de nieuwe holdingvennootschap C fiscaal gestort kapitaal uitmaakt in de zin van artikel 184 WIB 92.
72. Er wordt opgemerkt dat in deze voorafgaande beslissing geen uitspraak wordt gedaan over de verkopen die zullen plaatsvinden vóór de geplande inbrengen (zie randnummers 26, 27 en 31).
73. De aandacht wordt er op gevestigd dat de beslissing slechts geldig blijft voor een periode van één jaar en dit vanaf de datum van de voorafgaande beslissing.
74. De beslissing is slechts geldig voor zover het verslag van de revisor, dat de waarde van de aandelen op het ogenblik van de inbreng weergeeft, zal worden overgemaakt aan het locale controlekantoor van de aanvragers.
|
|||||||