Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers du 07.12.2007

Date :
07-12-2007
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
5 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Exonération des droits de succession pour les biens à préciser comme actifs de l'entreprise familiale - Possession sans interruption d'actions (art. 60bis, § 1b, C. succ. (Région flamande))

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers du 07.12.2007
Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers du 07.12.2007
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers du 07.12.2007
Document date : 07/12/2007
Keywords : Flandre / Région flamande / exemption / titres / possession / actifs professionnels familiaux
Decision : Favorable
Document language : FR
Name : Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers du 07.12.2007
Version : 1
Court : firstAuthority/Antwerpen_firstAuthority

Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers du 07.12.2007

Exonération des droits de succession pour les biens à préciser comme actifs de l'entreprise familiale - Possession sans interruption d'actions (art. 60bis, § 1b, C. succ. (Région flamande))

EE/100.619

 

Résumé

Les héritiers ne prouvent pas de manière suffisante la possession sans interruption d'actions, pour au moins 50 %, dans les trois ans précédant le décès. Les droits de succession sont dus.

Texte intégral

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen

dd. 07.12.2007

 

in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden:

 

P. W., enig rechter, N. D., griffier.

In zake: A.R.Nr. 04/4490/A

1. W. H.,

gepensioneerde, geboren te Antwerpen op 16 september 1932, wonende te W.,

2. J. R.,

bestuurder, geboren te Wilrijk op 5 oktober 1955, wonende te H.

EISENDE PARTIJEN

- verschijnende bij meester W. H. loco meester M. V. B., advocaat, kantoorhoudende te A.

tegen:

1. A. VLAAMSE GEMEENSCHAP

1. B. VLAAMS GEWEST,

kabinet van de Minister-President van de Vlaamse Gemeenschap, gevestigd te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19 en het kabinet van de Minister van Financiën, gevestigd te 1210 Brussel, Koning-Albert II-laan 1 (volgens conclusie),

- volgens inleidend verzoekschrift en briefwisseling van tweede verwerende partij doen beiden woonstkeuze op het adres: 1000 Brussel, Martelaarsplein 19,

EERSTE VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester P. B., advocaat, kantoorhoudende te M.

2. DE BELGISCHE STAAT,

Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector der registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën in de persoon van de ontvanger, thans eerstaanwezend inspecteur van het registratiekantoor Kontich, wiens burelen gevestigd zijn te 2550 Kontich, Sint-Jansplein 11, eerste verdieping.

TWEEDE VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester L A., advocaat, kantoorhoudende te A.

 

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 juli 2004,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 23 maart 2007,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 16 november 2007.

De vordering strekt ertoe de bestreden beslissing van 22 mei 2002 van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij de door eisers ingediende aanvraag tot het bekomen van het attest inzake tewerkstelling en kapitaal tot het bekomen van het nultarief van de successierechten voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen in toepassing van artikel 60bis W.Succ. werd afgewezen, te vernietigen en voor recht te zeggen dat eisers voor wat betreft de 490 aandelen van de NV P. J. die toebehoorden aan de Heer F. J. op het ogenblik van zijn overlijden, terecht aanspraak maken op het nultarief inzake successierechten, dienvolgens het bestreden dwangschrift, legger 127 artikel 1978, uitgevaardigd op 4 juni 2004 en uitvoerbaar verklaard op 7 juni 2004, te ontheffen en / of te vernietigen en voor recht te zeggen dat de in het dwangschrift opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn, eisers te ontslaan van de ten onrechte gevorderde belasting en in voorkomend geval de teruggave te bevelen van de eventueel te veel betaalde bedragen en / of de door verweerder ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten en de kosten van het geding.

 

Relevante feiten

Op 30 oktober 2001 overleed wijlen de Heer F. J. die als erfgenamen naliet eerste eiseres, zijn overlevende echtgenote, en tweede eiser, zijn enig kind.

Op 7 maart 2002 hebben eisers een aanvraag ingediend bij eerste verweerster tot het bekomen van het attest inzake tewerkstelling en kapitaal tot het bekomen van het nultarief van de successierechten voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen in toepassing van artikel 60bis W.Succ. voor 490 aandelen van de NV P. J.

Bij beslissing van 22 mei 2002 van eerste verweerster werd de aanvraag van eisers afgewezen wegens gebrek aan bewijs van het aandelenbezit.

Op 13 juni 2002 hebben eisers de aangifte van nalatenschap ingediend waarbij onder meer 480 aandelen NV P. J. als actief van de huwelijksgemeenschap werden aangegeven voor 0,00 EUR met toepassing van artikel 60bis W.Succ; in de aangifte werd vermeld dat voornoemde aanvraag werd afgewezen, doch dat tegen deze beslissing beroep zal worden aangetekend.

Op 24 juli 2002 hebben eisers willig beroep aangetekend tegen voornoemde beslissing van 22 mei 2002; er werd geen beslissing genomen met betrekking tot dit willig beroep.

Op 4 juni 2004 heeft tweede verweerder een dwangschrift uitgevaardigd omdat

- voornoemde aanvraag tot het bekomen van voornoemd attest werd afgewezen,

- volgens de stichtingsakte van 6 april 1973 wijlen de Heer F. J. 482 aandelen heeft in de NV P. J.,

- eisers ondanks herhaalde verzoeken niet bereid zijn gevonden om een bijvoeglijke aangifte in te leveren tot herstel van het verzuim van deze 482 aandelen en de wettelijke termijn van de indiening van de aangifte verstreken is;

in dit dwangschrift werden de bijkomende rechten berekend op deze 482 aandelen.

 

Beoordeling

Betreffende de ontvankelijkheid van het beroep tegen de beslissing van 22 mei 2002

Volgens eerste verweerster kunnen eisers de beslissing van 22 mei 2002 onmogelijk aanvechten en is de vordering dan ook onontvankelijk.

Eisers kunnen de beslissing van 22 mei 2002 ongetwijfeld aanvechten zoals trouwens duidelijk blijkt uit de laatste bladzijde van deze beslissing; volgens de "belangrijke mededeling" op deze bladzijde kan:

- willig of oneigenlijk beroep binnen de 3 maanden bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,

- beroep bij de rechtbank van eerste aanleg,

worden aangetekend; eisers hebben binnen de 3 maanden, namelijk op 24 juli 2002, willig beroep aangetekend en bij gebreke aan beslissing konden zij op 22 juli 2004 dan ook een verzoekschrift indienen bij de rechtbank.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

Betreffende de toepassing van artikel 60bis W.Succ.

Krachtens artikel 60bis § 1 b) W.Succ. worden de aandelen in een familiale vennootschap vrijgesteld van het successierecht op voorwaarde dat de aandelen van de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden ononderbroken voor ten minste 50 % toebehoorden aan de overledene en / of zijn echtgenoot, en dat deze spontaan in de aangifte van nalatenschap worden vermeld; voor de berekening van de 50 % wordt tevens rekening gehouden met de aandelen:

- die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van de zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad,

die in het bezit zijn van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene.

Het wordt niet betwist dat het maatschappelijk kapitaal van de NV P. J. is vertegenwoordigd door 500 aandelen aan toonder.

Eisers, die een vrijstelling inroepen, dienen het bewijs te leveren dat zij zich in de vereiste voorwaarden bevinden om het voordeel van de vrijstelling te kunnen genieten, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

Bijgevolg dienen eisers te bewijzen dat de 500 aandelen van de NV P. J. in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden op 30 oktober 2001 van wijlen de Heer F. J. ononderbroken voor ten minste 50 % toebehoorden aan

- wijlen de Heer F. J. en / of eerste eiseres, zijn echtgenote,

- ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van de zijverwanten van wijlen de Heer F. J. tot en met de tweede graad,

- kinderen van vooroverleden broers en zusters van wijlen de Heer F. J.

Eisers kunnen voornoemd aandelenbezit bewijzen met alle middelen van het gemeenrecht, uitgezonderd de eed, hetgeen trouwens bevestigd wordt door de Vlaamse Omzendbrief van 30 april 2004 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 augustus 2004; ten onrechte stelt eerste verweerster dan ook dat voornoemd aandelenbezit enkel kan bewezen worden door voorlegging van het aandelenregister, hetgeen immers slechts mogelijk is bij aandelen op naam.

De volgende vaststaande feitelijke gegevens, namelijk:

- bij de oprichting van de NV P. J. op 6 april 1973 werd door wijlen de Heer F. J. ingeschreven op 482 aandelen van de 500,

- op de buitengewone algemene vergadering van 25 juli 1986 verscheen wijlen de Heer F. J. met 492 aandelen van de 500,

- op de buitengewone algemene vergadering van 17 maart 1995 verscheen wijlen de Heer F. J. als enige met 10 aandelen waarbij het doel en de statuten door wijlen de Heer F. J. alleen werden gewijzigd,

- op de buitengewone algemene vergadering van 7 maart 2002, zijnde aldus ná het overlijden van wijlen de Heer F. J., verscheen eerste eiseres met 480 aandelen en tweede eiser met de overige 20 aandelen, bewijzen geenszins, ook niet door vermoedens, het ononderbroken aandelenbezit voor ten minste 50 % van voornoemde personen in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden op 30 oktober 2001 van wijlen de Heer F. J.

Ook de verklaring van 16 april 2002 van de notaris, dat alsdan alle 500 aandelen van de NV P. J. haar door eisers werden voorgelegd en dat bij haar weten wijlen de Heer F. J. zeker gedurende de laatste 3 jaar voor zijn overlijden in het bezit was van 490 aandelen van deze vennootschap en de overige 10 aandelen gedurende minstens de zelfde periode in het bezit waren van tweede eiser, bewijst evenmin, ook niet door vermoedens, voornoemd aandelenbezit voor ten minste 50 %.

Uit het geheel van de gegevens en de beweringen van eisers kan evenmin voornoemd ononderbroken aandelenbezit voor ten minste 50 % worden afgeleid.

Dit ononderbroken aandelenbezit voor ten minste 50 % zouden eisers onder meer kunnen bewijzen door voorlegging van de notulen van de jaarlijkse, bijzondere of buitengewone algemene vergaderingen van de NV P. J. gedurende de 3 jaar voor het overlijden van wijlen de Heer F. J. en / of door voorlegging van uittreksels van dividenduitkeringen zodat geenszins een onmogelijk bewijs wordt gevraagd.

Eisers leveren geenszins voldoende bewijs dat aan deze vrijstellingsvoorwaarde van artikel 60bis § 1b) W.Succ. is voldaan zodat zij falen in hun bewijslast en de successierechten aldus verschuldigd zijn.

Betreffende de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Het feit, dat voornoemd aandelenbezit voor ten minste 50 % niet bewezen is gedurende de 3 jaar voor het overlijden van wijlen de Heer F. J., sluit niet uit dat het wel bewezen is dat op het ogenblik van het overlijden van wijlen de Heer F. J. aandelen in de NV P. J. behoorden tot het actief van zijn nalatenschap.

Betreffende het actief van de nalatenschap

Volgens de door eisers ingediende aangifte van nalatenschap behoorden 480 aandelen in de NV P. J. tot het actief van de huwelijksgemeenschap.

Volgens de door eisers ingediende aanvraag tot het bekomen van het attest inzake tewerkstelling en kapitaal tot het bekomen van het nultarief van de successierechten voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen in toepassing van artikel 60bis W.Succ. behoorden 490 aandelen toe aan wijlen de Heer F. J. en / of eerste eiseres, zijn echtgenote.

Volgens het door tweede verweerder uitgevaardigde dwangschrift behoorden 482 aandelen tot het actief van de nalatenschap.

Tweede verweerder levert niet het minste bewijs dat 482 aandelen behoorden tot het actief van de nalatenschap; gelet op de door eisers ingediende aangifte is het echter wel bewezen dat 480 aandelen behoorden tot het actief van de huwelijksgemeenschap zodat de helft hiervan behoorde tot het actief van de nalatenschap.

 

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Ontheft het door tweede verweerder uitgevaardigde dwangschrift in de mate dat meer dan de helft van de 480 aandelen in de NV P. J. in aanmerking werd genomen voor de verschuldigde successierechten en de boete.

Ontslaat eisers dienvolgens van de ten onrechte gevorderde bedragen en veroordeelt tweede verweerder tot terugbetaling van alle dientengevolge geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 142/2 W.Succ.

Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding tot op heden door eerste verweerster begroot op 356,97 EUR rechtsplegingvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 185,92 EUR rechtsplegingvergoeding.

Veroordeelt eisers en tweede verweerder ieder tot de helft van de kosten van het geding tot op heden door

- eisers begroot op 356,98 EUR rechtsplegingvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op de helft van 185,92 EUR rechtsplegingvergoeding,

- tweede verweerder begroot op 356,98 EUR rechtsplegingvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op de helft van 185,92 EUR rechtsplegingvergoeding.

Wijst het meer en / of anders gevorderde af.

(…)