Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 04.09.2000

Date :
04-09-2000
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
5 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

location immeuble - déduction - révision

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 04.09.2000
Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 04.09.2000
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 04.09.2000
Document date : 04/09/2000 12:00:00
Keywords : location immeuble / déduction / révision
Document language : FR
Name : Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 04.09.2000
Version : 1
Court : firstAuthority/Brugge_firstAuthority

 

 

Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 04.09.2000


Location immeuble

Déduction

Révision

 


Résumé

 

    Un assujetti à la T.V.A a fait ériger un bâtiment dont il a intégralement déduit la TVA Le bâtiment est utilisé pour son activité professionnelle de comptable et de bureau conseil en logiciels, plus précisément ces parties sont mises à la disposition de tiers contre paiement. L'assujetti qualifie cette mise à disposition de droit à exercer une activité professionnelle (avec droit à la déduction), alors que l'Administration de la T.V.A estime qu'il s'agit là d'une location immobilière (sans droit à la déduction). Le tribunal estime lui aussi qu'il s'agit d'une location immobilière compte tenu de ce que chaque gérant d'une des entreprises établies dans le complexe possède une clé de la porte d'accès et dispose de locaux propres, de ce que l'espace mis à disposition est clairement défini dans le contrat, de ce que les contrats sont par ailleurs conclus pour une période déterminée et de ce que les prix sont liés à l'index. Par conséquent, l'assujetti est tenu de procéder à une révision de la TVA qui a été déduite lors de l'érection du bâtiment. A cet effet, le tribunal estime que l'application de l'affectation réelle sur la base de la superficie des locaux mis à disposition par rapport à la surface totale constitue le critère le plus objectif.

 

 

Texte intégral



Vierde kamer

 

Alleenrechtsprekend rechter::  Dhr. N. Haemers
Gedelegeerd adjunct-griffier::  Mevr. N. Lhoëst
Partij: :  Dienstencentrum Westinform N.V. t. De Belgische Staat


 

I RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 26 maart 1996 in de zaak 96/900/A.Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 6 mei 1996 in de zaak 96/1347/A.Gelet op de verwijzing van deze zaken de dato 30 november 1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.De Rechtbank nam kennis van het dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 5 juni 2000.Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

 

II BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer 429.657.441, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van dienstencentrum boekhouding en softwarebureau. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW.-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.Op 3 april 1992 werd door Robert Gerets, verificateur bij de administratie van de BTW., Registratie en Domeinen, verbonden aan het tweede controlekantoor te Brugge, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode 1988 tot 1991.Bij gebrek aan akkoordverklaring werd op 3 maart 1995 door R. Gerets voornoemd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.Op 11 augustus 1995 werden op basis van dit proces-verbaal door de heer Johan Decoster, ontvanger van de BTW op het ontvangkantoor te Brugge, overeenkomstig artikel 85, § 1 WBTW., 2 dwangbevelen uitgevaardigd.Voormelde dwangbevelen werden op 21 augustus 1995 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer P. Amez, inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW., Registratie en Domeinen te Brugge en op 24 augustus 1995 door de heer ontvanger bij deurwaardersexploot, op grond van artikel 85 § 3 WBTW., betekend aan eiseres.2.2. Eiseres vraagt dat de zaken 96/900/A en 96/1347/A worden samengevoegd en dat de verzetten ontvankelijk en gegrond worden verklaard en dat dienvolgens de 2 dwangbevelen, uitgevaardigd op 11 augustus 1995 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 augustus 1995, worden vernietigd. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.2.3. Verweerder vraagt eveneens de samenvoeging en vordert dat de verzetten ongegrond worden verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 2 x 12.600,- Bf. rechtsplegingsvergoeding.

 

III BEOORDELING

 

1 nopens de samenvoeging

Beide zaken betreffen identieke betwistingen: Eiseres richt een gebouw op waarvan zij de BTW. geheven op de oprichting ervan volledig in aftrek brengt.Het enige onderscheid tussen beide zaken is dat de ene zaak de eerste vleugel van het gebouw betreft en de andere zaak de tweede vleugel van het gebouw betreft.De discussie aan de grondslag van de beide procedures is identiek.Op vraag van de beide partijen kunnen de beide zaken dan ook worden samengevoegd.

 

2 nopens de termijn van opstelling van het proces-verbaal

3.2.1. Eiseres stelt dat de controle is aangevangen op 11 mei 1992 en dat het proces-verbaal pas op 3 maart 1995 werd opgesteld. Een dergelijk "laattijdig" opgesteld proces-verbaal is nietig en kan volgens eiseres enkel als administratief verslag dienen.3.2.2. Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat er geen enkele BTW.-wetsbepaling is die bepaalt binnen welke termijn een proces-verbaal dient te worden opgesteld of betekend. Dit betekent dat de administratie, zolang de verjaring niet is ingetreden, het proces-verbaal door de controleambtenaar kan laten opstellen om het aan te wenden als bewijsmiddel van de door de verbalisant vastgestelde overtreding.De verlopen termijn tussen de aanvang van de controle en het opstellen van het proces-verbaal is in casu verantwoordt door de gestelde onderzoeksdaden, door de administratieve procedure, door de termijnen die gelaten werden om eventueel tot een minnelijke overeenkomst te komen en door het laattijdig beantwoorden door eiseres van vragen om inlichtingen (zie stuk 16 tot en met 24 verweerder).Uit de feitelijke omstandigheden van het onderzoek van het controledossier blijkt evenmin dat de BTW.-administratie hierdoor de belastingplichtige in de mogelijkheid tot het bieden van een tegenbewijs heeft benadeeld. De rechten van verdediging werden bijgevolg niet geschonden.3.2.3. Het kwestieuze proces-verbaal is dan ook niet nietig.

 

3 nopens de bewijskracht van het proces-verbaal

3.3.1. Eiseres stelt verder dat aan het kwestieus laattijdig proces-verbaal niet de bewijswaarde kan worden toegekend zoals aan een normaal proces-verbaal, temeer daar de opsteller bepaalde deducties of vermoedens heeft afgeleid uit zijn gedane vaststellingen.3.3.2. Het proces-verbaal de dato 3 maart 1995 gaat uit van vaststellingen dewelke gedaan zijn in de boekhouding, in de contracten en in de voorgelegde plans. Deze vaststellingen zijn dat de ter beschikking gesteld ruimte in de contracten duidelijk bepaald is en kan afgesloten worden en dat de betrokken o ndernemingen elk over een sleutel beschikken die vrije toegang geeft tot de gemeenschappelijke delen van het complex en hun een onbeperkte en exclusieve toegang verzekert tot de aan hen exclusief ter beschikking gestelde ruimte.3.3.3. De vordering van verweerster is bijgevolg niet gesteund op deducties en afleidingen maar op vastgestelde feiten. Deze door de verbalisant zelf verrichte vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel.

 

4 nopens de schending van het vertrouwensbeginsel

3.4.1. Eiseres stelt dat voormeld proces-verbaal regelrecht ingaat tegen het schrijven van de hoofdcontroleur Deceuninck de dato 3 augustus 1989 waarbij deze stelt dat de handelingen en overeenkomsten door eiseres opgesteld voldoen aan artikel 18, § 1, 6° WBTW., zodanig dat eiseres een volledige belastingplichtige is en derhalve recht op aftrek kan uitoefenen voor al de inkomende BTW op haar facturen. Dat ingevolge dit akkoord eiseres in de waan verkeerde dat zij daar terecht mocht op vertrouwen. Wanneer verweerder terugkomt op dit akkoord wordt het vertrouwensbeginsel geschonden zodat het dwangbevel nietig is.3.4.2. Op 3 augustus 1989 werd door de hoofdcontroleur van het tweede controlekantoor van de BTW. te Brugge geantwoord op de gestelde vraag om inlichtingen van 3 april 1989 van eiseres. In voormeld schrijven van 3 augustus 1989 staat het volgende: "In afwijking van uw oorspronkelijk schrijven van 11 april 1989 en in functie van naderhand gewijzigde stellingname en volgens voorgelegde typeovereenkomsten kan ik mij aansluiten dat luidens artikel 18 § 1, 6° WBTW. die overeenkomsten een BTW.- dienstprestatie omvatten. Er moet dan ook worden gesteld dat het geheel van de onderscheiden afgesloten overeenkomsten in het kader van de vooropgestelde bewoordingen, welke ook de genieter weze, als een exclusief recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen moet worden aangestipt".Op 6 oktober 1989 werd echter door de bevoegde hoofdcontroleur aan eiseres aanvullende inlichtingen gevraagd teneinde na te gaan of de werkelijke toestand wel beantwoorde aan de door eiseres voorgespiegelde situatie. Op basis van het gevoerde heronderzoek is dan gebleken dat het door de administratie op 3 augustus 1989 ingenomen standpunt niet overeenstemde met de werkelijkheid en met de wettelijke bepalingen ingevolge die werkelijke toestand.Op 11 september 1990 werd dan ook het gewijzigde standpunt van de administratie aan eiseres medegedeeld. Op 27 september 1990 werd eiseres er door verweerder uitdrukkelijk op gewezen dat het in casu gehanteerde principe en de getroffen beslissing berusten op een stellingname door de centrale administratie van de BTW te Brussel.3.4.3. De Rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal de dato 3 maart 1995 in tegenstrijd is met het ingenomen standpunt dat vertolkt werd in het schrijven de dato 3 augustus 1989. Voormelde stelling van 3 augustus 1989 werd echter enkel ingenomen ingevolge de verkregen informatie vanwege eiseres. Na het op 6 oktober 1989 gestarte heronderzoek is echter gebleken dat eiseres een verkeerde feitelijke toestand aan verweerder heeft voorgelegd. Verweerder heeft dan ook bij brief de dato 11 september 1990 eiseres verwittigd van het gewijzigde standpunt en duidelijk gesteld dat eiseres slechts gedeeltelijke aftrek kon doen van de BTW. daar zij gemengde belastingplichtige was.De Rechtbank stelt vast dat het schrijven de dato 3 augustus 1989 geen dading inhoudt tussen eiseres en verweerder omtrent de omvang van het recht op aftrek. Verweerder heeft enkel een vraag om inlichtingen, welke niet de werkelijke toestand beschreef, beantwoord. Het verstrekte antwoord geeft eiseres ook niet het recht te denken dat er een dading werd afgesloten. Verweerder kon dus perfect op basis van de nieuw verkregen informatie die met de werkelijkheid overeenstemde, haar standpunt wijzigen en een definitief proces-verbaal opstellen.In gelijkaardige zin oordeelde het Hof van Beroep te Brussel op 19.03.1991 waar gesteld werd dat de administratie mag terugkeren op een akkoord met de belastingplichtige wanneer het onderzoek van het bezwaarschrift heeft aangetoond dat de betrokkene bij het afsluiten van het akkoord vrijwillig onduidelijke gegevens heeft verstrekt.3.4.4. Verweerder heeft bijgevolg het vertrouwensbeginsel niet geschonden.

 

5 nopens de belastingplicht en het recht op aftrek

3.5.1. Eiseres stelt dat zij een volledige belastingplichtige is omdat zij als bedrijvencentrum lokalen en ruimten ter beschikking stelt van haar klanten om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen en lokalen ter beschikking stelt zonder een exclusief recht van genot te verlenen. Het geheel van deze prestaties is dan ook een dienst welke bedoeld wordt onder artikel 18, § 1, 6° WBTW.3.5.2. De Rechtbank stelt vast dat door eiseres met elke partner (zelfstandige ondernemingen en organisaties) afzonderlijk een overeenkomst werd afgesloten "tot het verstrekken van diensten en het verlenen van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen". Uit het door verweerder verricht onderzoek naar de feitelijke toestand bleek dat iedere zaakvoerder van een in het complex gevestigde onderneming in het bezit was van een sleutel van de toegangsdeur tot het complex en tevens in het bezit was van een sleutel die toegang gaf tot de eigen toegewezen lokalen, waardoor hun werkzaamheid zich niet diende te beperken tot de door eiseres toegepaste openingsuren. Ook bleek dat in nagenoeg alle overeenkomsten de ter beschikking gestelde ruimte contractueel was bepaald.Verder bleek dat de contracten afgesloten werden voor een zekere tijd, dat er een prijs was vastgesteld in de contracten en dat deze prijs gekoppeld was aan de evolutie van het indexcijfer.Het is dan ook duidelijk dat we hier te doen hebben met overeenkomsten waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een uit zijn aard onroerend goed te doen hebben gedurende een zekere tijd en tegen een vergoeding die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen.De essentiële kenmerken van een onroerende verhuur zijn bijgevolg aanwezig.3.5.3. Eiseres stelt verder dat de opgestelde contracten overeenkomsten zijn tot verlening van het exclusief recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Aangezien het voorwerp van deze contracten het recht is om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, valt volgens eiseres deze dienst wel onder de toepassing van het BTW.-stelsel (artikel 18, § 1, 6° WBTW.).Samen met verweerder stelt de rechtbank vast dat uit de voorgelegde contracten blijkt dat eiseres absoluut niet geïnteresseerd is in de aard van de beroepswerkzaamheid die er in haar lokalen wordt uitgeoefend gezien zij in geen enkel contract vermeld of beschreven is. Het essentiële voorwerp van de overeenkomst is met andere woorden niet het uitoefenen van een welbepaalde beroepswerkzaamheid, maar wel de terbeschikkingstelling van een ruimte. Het gaat hier dus duidelijk om onroerende verhuur.3.5.4. De terbeschikkingstelling van de lokalen door eiseres aan haar klanten vertoont alle kenmerken van een onroerende verhuur. Dit is niet onderworpen aan de BTW. en kan bijgevolg ook geen aanleiding geven tot de aftrek van de BTW..Eiseres slaagt er niet in om de vaststellingen die door de verbalisant ter plaatse werden verricht en die door hem werden geacteerd in zijn proces-verbaal, te weerleggen.

 

6 nopens de herziening

3.6.1. Met betrekking tot de herziening van de aftrek stelt eiseres dat er geen herziening dient te gebeuren wanneer het verschil tussen de inkomsten uit de onroerende verhuur en de andere inkomsten geen tien procent bereikt.Bij gebrek aan een objectieve maatstaf heeft de administratie terecht de herziening van de aftrek overeenkomstig het werkelijk gebruik opgelegd. De verhouding op basis van de oppervlakte van de lokalen die exclusief ter beschikking worden gesteld door de gebruikers met de totale oppervlakte van de opgerichte gebouwen is hiertoe het meest objectieve criterium.Deze verhouding werd op vraag van de administratie door eiseres zelf vastgesteld op 33%.3.6.2. Overeenkomstig artikel 9 § 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 vangt het herzieningstijdvak voor wat de eerste vleugel betreft (in gebruik genomen op 18 mei 1989) aan op 1 januari 1989 en loopt tot 31 december 1998. Voor wat de tweede vleugel betreft (in gebruik genomen op 1 juli 1993), die geen omvormings- of verbeteringswerken zijn vermits een volledig nieuw gebouw werd opgericht met diverse afzonderlijke kantoorruimtes en restaurant, vangt het herzieningstijdvak aan op 1 januari 1993 en loopt tot 31 december 2002.

 

OM DEZE REDENEN,

 

De Rechtbank,

 

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

 

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

 

Voegt de beide zaken met AR nr. 96/900/A en ARnr. 96/1347/A samen.

 

Verklaart het verzet in de zaak met AR nr. 96/900/A ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

 

Verklaart het verzet in de zaak met AR nr. 96/1347/A ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

 

Veroordeelt eiseres in beide zaken tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 2 x 12.900,- Bf., uit hoofde van de rechtplegingsvergoedingen.

 

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.