Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 08.01.2001
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
TVA,Demande en restitution,Requete contradictoire,Recevabilité
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 08.01.2001
Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 08.01.2001
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 08.01.2001 Tax year : 2005 Document date : 08/01/2001 Document language : FR Name : BR1 01/10 Version : 1
ARRET BR1 01/10 Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 08.01.2001 Le Courrier Fiscal 2001/122 TVA - Demande en restitution - Requete contradictoire - Recevabilité Suite à un contrôle de l'Administration des contributions directes, une société est imposée sur un supplément de chiffre d'affaires pour l'année 1986. Malgré le fait que la société conteste la taxation, les services de contrôle de la TVA réclament la TVA afférente au chiffre d'affaires supplémentaire. La société paye la TVA réclamée "sous toutes réserves et sans reconnaissance préjudiciable". Fin 1999, la taxation à l'impôt des personnes physiques est dégrevée. La société décide en conséquence de réclamer le remboursement de la TVA qu'elle a payée. La demande en remboursement est introduite par requête contradictoire conformément à l'article 1385decies du C. jud. Devant le tribunal, l'Etat Belge invoque que la requête est irrecevable. D'après l'Admi nistration, la société aurait dû introduire sa demande en remboursement par citation. Le tribunal constate que l'ancien article 90 du C.TVA, tel qu'il était applicable avant l'entrée en vigueur des lois des 15 et 23 mars 1999 relatives au contentieux et à l'organisation judiciaire en matière fiscale, prévoyait que les demandes en restitution de la TVA, des intérêts et des amendes fiscales étaient formées par un exploit contenant citation en justice, signifié au contrôleur en chef de la TVA compétent. Le tribunal indique que l'article 60 de la loi du 15 mars 1999 qui a abrogé l'article 90 C.TVA, s'applique "aux taxes, intérêts et amendes fiscales lorsque leur cause d'exigibilité est intervenue au plus tôt le 1er janvier 1999" (art. 97 de la loi du 15 mars 1999). Pour les litiges relatifs à la période antérieure au 1er janvier 1999, l'ancien régime est toujours d'application, à savoir l'introduction de la procédure par citation. Etant donné qu'en l'espèce, la cause de la restitution des sommes contestées est intervenue avant le 1er janvier 1999 (à savoir à la date du paiement de la dette TVA contestée), le tribunal est d'avis que l'action en restitution devait être introduite par citation et qu'une introduction par requête n'était pas possible. La disposition légale applicable (art. 90 C.TVA) ne prévoit en effet qu'une introduction de l'instance par citation. Le tribunal décide en conséquence que l'action en restitution est irrecevable. Vierde kamer Alleenrechtsprekend rechter:: Dhr. N. Haemers Adjunct-griffier: : Mevr. N. Lhoest Partij: : Erina B.v.b.a. t. De Belgische Staat I RECHTSPLEGING Gelet op het inleidend verzoekschrift de dato 3 november 1999.Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 23 november 1999, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 11 december 2000.Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen. II BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK 2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer 416.847.701, ingevolge de geregelde en zelfstandige uitbating van een damesboetiek. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW.-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.Op 8 april 1986 werd door een ambtenaar verbonden aan de tweede BBI-Inspectie van Kortrijk een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.Er werd een correctie-opgave opgemaakt en deze werd op 2 september 1986 aan eiseres toegestuurd.De verschuldigde bedragen werden door eiseres betaald onder voorbehoud van haar rechten en zonder enige bekentenis.Verwijzend naar het cassatie-arrest van 13 januari 1999 en naar de beslissing van 13 april 1999 van de gewestelijke directeur van de directe belastingen te Brugge waardoor ontheffing van vennootschapsbelasting werd verleend voor de aanslagjaren 1985 en 1986, vraagt eiseres de teruggave van de in 1987 vereffende BTW-bedragen.2.2. Eiseres vraagt dat het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens de terugbetaling aan eiseres moet bevolen worden van de in uitvoering van de correctieopgave de dato 2 december 1986 ten onrechte betaalde rechten, boeten en intresten, in totaal 192.594,- Bf., verhoogd met de moratoire rente vanaf de dag der betaling en met de gerechtelijke rente vanaf heden. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.2.3. Verweerder vordert dat het verzoekschrift onontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 12.600,- Bf. III BEOORDELING 3.1. De rechtbank stelt vast dat huidige vordering tegen de belastingadministratie werd ingesteld bij tegensprekelijk verzoekschrift de dato 3 november 1999.3.2. Het artikel 90 WBTW., in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, wordt ingesteld bij exploot met dagvaarding, betekend aan de Staat, meer bepaald aan de door de koning aangewezen ambtenaar.Artikel 60 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat artikel 90 WBTW. wordt opgeheven.Met betrekking tot de inwerkingtreding van de procedureregels stelt artikel 97 van voormelde wet van 15 maart 1999 dat voormeld artikel 60 maar van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.3.3. De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (in werking getreden op 6 april 1999) stelt in artikel 9 het volgende: «In boek IV van het vierde deel van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikel 1385 decies en 1385 undecies ingevoegd, luidend als volgt: Hoofdstuk XXIV - geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 1385 decies - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 320, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak».In voormelde wet van 23 maart 1999 wordt de overgangsbepaling van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.3.4. Het is duidelijk dat het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385 decies en 1385 undecies van het gerechtelijk wetboek) maar van toepassing is in zoverre er hierop geen uitzonderingen zijn voorzien in het bijzonder fiscaal procesrecht (Lex specialis derogat legi generali).In casu is het duidelijk dat artikel 90 WBTW. een uitzonderingsbepaling vormt op het gemeen fiscaal gerechtelijk recht.3.5. Gelet op het voorgaande dient te worden besloten dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan (zie ook vonnis van deze kamer dd. 18.12.2000 in de zaak van deze kamer dd. 18.12.2000 in de zaak Sint-Catherine NV vs. Belgische Staat).Overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich voordoet. Overeenkomstig artikel 14 van voorm eld koninklijk besluit ontstaat de vordering tot teruggaaf vanaf de datum van de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag om teruggaaf wordt verworpen, ofwel vanaf de datum van de betaling van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie.3.6. Aangezien in casu de oorzaak van teruggave van de hier betwiste sommen zich heeft voorgedaan voor 1 januari 1999, meer bepaald op 20 december 1987 aangezien de schuld op dat moment volledig werd vereffend, werd het verzet ten onrechte ingeleid bij verzoekschrift. De wet (cf. supra) voorziet in onderhavig geval dat de gedinginleiding dient te geschieden bij dagvaarding.Aangezien voormelde regels met betrekking tot de rechtsingang ressorteren onder de rechterlijke organisatie houdt de miskenning ervan zonder meer de onontvankelijkheid van de vordering in (Cass. 27 mei 1994, RW. 1994-1995, p. 1017). OM DEZE REDENEN, De Rechtbank, Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak. Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart het fiscaal verhaal onontvankelijk. Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 12.600,- Bf., uit hoofde van de rechtsplegingsvergoeding. Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op acht januari tweeduizend en één. |
|||||||