Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 15.01.2002

Date :
15-01-2002
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
7 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Inopposabilité d'une qualification juridique,Assurance-vie,Requalification en placement

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 15.01.2002
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 15.01.2002
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 15.01.2002
Tax year : 2005
Document date : 15/01/2002
Document language : FR
Modification date : 22/06/2005 15:37:55
Name : BR1 02/7
Version : 1

ARRET BR1 02/7


Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 15.01.2002



FJF 2003/14

Cet arrêt a été confirmé par l'arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 09.12.2003

Inopposabilité d'une qualification juridique - Assurance-vie - Requalification en placement

La convention «Opti-plan Entreprises» conclue entre un contribuable et une compagnie d'assurances, ne peut être considérée comme une assurance-vie ou une assurance dirigeant d'entreprise, lorsque les conditions particulières ne stipulent aucun capital minimum. Il est de l'essence même d'une assurance-vie que la prestation garantie par l'assureur ne soit pas dépendante de ce que le preneur d'assurances a précédemment versé. De plus, il apparaît que la compagnie d'assurances ne devait rembourser au contribuable, tant en cas de vie que de décès, qu'un montant dépendant essentiellement des versements que le contribuable avait effectués. Tant les capitaux remboursés que la rente de capitalisation appliquée et la participation aux bénéfices sont déterminés en fonction de ce qui a été précédemment versé par le contribuable. Le risque assuré par la compagnie d'assurances doit également être comparé de manière précise avec ce qu'une institution de crédit risque de perdre lorsqu'avec les fonds qui lui ont été confiés, elle atteint un montant moindre que ce que peut lui coûter (en montant net) le taux de capitalisation convenu. De même, le fait que le contribuable puisse obtenir à tout moment la restitution des versements déjà effectués, confirme qu'il s'agit bien d'un placement.
La requalification en placement d'une assurance-vie présentée ouvertement comme telle, est entièrement justifiée sur la base de l'article 344 du CIR 1992, indépendamment du fait que les conditions d'une simulation soient absentes au sens du droit civil.
Le tribunal considère qu'il n'est pas opportun d'appliquer un accroissement d'impôt, la discussion portant sur une question de principe.



Alleenrechtsprekend rechter : M. Vandeputte
Advocaten : Mr. Tournicourt, Mr. Vanden Branden, Mr. Van der Perre

N.V. H. 'T V.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

***

I.  Procedure

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 18 december 2001, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. het gedinginleidend verzoekschrift van 20 april 2000 met in bijlage een kopie van de directionele beslissing van 20 januari 2000;
2. de conclusie voor verweerder van 20 februari 2001;
3. de conclusie voor eiseres van 14 augustus 2001.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II.  De bijzonderste gegevens van de zaak

1.  De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is een textielbedrijf. Zij heeft twee werknemers die reeds jarenlang in dienst zijn rond wie de respectieve afdelingen van het bedrijf draaien. De heer V.S. is hoofd van de administratie en mevrouw M.S. hoofd van de productieafdeling. Eiseres beschouwt deze personen als sleutelfiguren.
Met ingang van 1 april 1994, toen de betrokkenen respectievelijk 58 en 53 jaar waren, sloot eiseres met de (toenmalige) R.B. N.V. twee overeenkomsten «Opti-plan Onderneming» met een looptijd van 5 jaar.
De verzekerden waren de heer S. en mevrouw S.
Eiseres verbond zich ertoe om aan R.B. N.V. jaarlijks een bedrag van 150.000 frank (3.718,40 euro) voor de overeenkomst m.b.t. de heer S. en een bedrag van 200.000 frank (4.957,87 euro) voor de overeenkomst m.b.t. mevrouw S. te betalen.
De R.B. N.V. verbond er zich toe aan eiseres in geval van overlijden vóór het verstrijken van de contractuele looptijd of bij het einde van de overeenkomst een bedrag uit te betalen dat gelijk was aan de opgebouwde reserve, verhoogd met een winstdeelneming. Volgens de algemene voorwaarden bestaat de reserve uit de gedane stortingen, verhoogd met een kapitalisatierente van 4,75 % per jaar, verminderd met de taksen en de (vastgelegde) kosten.
De winstdeelneming wordt volgens de algemene voorwaarden bepaald op basis van de prestaties van een staal representatieve beleggingswaarden, «Opti-fonds» genoemd.
In artikel 7 van de algemene voorwaarden staat dat de gewaarborgde uitbetaling bij overlijden ten minste gelijk is aan het in de bijzondere voorwaarden vastgestelde minimumkapitaal (tenzij dat lager zou zijn dan de opgebouwde reserve vermeerderd met de winstdeelneming). In de bijzondere voorwaarden van de overeenkomsten staat evenwel uitdrukkelijk dat er geen minimumkapitaal voorzien is. Er staat dat daarom de uitbetaling bij overlijden gelijk zal zijn aan de opgebouwde reserve, verhoogd met de winstdeelneming.
Verweerder heeft de aftrek van de stortingen (die eiseres «premies» noemt) niet aanvaard. Hij heeft voor de aanslagjaren 1994 tot 1998 telkens de bedragen van de stortingen die eiseres in uitvoering van de betreffende overeenkomsten aan R.B. N.V. gedaan had, als een onderschatting van het actief beschouwd.
Voor de aanslagjaren 1994 tot 1997 heeft verweerder aan eiseres telkens een «akkoord» voorgelegd. Deze akkoorden werden door de gevolmachtigde van eiseres ondertekend.
De aanslagen werden als volgt gevestigd :
AJ 1994 : artikel 838.041, supplement aan artikel 851.207.481, aanslagbiljet van 22 oktober 1998 voor een bedrag van 251.369 frank (6.231,27 euro);
AJ 1995 : artikel 838.032, supplement aan artikel 861.604.054, aanslagbiljet van 22 oktober 1998 voor een bedrag van 179.973 frank (4.461.41 euro);
AJ 1996 : artikel 883.600 329, supplement aan artikel 872.007.324, aanslagbiljet van 9 oktober 1998 voor een bedrag van nul frank (nul euro);
AJ 1997 : artikel 881.608 374, aanslagbiljet van 15 mei 1998, voor een bedrag van - 63.543 frank (- 1.575,19 euro) en
AJ 1998 : artikel 892.808 541, aanslagbiljet van 16 augustus 1999, voor een bedrag van - 62.706 frank (- 1.554,44 euro).
Voor de aanslagjaren 1994 tot 1997 diende eiseres op 30 april 1999 een bezwaarschrift in. Het bezwaarschrift voor aanslagjaar 1998 volgde op 1 december 1999.
Met zijn directionele beslissing van 20 januari 2000 wees verweerder de vijf bezwaarschriften af als ongegrond. Dezelfde dag nog werd de beslissing per aangetekende zending met ontvangstbewijs toegestuurd aan eiseres.
Met een verzoekschrift van 20 april 2000 stelt eiseres haar huidige vordering in.

2.  De standpunten en vorderingen van de partijen

Eisers vordert dat de rechtbank de akkoorden voor de aanslagjaren 1994 tot 1997 zou vernietigen.
Tegelijk vordert eiseres dat de rechtbank de ontheffing zou bevelen van de volgende aanslagen in de vennootschapsbelasting, gevestigd ten nadele van eiseres in het kohier van de gemeente Ardooie en dit telkens in de mate dat de vennootschapsrechtelijke reserves verhoogd werden met een bedrag gelijk aan de stortingen, vermeerderd met het gedeelte van de verlopen interest (onderschatting van actief) en in de mate een overbelasting van 10 % werd opgelegd :
AJ 1994 : artikel 838.041, supplement aan artikel 851.207 481, aanslagbiljet van 22 oktober 1998 voor een bedrag van 251.369 frank (6.231,27 euro);
AJ 1995 : artikel 838.032, supplement aan artikel 861.604 054, aanslagbiljet van 22 oktober 1998 voor een bedrag van 179.973 frank (4.461.41 euro);
AJ 1996 : artikel 883.600 329, supplement aan artikel 872.007 324, aanslagbiljet van 9 oktober 1998 voor een bedrag van nul frank (nul euro);
AJ 1997 : artikel 881.608 374, aanslagbiljet van 15 mei 1998, voor een bedrag van - 63.543 frank (- 1.575,19 euro) en
AJ 1998 : artikel 892.808 541, aanslagbiljet van 16 augustus 1999, voor een bedrag van - 62.706 frank (- 1.554,44 euro).
Eisers vordert aldus dat de rechtbank verweerder zou bevelen om tot terugbetaling over te gaan van de betaalde sommen, inclusief de belastingverhoging, verhoogd met moratoriuminterest volgens artikel 418 van het W.I.B. 1992 en/of moratoriuminterest volgens de artikel 1378 en 1153 B.W.
Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.
Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III.  Beoordeling

1.  De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

2.  De grond van de vordering

2.1.  Stelling van eiseres

Eiseres roept vooreerst in dat de akkoorden de zij afsloot met betrekking tot de aanslagjaren 1994 tot 1997, aangetast zijn zowel door een dwaling in rechte als door een dwaling in feite. De dwaling in feite zou ontstaan zijn doordat de ambtenaren van verweerder met betrekking tot de kwalificatie van de betreffende overeenkomsten beweerden dat het Hoofdbestuur nog geen definitief standpunt had ingenomen en dat de ondertekening van het akkoord niet verhinderde om naderhand nog bezwaar in te dienen.
Ten gronde stelt eiseres dat de overeenkomsten die zij aanging met R.B. N.V. wel degelijk levensverzekeringen zijn, meer bepaald bedrijfsleidersverzekeringen. Volgens eiseres is daartoe niet vereist dat er een minimumkapitaal voorzien is. Volgens haar is aangetoond dat er een verzekerd risico is, een verzekerbaar belang, een premie als tegenprestatie en een prestatie vanwege de verzekeraar. Eiseres benadrukt dat de uitbetaling door de verzekeraar afhankelijk is van het zich voordoen van een onzekere gebeurtenis, namelijk het leven of overleven van de heer S. en mevrouw S. Bovendien wijst zij op het financieel risico voor zowel verzekeraar als verzekerde. Voor de verzekerde, zo stelt eiseres, is de uitkering bijvoorbeeld lager bij voortijdige afkoop of in geval er zich uitsluitingsgevallen voordoen.
Volgens eiseres is het niet nodig dat er een «risicokapitaal» zou bestaan.
Eiseres zet haar standpunt kracht bij door te verwijzen naar een brief van de Controledienst der Verzekeringen waarin bevestigd wordt, na onderzoek, dat de betreffende contractformule een levensverzekering is.
Tevens verwijst eiseres naar enkele andere gevallen.
Bovendien stelt zij dat de B.T.W.-administratie akkoord gaat met de kwalificatie als levensverzekering.
Eiseres stelt dat verweerder dan ook ten onrechte in de zaak een geval van simulatie gezien heeft. Volgens eiseres heeft zij alle gevolgen van de officieel afgesloten overeenkomst ondergaan en is er dus geen onderliggende, andersluidende overeenkomst.
Evenmin acht eiseres de voorwaarden vervuld om artikel 344 van het W.I.B. 1992 toe te passen en aldus de overeenkomsten met R.B. N.V. te herkwalificeren tot een «verzekeringsbon».
Bovendien voert eiseres aan dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zou geschonden zijn omdat er van de kant van verweerder ontegensprekelijk in commentaren en circulaires bevestigd was dat de wetgeving met betrekking tot de verzekeringsbon (en de voorwaarden die daarbij gesteld worden om een belastingaftrek te kunnen uitoefenen) nadelig zou zijn bij de interpretatie van de bedrijfsleidersverzekeringen.
Ten slotte stelt eiseres dat er geen enkele reden is om een belastingverhoging van 10 % op te leggen. Dat is volgens eiseres niet gepast wanneer het om een principiële betwisting gaat.

2.2.  Stelling van verweerder

Verweerder betwist in eerste orde dat eiseres gedwaald zou hebben bij het ondertekenen van de akkoorden met betrekking tot de aanslagjaren 1994 tot 1997.
Verweerder stelt dat de voorwaarden niet vervuld zijn om van een bedrijfsleidersverzekering te gewagen, noch van een groepsverzekering en evenmin van een gemengde levensverzekering.
Verweerder benadrukt dat een levensverzekering een «kanscontract» is, wat veronderstelt dat de gevolgen met betrekking tot winst en verlies voor de partijen afhankelijk zijn van een onzekere gebeurtenis. Verweerder leidt daaruit af dat er voor de partijen een financieel risico moet bestaan. Volgens hem is dat niet het geval omdat er geen minimumkapitaal gegarandeerd wordt. Verweerder benadrukt dat zowel bij overlijden als bij het normaal verstrijken van de contractduur slechts het spaartegoed wordt uitgekeerd, met name het gestort kapitaal, verminderd met de kosten en vermeerderd met een rente van 4,75 % en de winstdeelneming. Verweerder ziet de overeenkomsten dan ook als zuivere geldbeleggingen.
Dat de Controledienst der Verzekeringen de overeenkomst toch als een levensverzekering bestempelt, verklaart hij doordat in de algemene voorwaarden sprake is van een minimumkapitaal.
Verweerder stelt dat de geldbeleggingen het karakter hebben van een vaststaande schuldvordering. Hij besluit daaruit dat hij terecht beslist heeft om de spaartegoeden als een onderschatting van het actief te beschouwen.
Subsidiair beroept verweerder zich op artikel 344 van het W.I.B. 1992. Hij stelt dat de overeenkomsten moeten geherkwalificeerd worden als een «verzekeringsbon» zoals bedoeld in de artikelen 19 en 21 van het W.I.B. 1992. Verweerder komt dan tot de conclusie dat de voorwaarden niet vervuld zijn om de inkomsten uit de «verzekeringsbon» belastingvrij te behandelen.

2.3.  Beoordeling

2.3.1.  De akkoorden en de dwaling

Er kan aanvaard worden dat akkoorden geen dading zijn in de zin dat zij een definitieve oplossing zouden inhouden waarop de partijen op geen enkele manier meer kunnen terugkomen. Inderdaad blijkt dat er van de kant van verweerder geen toegeving werd gedaan : eiseres ondertekende gewoon voor akkoord wat verweerder als standpunt innam.
Toch laat deze stelling niet toe om zonder meer te stellen dat er geen overeenkomst zou bestaan. Eiseres beroept zich dan ook op de dwaling. Dat houdt in dat zij een wilsgebrek bij het ontstaan van de overeenkomsten (akkoorden) moet aantonen.
Een dwaling kan zowel betrekking hebben op de feiten als op het recht. Zij moet de zelfstandigheid van de zaak betreffen (artikel 1110 B.W.) en zij moet onverschoonbaar zijn (Cass. 20 april 1978, R.W. 1978-80, 1489).
In wezen blijkt eiseres in te roepen dat zij op het moment van de ondertekening van de akkoorden er redelijkerwijze kon van uitgaan dat zij voor de betreffende aanslagjaren nog bezwaar kon aantekenen, meer in het bijzonder wanneer zou blijken dat de overeenkomsten die zij met R.B. N.V. had afgesloten toch als levensverzekeringen moeten worden beschouwd.
Het feit waaromtrent eiseres zou gedwaald hebben is dus niets anders dan de kwalificatie op zich van de overeenkomsten.
De rechtbank komt tot de vaststelling dat hij deze vraag slechts kan onderzoeken wanneer hij tot het oordeel zou komen dat de betreffende overeenkomsten inderdaad levensverzekeringen zijn.
Het is in die zin verklaarbaar dat verweerder in de bestreden directionele beslissing geen uitspraak deed over de dwaling. Verweerder kwam immers tot het oordeel dat de contracten beleggingen waren. Dat impliceerde dat er volgens verweerder geen dwaling kon bestaan : de akkoorden geven volgens verweerder de juiste juridische kwalificatie van de overeenkomsten weer.
De rechtbank onderzoekt dan ook eerst de kwalificatie van de overeenkomsten.

2.3.2.  De kwalificatie van de overeenkomsten

De overeenkomsten die eiseres met R.B. N.V. afsloot, kunnen niet beschouwd worden als levensverzekeringen of bedrijfsleidersverzekeringen.
Verweerder stelt immers met reden dat er in de bijzonderste voorwaarden geen minimumkapitaal bedongen is. Eiseres blijkt zich te baseren op een verkeerde interpretatie van artikel 97 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst (hierna W.Lvo.). Het tweede lid van dat artikel luidt immers :
«Die verzekeringen zijn uitsluitend verzekeringen tot uitkering van een vast bedrag.»
Ten onrechte meent eiseres in de commentaar van Schuermans, L. («De nieuwe wet op de landverzekeringsovereenkomst van 25 juni 1992», R.W. 1992-93, nr. 176, p. 742) steun te kunnen vinden voor haar stelling. Er wordt, na gewezen te hebben op het «forfaitair» karakter van de levensverzekering, evenwel aan toegevoegd : «De levensverzekering is dus een sommenverzekering bij uitstek. De opgebouwde reserve is de resultante van een spaardaad van de verzekeringsnemer en komt derhalve niet in aanmerking voor voordeelstoerekening.»
Het behoort derhalve tot het wezen van een levensverzekering dat de gewaarborgde prestatie van de verzekeraar niet afhankelijk is van wat hij reeds ontvangen heeft vanwege de verzekeringsnemer.
Het volstaat verder vast te stellen dat, nu er geen minimumkapitaal bedongen is in geval van overlijden, R.B. N.V. zowel bij leven als bij overlijden aan eiseres niets anders moest terugbetalen dan een bedrag dat essentieel afhankelijk is van de omvang van de stortingen die eiseres al zou gedaan hebben. Zowel de terugbetaalde kapitalen, de opgebrachte kapitalisatierente als de winstdeelneming worden bepaald in functie van wat reeds door eiseres zou gestort zijn. Het risico voor R.B. N.V. is dan ook precies te vergelijken met dat wat een kredietinstelling dreigt te verliezen wanneer ze met het haar toevertrouwde geld minder bereikt dan de overeengekomen kapitalisatievoet haar (netto) kan kosten.
Voor eiseres laten de overeenkomsten trouwens zelfs toe om op elk moment een terugname te doen van de reeds gedane stortingen. Er wordt in dat geval weliswaar 5 % ingehouden en er is ook een minimumbedrag van 50 000 frank dat moet blijven staan (artikel 5, 2 de paragraaf van de algemene voorwaarden). Toch bevestigt dit dat er sprake is van een belegging.
Voor het geheel heeft eiseres dan ook van het begin tot het einde van de overeenkomst een vaststaande en zekere schuldvordering op R.B. N.V. De aftrekken of inhoudingen in geval van vervroegde terugname, zijn niets anders dan een sanctie wegens vervroegde (gedeeltelijke) terugname. Deze hangen niet af van een «onzekere gebeurtenis» maar van de wil van de verzekeringsnemer.
Hete is dan ook met reden dat verweerder stelt dat niet voldaan is aan artikel 1964 B.W. waarin voorzien is dat in een kanscontract de gevolgen met betrekking tot winst en verlies van een onzekere gebeurtenis afhangen. Als het al was is dat er in bepaalde omstandigheden door een van de partijen een verlies geleden wordt door de uitvoering van de betreffende overeenkomsten, dan zal dat niet afhangen van het leven of overlijden van de heer S. of mevrouw S. In beide gevallen wordt immers uitbetaald in functie van wat reeds gestort is aan R.B. N.V.
Verweerder heeft in die omstandigheden met redenen geoordeeld dat de betreffende contracten geen levensverzekeringen zijn, maar beleggingen.
Waar eiseres en de R.B. N.V. naar buiten uit een levensverzekering, meer bepaald een bedrijfsleidersverzekering, hebben afgesloten, blijkt het om een belegging te gaan. De kwalificatie van bedrijfsleidersverzekering was ingegeven door de bedoeling om de stortingen als premies te laten voorkomen en aftrekbaar te maken van het bedrijfsresultaat. De stortingen voor beleggingen zijn evenwel geen aftrekbare beroepskosten. Elke storting creëert in hoofde van eiseres een opeisbare schuldvordering. Het geld is nooit verloren.
Eiseres toont niet aan dat het kwalificeren als een bedrijfsleidersverzekering aan een rechtmatige financiële en economische behoefte zou beantwoorden. Het eenvoudig realiseren van een kapitalisatierente en een winstdeelneming kan overigens bezwaarlijk een middel zijn om zich in te dekken tegen het mogelijk verlies van een sleutelfiguur in het bedrijf. Een bedrijfleidersverzekering komt tegemoet aan de financiële en economische behoefte om, in geval van het wegvallen van een sleutelfiguur, deze werknemer te kunnen vervangen en/of het verlies aan inkomsten en/of de toename van kosten door zijn afwezigheid te compenseren. Er kan gedacht worden aan de behoefte om de tijd (en dus het geld) te overbruggen om iemand te kunnen aantrekken die men nog moet opleiden om de weggevallen sleutelfiguur te vervangen of die reeds even grote ervaring en kennis heeft (en desgevallend hoger moet verloond worden).
De herkwalificatie blijkt, ongeacht of de voorwaarden voor een burgerrechtelijke veinzing aanwezig zijn, volledig verantwoord te zijn op grond van artikel 344 van het W.I.B. 1992.
Ten slotte stelt de rechtbank vast dat eiseres niet aantoont dat in haren hoofde ooit de indruk zou gewekt zijn dat het concrete type overeenkomsten dat zij met R.B. N.V. sloot, zou beantwoorden aan enige vorm van verzekering waarvan de premie fiscaal aftrekbaar zou zijn. Het vertrouwens- of het rechtszekerheidsbeginsel werd dan ook niet geschonden door verweerder.
Uit dit alles blijkt dat de vordering, in zoverre gesteund op de kwalificatie van de overeenkomsten als bedrijfsleidersverzekeringen, ongegrond is.
Meteen is uitgesloten dat eiseres bij de ondertekening van de akkoorden over de aanslagjaren 1994 tot 1997 zou gedwaald hebben. De akkoorden waren immers ingegeven door een juiste interpretatie.

2.3.3.  De belastingverhoging

Ongeacht de vraag naar de goede trouw van eiseres - die kennelijk buiten kijf staat - acht de rechtbank het niet opportuun om met betrekking tot de principiële kwestie die hier aan de orde is, een belastingverhoging toe te passen.
Wat dat betreft, is de vordering dan ook gegrond. Zij kan evenwel slechts betrekking hebben op het aanslagjaar 1998. Met de akkoorden voor de aanslagjaren 1994 tot 1997 heeft eiseres immers, ook wat de belastingverhogingen betreft, haar instemming betuigd. Gelet op het opportuniteitskarakter van een belastingverhoging, kon eiseres zelfs niet dwalen over het al dan niet verschuldigd zijn ervan.

3.  De gerechtskosten

Eiseres wordt grotendeels in het ongelijk gesteld. Zij moet negen/tienden van de gerechtskosten dragen. Verweerder moet een tiende van de kosten voor zijn rekening nemen.

IV.  Uitspraak

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en in beperkte mate gegrond.
De rechtbank vernietigt daarom de aanslag in de vennootschapsbelasting jegens eiseres gevestigd voor het aanslagjaar 1998, ingeschreven in het kohier van de gemeente Ardooie onder artikel 892.808 541, in de mate dat die aanslag betrekking heeft op de opgelegde belastingverhoging van 10 procent.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de sommen die eiseres op grond van het ontheven gedeelte van de genoemde aanslag heeft betaald, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 van het W.I.B. 1992.