Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 26.11.2001
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Disposition anti-abus de droit,Requalification,Acquisition d'actions propres
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||||||||||||||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 26.11.2001
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 26.11.2001
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 26.11.2001 Tax year : 2005 Document date : 26/11/2001 Document language : FR Name : BR1 01/11 Version : 1
ARRET BR1 01/11 Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 26.11.2001 FJF 2003/164 Disposition anti-abus de droit - Requalification - Acquisition d'actions propres Au cours de l'année 1994, une société a acquis ses propres actions auprès d'un seul actionnaire. L'administration a considéré, par application de l'article 344, § 1 er, du CIR 1992, que cette acquisition devait être requalifiée en distribution de dividendes. Le précompte mobilier a été enrôlé pour l'exercice d'imposition 1994 par application de l'article 358, § 1 er, 1º, du CIR 1992, et cela en 1997. Le tribunal considère tout d'abord qu'il n'y a aucune opposition intellectuelle entre, d'une part, la requalification conformément à l'article 344, § 1 er, du CIR 1992 et, d'autre part, l'application de la prolongation de délai d'imposition prévue par l'article 358, § 1 er, 1º, du même code. Lorsque le fisc arrive à la conclusion qu'une construction utilisée est susceptible de requalification, il en résulte en effet qu'un autre régime fiscal est applicable et que, par conséquent, une infraction au CIR 1992 ou à ses dispositions d'exécution a été commise. Pour appliquer l'article 344, § 1 er, du CIR 1992, l'administration doit apporter la preuve que la qualification juridique donnée par le contribuable à son acte (acquisition d'actions propres) avait pour but d'éviter l'impôt. Compte tenu du but et de l'esprit de la disposition législative, cette charge de la preuve doit être comprise en ce sens qu'il y a lieu de démontrer que le contribuable, en choisissant cette qualification juridique, avait pour seul but d'éviter l'impôt. Cet évitement doit donc constituer la conséquence de la forme spécifique et expressément choisie de l'acte. En vertu des termes de l'article 344, § 1 er, du CI.R. 1992, le fisc peut apporter par présomptions la preuve de l'intention d'éluder l'impôt. Dans le cas d'espèce, le tribunal est d'avis que le fisc, en estimant que l'acquisition, organisée par le contribuable d'une manière régulière sur le plan formel, de ses propres actions, doit être considérée comme une distribution de dividendes ordinaires, ne tient pas compte du fait que le but de ces deux actes est fortement divergent. Pour le tribunal, les divergences sont claires : l'unique vendeur des actions est seul à recevoir un dividende et la structure de l'actionnariat s'en voit modifiée, ce qui n'est pas le cas pour une distribution ordinaire de dividendes. L'administration ne peut pas non plus faire l'impasse sur la réalité (juridique), à savoir que l'acquisition d'actions propres ne s'opère qu'à l'égard d'un seul des actionnaires. Alleenrechtsprekend rechter : M. Vandeputte Advocaten : Mr. Speecke, Mr. Van der Perre N.V. V. tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën *** I. ProcedureDe partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 29 oktober 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd. De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
II. De bijzonderste gegevens van de zaak1. De feiten die relevant zijn voor het geschilOp de buitengewone algemene vergadering van 18 april 1994 werd door eiseres beslist dat zij zou overgaan tot de inkoop van maximum 6 eigen aandelen tegen de prijs van 72.565 frank (1.798,84 euro) per aandeel. Tevens werd aan de Raad van Bestuur de machtiging gegeven om bijkomend 4 eigen aandelen in te kopen tegen dezelfde prijs. Deze beslissing werd gepubliceerd in de Financieel Economische Tijd van 20 april 1994 met verzoek aan de aandeelhouders om zich vóór 1 mei 1994 aan te bieden mochten zij op het aanbod willen ingaan.Op de zitting van de Raad van Bestuur van eiseres van 6 mei 1994 werd vastgesteld dat op de oproeping werd gereageerd en dat aldus 6 aandelen door verzoekster werden ingekocht. Conform de beslissing van de bijzondere algemene vergadering van 18 april 1994 besloot de Raad van Bestuur tot de vernietiging van de 6 ingekochte aandelen en werd de aankoopprijs aangerekend op de onbeschikbare reserve die voorheen was aangelegd met het oog op de inkoop van de eigen aandelen. Om 15 uur 45 van dezelfde dag werd een nieuwe zitting van de Raad van Bestuur gehouden waarbij de Raad van Bestuur, gebruik makend van de bijzondere bevoegdheid haar toegekend door de bijzondere algemene vergadering van 18 april 1994, overging tot de inkoop van 4 eigen aandelen. Ook deze aandelen worden na de inkoop onmiddellijk vernietigd waarna de aankoopprijs werd aangerekend op de voorheen aangelegde onbeschikbare reserve. De 10 eigen aandelen werden alle aangekocht van mevrouw V.V. Gezien de totale aankoopprijs niet werd aangerekend op het kapitaal maar integraal op een speciaal daartoe aangelegde onbeschikbare reserve, nam eiseres in haar aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1994 een bedrag van 725.650 frank (17.986,16 euro) op bij de dividenden onder de Code 051 - «verkrijging van eigen aandelen». Vermits artikel 264, eerste lid, 20 W.I.B. '92 bepaalt dat de roerende voorheffing niet verschuldigd is op het gedeelte van de dividenden dat overeenstemt met de in artikel 186 vermelde dividenden», zijnde dividenden naar aanleiding van de inkoop van eigen aandelen, en eiseres van oordeel was dat het om dergelijke dividenden ging, deed zij geen aangifte in de roerende voorheffing. In april 1996 startte de Bijzonder Belastinginspectie (B.B.I.) een onderzoek. Op 26 april 1996 stuurde zij een vraag om inlichtingen waarin zij voorlegging vroeg van alle documenten die betrekking hadden op de genoemde inkoop van eigen aandelen. Op 21 mei 1995 heeft eiseres daarop geantwoord door alle gevraagde stukken in kopie op te sturen. In haar bericht van wijziging van de aangifte van 16 juli 1996, liet de B.B.I. weten dat zij het resultaat voor het aanslagjaar 1994 zou herberekenen door «gewone dividenden» in aanmerking te nemen voor een bedrag van 625.650 frank (15.509,46 euro). Zij kwam aan dat bedrag door de betaalde prijs voor de 10 aandelen te verminderen met (10 × 10.000 frank =) 100.000 frank (2.478,94 euro). Tot die conclusie werd gekomen met toepassing van artikel 344 § 1 W.I.B. '92. Omdat volgens de B.B.I. de transactie niet zou beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften van eiseres en zou gedaan zijn om bij mevrouw V.V. de belasting op de ontvangen dividenden geheel of gedeeltelijk te ontwijken, werd tot herkwalificatie overgegaan. Vermits de uitkering van de dividenden op die manier hoger was dan 13 % van het gestorte kapitaal bij het begin van het belastbaar tijdperk, werd eiseres voor aanslagjaar 1994 uitgesloten van het verlaagd tarief. Er werd aan toegevoegd dat op die «gewone» dividenden de roerende voorheffing verschuldigd is overeenkomstig artikel 261 W.I.B. '92. Eiseres liet op 31 juli 1996 weten dat zij niet kon instemmen met het bericht van wijziging. De taxatiedienst bleef op zijn standpunt en vestigde een (supplementaire) aanslag in de Vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 1994 voor een bedrag van 105.957 frank (2.626,61 euro) onder artikel 864400660 van het kohier van de gemeente Kortrijk. Het kohier werd uitvoerbaar verklaard op 9 december 1996. Eiseres diende op 17 februari 1997 bezwaar in tegen die aanslag in de vennootschapsbelasting. Op 23 september 1996 had de B.B.I. al laten weten dat zij een aanslag van ambtswege zou vestigen in de roerende voorheffing. Met verwijzing naar het bericht van wijziging van 16 juli 1996 oordeelde zij dat er voor 625.650 frank (15.509,46 euro) gewone dividenden waren uitgekeerd. Zij achtte bovendien artikel 268 van het W.I.B. 1992 toepasselijk en ging over tot brutering (842.626 frank) en paste daarop het tarief van de roerende voorheffing (25,75 %) toe. Op 26 september 1996 liet eisers opnieuw weten dat zij daarmee niet kon instemmen. Uiteindelijk kwam het alvast tot een akkoord dat de brutering overeenkomstig artikel 268 W.I.B. '92 niet gepast was. Ook hier bleef de Administratie op haar standpunt. Er werd een aanslag gevestigd in de roerende voorheffing voor het aanslagjaar 1994 voor een bedrag van 161.105 frank (3.993,69 euro) onder artikel 750081 van het kohier van de gemeente Kortrijk. Het kohier werd uitvoerbaar verklaard op 22 mei 1997. Eiseres diende tegen die aanslag in de roerende voorheffing een bezwaarschrift in op 29 mei 1997. In zijn directionele beslissing van 6 februari 2001 wees verweerder de beide bezwaarschriften af. Met een verzoekschrift van 26 maart 2001 stelde eiseres haar huidige vordering in. 2. De vorderingen van de partijenEiseres vordert dat de rechtbank de aanslag in de roerende voorheffing voor het aanslagjaar 1994 gevestigd onder kohierartikel 750081 voor een bedrag van 161.105 frank zou ontheffen, minstens vernietigen. Zij vordert tevens dat de rechtbank de terugbetaling zou bevelen van sommen die betaald of ingehouden zouden zijn op grond van diezelfde aanslag.Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten. Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten. III. Beoordeling1. De ontvankelijkheid van de vorderingVerweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.2. De grond van de vordering2.1. Stelling van eiseresEiseres roept in eerste orde in dat verweerder ten onrechte artikel 358, § 1, 1 W.I.B. '92 zou toegepast hebben. Dat moet volgens eiseres afgeleid worden uit het feit dat bij de controle inzake inkomstenbelastingen niet zou vastgesteld zijn dat eiseres een bepaling inzake roerende voorheffing zou hebben overtreden in één der vijf jaren vóór die controle. In tegendeel zou de B.B.I. precies vastgesteld hebben dat eiseres wel gedaan heeft wat ze moest doen, namelijk geen aangifte doen in de roerende voorheffing op dividenden die krachtens artikel 264, 1ste lid, 2 van de roerende voorheffing zijn vrijgesteld. Aangezien er volgens haar geen «overtreding» was, verwijst eiseres ook naar het randnummer 27 van de circulaire Ci.D.19/453.895 van 6 december 1993. Volgens eiseres is alleen een aanslag mogelijk binnen de termijn van artikel 354, 1ste lid W.I.B. '92.In tweede orde stelt eiseres dat verweerder ten onrechte haar akte van inkoop van eigen aandelen herkwalificeerde naar een uitkering van gewone dividenden. Eiseres voert vooreerst aan dat verweerder niet bewijst dat de inkoop van eigen aandelen zou gebeurd zijn met het oogmerk om de belasting te ontwijken. Volgens eiseres eist verweerder ten onrechte dat zij een uitgebreide motivatie geeft voor de inkoop van eigen aandelen. Het feit dat er een hogere prijs betaald werd per aandeel dan de nominale waarde in de verhouding tot het maatschappelijk kapitaal, is volgens eiseres geen aanwijzing van belastingontwijking. Het feit dat slechts één aandeelhouder op het aanbod inging, is naar het oordeel van eiseres eerder een tegenindicatie dan een bewijs van het oogmerk om belastingen te ontwijken. Ook het feit dat zij gebruik gemaakt heeft van een fiscaal gunstregime kan volgens eiseres bezwaarlijk een aanwijzing zijn van eventuele intenties om belastingen te ontwijken. Ten slotte kan eiseres niet instemmen met het feit dat verweerder genoegen neemt met een «vermoeden» van belastingontwijking. Volgens eiseres moet verweerder het «bewijs» leveren dat de inkoop van eigen aandelen verwezenlijkt is met de intenties van eiseres om belastingen te ontwijken. Zij laat nog gelden dat zij zelf in elk geval geen belastingvoordeel zou doen. Zelfs mocht nog het bewijs van een oogmerk om de belasting te ontwijken, worden aangenomen, dan nog, zo stelt eiseres, faalt verweerder in zijn bewijslast met betrekking tot de kwalificatie. Zij benadrukt dat artikel 344, § 1 W.I.B. '92 alleen toelaat om de «juridische kwalificatie» van de akte te herkwalificeren. Aangezien de akte op zich - namelijk de inkoop van eigen aandelen - in elk geval blijft bestaan, terwijl de inkoop van eigen aandelen beantwoordt aan een uitdrukkelijke juridische kwalificatie van het Wetboek van Vennootschappen, stelt eiseres dat er in het huidige geval eenvoudig geen herkwalificatie mogelijk is. De houding van verweerder komt er volgens eiseres op neer dat hij de juridische mogelijkheid voor een inkoop van eigen aandelen, zoals voorzien in het Wetboek van Vennootschappen en het fiscaal regime, voorgeschreven in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, in vraag stelt. De herkwalificatie van een inkoop van eigen aandelen naar een gewone dividenduitkering is volgens eiseres trouwens een herkwalificatie van de «juridische gevolgen» van de akte, namelijk de herkwalificatie van het (soort) dividend. Nog meer ondergeschikt voert eiseres aan dat zij wel degelijk tot inkoop van eigen aandelen is overgegaan om te beantwoorden aan rechtmatige financiële en economische behoeften. Zij wijst op het feit dat op die manier de kans geboden werd om, zonder kosten, de aandeelhoudersstructuur te wijzigen. 2.2. Stelling van verweerderVolgens verweerder is het niet voldoende vast te stellen dat er verschillende gevolgen verbonden zijn aan enerzijds de kwalificatie van eiseres en anderzijds de (her-)kwalificatie door de Administratie. Verweerder stelt dat hetzelfde effect als een gewone dividenduitkering kan verkregen worden door een evenredige inkoop, waardoor de aandeelhoudersstructuur niet behouden blijft. Het is evengoed mogelijk dat de inkoop niet wordt aangewend op het kapitaal maar alleen wordt aangerekend op de reserves. Dat toont volgens verweerder aan dat het niet volstaat vast te stellen dat de gekozen akte beantwoordt aan een kwalificatie die in een wettekst uitgewerkt wordt.Verweerder stelt verder vast dat er nergens een uitdrukkelijke beslissing werd genomen om het volledig door eiseres betaalde bedrag op de reserves aan te rekenen, zonder opname van het kapitaal. Verweerder betwist niet dat de inkoop van eigen aandelen in overeenstemming met de vennootschapsrechtelijke regels is gebeurd. Hij stelt evenwel de fiscale implicaties in vraag, meer bepaald met betrekking tot de bedoeling die eiseres kan gehad hebben bij de realisatie van de inkoop. Door eiseres werd volgens verweerder nooit verwezen naar enige rechtmatige economische en financiële reden die de toepassing van artikel 344 § 1 W.I.B. '92 a priori zou overbodig maken. Uit de feiten leidt verweerder het vermoeden af dat de echte motieven voor de doorgevoerde inkoop van eigen aandelen niet moeten gezocht worden in een of andere economische of financiële overweging, eigen aan de vennootschap zelf, maar wel in de verzuchting om aan één aandeelhouder - weliswaar via een wettelijk georganiseerde constructie - totaal belastingvrij een gedeelte van de reserves uit te keren. Verweerder vermoedt dus dat het om een constructie van belastingontwijking gaat. Dat vermoeden volstaat volgens verweerder om artikel 344 § 1 W.I.B. '92 (herkwalificatie) toe te passen. Verweerder stelt dat de kwalificatie van «gewoon dividend» beter aanleunt bij de bedoeling van de betrokkenen, namelijk de aandeelhouder laten meegenieten van een positieve ontwikkeling die de vennootschap door de jaren heen heeft gekend en die mede mogelijk is gemaakt door de eertijds gedane financiële inbreng. Ten aanzien van de toepassing van artikel 358 § 1, 1 W.I.B. '92, laat verweerder gelden dat de controle inzake inkomstenbelastingen wel degelijk heeft uitgewezen dat er door eiseres een bepaling inzake de roerende voorheffing werd overtreden. Hij verwijst naar het controleverslag van de B.B.I. van 24 april 1997 waar staat dat de kwalificatie tot «gewone dividenden» aanleiding geeft tot heffing van de roerende voorheffing. Hij benadrukt nog dat de aanslag binnen de termijn van 12 maanden overeenkomstig artikel 358, § 2, 1 W.I.B. '92 gevestigd werd. 2.3. Beoordeling2.3.1.Eiseres stelt de toepassing van artikel 358 § 1, 1 W.I.B. '92 in vraag. Eiseres kan niet gevolgd worden in haar stelling dat bij de controle inzake inkomstenbelastingen niet zou zijn vastgesteld dat zij een bepaling inzake roerende voorheffing zou hebben overtreden in één der vijf jaren vóór die controle. Het onderzoek is gestart in april 1996. In het bericht van wijziging van 16 juli 1996 heeft de B.B.I. vastgesteld dat er - volgens haar - sprake was van gewone dividenden en eraan toegevoegd dat de roerende voorheffing overeenkomstig artikel 261 W.I.B. '92 verschuldigd was. In de kennisgeving van aanslag van ambtswege in de roerende voorheffing van 23 september 1996, werd, na verwijzing naar dat bericht van wijziging, herhaald dat de roerende voorheffing verschuldigd was overeenkomstig de artikelen 261 en 269 W.I.B. '92. Zelfs al wordt bij dit alles nergens met zoveel worden gesproken over «een overtreding of inbreuk op de bepalingen met betrekking tot de roerende voorheffing», toch kunnen die vermeldingen slechts begrepen worden als een weergave van dergelijke «overtreding» of «inbreuk». Indien verweerder terecht van oordeel was dat er sprake was van «gewone dividenden» dan had eiseres inderdaad nagelaten aangifte te doen in de roerende voorheffing en evenzeer nagelaten de overeenkomstige roerende voorheffing te betalen en dit in één van de vijf jaren voorafgaand aan de vaststelling van de inbreuk. In die omstandigheden beriep verweerder zich terecht op artikel 358 § 1, 1 W.I.B. '92. De verwijzing van eiseres naar het randnummer 27 van de circulaire Ci.D.19/453.895 van 6 december 1993, doet van dat alles niets af. In dat randnummer wordt verwezen naar de uiteenzetting in de randnummers 7 tot 18 waarin gesteld wordt dat belastingontwijking zich onderscheidt van belastingontduiking omdat bij ontwijking er geen overtreding van een wettelijke bepaling gebeurt. De Administratie stelt daarom in de genoemde circulaire dat een aanslag alleen mogelijk is binnen de termijn van artikel 354, 1ste lid W.I.B. '92 maar niet meer binnen de verlengde termijn van artikel 354, 2de lid W.I.B. '92. Wat de Administratie ook in haar circulaire moge geschreven hebben - zij geldt niet als bron van recht - in elk geval gaat zij - evenals eiseres - ermee akkoord dat de herkwalificatie (en bijhorende belastingheffing) zeker mogelijk is binnen de termijn van artikel 354, 1ste lid W.I.B. '92. Bijgevolg kan bezwaarlijk worden aangenomen dat er nooit enige vorm van «inbreuk» of «overtreding» op de bepalingen van het W.I.B. 1992 of de uitvoeringsbesluiten mag plaatsvinden om herkwalificatie toe te passen. De gevallen waarover het eerste lid van artikel 354 W.I.B. '92 het heeft (niet-aangifte, laattijdige aangifte of ontoereikende aangifte) zijn immers ook onmiskenbaar inbreuken op het W.I.B. 1992 (art. 305 e.v. W.I.B. 1992). Eén van de overtredingen die hier volgens verweerder aanleiding gaf voor de toepassing van artikel 358, § 1, 1 van het W.I.B. 1992, was precies de niet-aangifte in de roerende voorheffing. Mocht de onjuiste aangifte in de vennootschapsbelasting - onjuistheid afgeleid uit een herkwalificatie - niet in aanmerking mogen genomen worden, dan zou de herkwalificatie slechts kunnen tot een aanslag leiden binnen de aanslagtermijn van artikel 359 W.I.B. 1992. Dat wordt kennelijk door niemand beweerd. Er kan worden verdedigd dat «ontwijking» zich onderscheidt van «ontduiking» omdat in het eerste geval er geen «overtreding van een wetsartikel» heeft plaatsgevonden. Dat kan evenwel slechts betekenen dat er bij het uitwerken van de constructie van de akte er geen wetsovertreding heeft plaatsgevonden. Komt de Administratie evenwel tot de vaststelling dat de uitgewerkte constructie voor herkwalificatie vatbaar is, dan zal dat als gevolg hebben dat er een ander belastingregime toepasselijk wordt en aldus een inbreuk op het W.I.B. 1992 en/of de uitvoeringsbesluiten zal zijn gepleegd. Er is dus geen intellectuele tegenstrijdigheid tussen enerzijds de herkwalificatie overeenkomstig artikel 344 W.I.B. '92 en anderzijds het aanwenden van een verlengde aanslagtermijn op grond van de vaststelling dat een inbreuk of overtreding op het van het W.I.B. '92 werd begaan. 2.3.2. Ten gronde leggen de partijen elk op hun manier artikel 344, § 1 van het W.I.B. 1992 uit. De tekst van die paragraaf bepaling luidt als volgt : Aan de Administratie der directe belastingen kan niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële en economische behoeften beantwoordt. Het staat vast dat de initiële bewijslast bij verweerder ligt. Pas wanneer hij zijn bewijslast heeft ingelost, ligt de bal in het kamp van de belastingplichtige : deze kan in dat geval aan de herkwalificatie ontsnappen door te bewijzen dat er een zekere noodzaak was voor de gekozen akte, namelijk wegens financiële en economische behoeften. Verweerder moet bewijzen dat de juridische kwalificatie die eiseres aan haar akte (inkoop van eigen aandelen) heeft gegeven, tot doel heeft de belasting te ontwijken. Gelet op de strekking en de bedoeling van de wetsbepaling, moet die bewijslast in die zin worden opgevat dat moet worden aangetoond dat eiseres met de door haar gekozen juridische kwalificatie, als uitsluitend doel had de belastingen te ontwijken. Immers is de achterliggende gedachte dat er voor de belastingplichtige een alternatieve weg was om op andere vlakken precies hetzelfde resultaat te bereiken, maar dat een constructie werd opgezet om de (normaal verschuldigde) belastingen te ontlopen. Voor elk van de mogelijke juridische kwalificaties zijn dus de andere motieven of doelstellingen in wezen identiek. Artikel 344 § 1 W.I.B. '92 heeft precies tot doel de gekozen kwalificatie te hekelen omdat ze uitsluitend is ingegeven door het oogmerk van belastingontwijking. Verder moet de belastingontwijking - overeenkomstig de tekst van artikel 344 § 1 W.I.B. '92 - het doel zijn van de door eiseres gekozen juridische kwalificatie. Belastingontwijking moet dus het gevolg zijn van een bepaalde, uitdrukkelijk gekozen vorm (van de akte). Volgens de letterlijke tekst van artikel 344 § 1 W.I.B. '92 kan verweerder het bewijs van de bedoeling om belastingontwijking te realiseren (ook) leveren met vermoedens. Eiseres kan dan ook zich er niet zonder meer op beroepen dat verweerder slechts onrechtstreeks het bewijs tracht te leveren (nl. met vermoedens) van de beweerde bedoeling. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor het overige voorbijgaat aan de hoger vermelde principes. Hij leidt - met vermoedens - uit de volgende feiten af dat er sprake is van belastingontwijking :
De stelling van verweerder komt er in wezen op neer dat hij niet aanvaardt wat de beslissing van eiseres is geweest. Hij stelt in zijn conclusie uitdrukkelijk de fiscale implicaties van de transacties in vraag, meer bepaald met betrekking tot de bedoeling die eiseres kan gehad hebben bij de realisatie van de inkoop. Verweerder erkent hierbij uitdrukkelijk dat hij zich begeeft op het (verboden) pad van de opportuniteitstoetsing. Dat impliceert noodzakelijk dat hij niet de juridische kwalificatie maar wel de akte zelf in twijfel trekt. Tegelijk brengt dat ook tot uiting dat de inkoop van eigen aandelen zoals hij concreet door eisers gerealiseerd werd, niet voor herkwalificatie tot een gewone dividenduitkering vatbaar was. Het onbetwistbaar feit dat de door eiseres uitgevoerde transactie onder artikel 264, 1ste lid, 2 W.I.B. '92 valt zodat de dividenden die met die transactie gepaard gaan, niet aan de roerende voorheffing onderhevig zijn, kan in elk geval niet volstaan om de belastingontwijking aan te nemen in de zin van artikel 344 § 1 W.I.B. '92. Eiseres heeft gewoon een transactie ondernomen die niet als een andere transactie (die voor het overige dezelfde gevolgen zou hebben) kan worden geïnterpreteerd. De bestreden aanslag in de roerende voorheffing is derhalve ongegrond. 3. De gerechtskostenVerweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.IV. UitspraakDe rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond. De rechtbank verklaart daarom de aanslag in de roerende voorheffing, gevestigd op naam van eiseres onder artikel 750081 van het kohier van de gemeente Kortrijk voor het aanslagjaar 1994 ongegrond. De rechtbank beveelt verweerder over te gaan tot terugbetaling van alle sommen die krachtens die ongegronde aanslag zouden zijn betaald of geïnd, vermeerderd met de moratoriuminterest overeenkomstig artikel 418 W.I.B. '92. De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure. |
|||||||||||||||||||||||