Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt dd. 26.02.2003

Date :
26-02-2003
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
10 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Limitation,Véhicule pour usage mixte,Notion

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt dd. 26.02.2003
Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt dd. 26.02.2003
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt dd. 26.02.2003
Tax year : 2005
Document date : 26/02/2003
Keywords : Limitation / Véhicule pour usage mixte / Notion
Document language : FR
Name : H1 03/1
Version : 1

ARRET H1 03/1


Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt dd. 26.02.2003



FJF 2003/171

Limitation - Véhicule pour usage mixte - Notion

La différence entre un véhicule qui est conçu et construit pour le transport de marchandises et un véhicule pour usage mixte (transport de marchandises et de personnes) auquel la limitation de la TVA déductible est applicable en vertu de l'article 45, § 2, du C.TVA, est une question de fait qui doit être appréciée au cas par cas. Les éléments qui importent pour apprécier la nature du véhicule sont, entre autres, la structure du véhicule, la présence d'une ou de plusieurs rangées de sièges, la superficie du plancher, l'impossibilité de prévoir de sièges et des ceintures dans l'espace de chargement et la séparation des espaces de chargement de ceux destinés aux passagers. L'inscription du véhicule à la D.I.V. comme camionnette n'est pas déterminante. Une telle inscription ne lie pas l'administration de la TVA





X
tegen
Administratie van de belastingen over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen;
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

Volgt het vonnis :
Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder van 05.05.2000 waarbij eiseres verweerder liet dagvaarden in verzet tegen het dwangbevel van 23.02.2000;
- de conclusies en de stukken van partijen;

Feiten en voorgaanden

Eiseres is wegens haar uitgeoefende activiteit van onderneming in timmer- en schrijnwerk aan gebouwen en aan- en verkoop van keukens en badkamers geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder BTW-nummer 446.624.622 en is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Eiseres heeft een voertuig geleasd van de maatschappij.
Het voertuig (Q) is uitgerust met 2 rijen zetels, waarvan de eerste rij plaats biedt aan de bestuurder en 1 passagier en de tweede rij zitplaatsen plaats biedt aan 3 personen.
Dit voertuig werd op 29.08.1995 bij de Directie voor Inschrijving van Voertuigen (D.I.V.) ingeschreven als een «lichte vrachtwagen» (stuk 2, bundel eiseres). Het gelijkvormigheidsattest en het keuringsbewijs vermelden eveneens «lichte vrachtauto» (stukken 3 en 5, bundel eiseres).
Het Ministerie van Verkeerswezen heeft bij P.V. van goedkeuring nr. 92/1049 van 9 juli 1992 het basismodel van de goedgekeurd als lichte vrachtauto. Een bijlage nr. 1 bij dit P.V. van goedkeuring werd op 9 mei 1994 afgeleverd door het Ministerie van Verkeerswezen waarbij ook de versie met dubbele cabine met plaats voor 4 personen en de bestuurder als lichte vrachtwagen werd goedgekeurd (stuk 4, bundel eiseres).
Bij beslissing van 15 juni 1995 (bijlage nr. 2 aan het P.V. van goedkeuring nr. 92/1049) werd deze bijlage nr. 1 ingetrokken met ingang van 1 juli 1995. Deze bijlage nr. 2 werd op 9 augustus 1995 vervangen door een nieuwe bijlage nr. 2 waarbij de geldigheid van de bijlage nr. 1 beperkt werd tot 1 januari 1996 (stuk 4, bundel eiseres).
Eiseres bracht de B.T.W. die zij betaald had, enerzijds aan de leasingsmaatschappij en anderzijds voor onderhoud en herstellingen, in aftrek ten belope van 100 %. Ook werd de B.T.W. van de facturen betref fende de levering van brandstof voor het voertuig volledig in aftrek gebracht.
Op 3 en 4 mei 1999 en op 9 september 1999 hebben twee controleambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, Controlecentrum Tongeren-Genk, na een voorafgaande verwittiging bij eiseres een B.T.W.-controle doorgevoerd voor de periode van 01.01.1995 tot 31.12.1997.
Naar aanleiding van de vaststellingen van deze controleambtenaren werd er op 9 februari 2000 een proces-verbaal opgesteld (stuk 4, bundel verweerder) waarin werd vastgesteld dat eiseres een inbreuk heeft begaan op :

- art. 45, § 2 W.B.T.W., nl. eiseres heeft ten onrechte 100 % van de betaalde B.T.W. op de kosten van leasing, onderhoud en brandstof in aftrek gebracht i.p.v. 50 %, zodat een bedrag van 69.680 fr. (€ 1.727,32) dient terugbetaald te worden;
- art. 45 W.B.T.W. en de artikelen 5 en 8 K.B. nr. 3 van 10 december 1969, nl. eiseres heeft ten onrechte een herziening van de aftrekbare B.T.W. i.v.m. de kosten van het voertuig opgenomen in rooster 62 van de periodieke B.T.W.-aangifte t.b.v. 13.838 fr. (€ 343,04);
- art. 19, § 1 W.B.T.W., nl. de zaakvoerder van eiseres gebruikte het voertuig voor privé-doeleinden zodat hij een voordeel in natura heeft genoten waarop B.T.W. verschuldigd is t.b.v. 11.226 fr (€ 278,29).

Op 23 februari 2000 werd tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd (stuk 1 bundel verweerder), gesteund op het proces-verbaal van 9 februari 2000, waarin gesteld werd dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- 94.744 fr. (€ 2.348,64) B.T.W.;
- 5.200 fr. (€ 128,90) geldboete in toepassing van art. 70, § 1 en/of 1bis W.B.T.W. en verminderd bij toepassing van art. 1 van het K.B. nr. 41;
- de intrest per maand vertraging aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.1998 over de som van 94.000 fr. (€ 2.330,20);
- de wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 4 W.B.T.W., te berekenen op de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel;
- de vervolgingskosten.

Bij exploot van A gerechtsdeurwaarder te B, van 3 april 2000 werd het dwangbevel betekend aan eiseres (stuk 2, bundel verweerder).
Bij exploot van C gerechtsdeurwaarder te D, van 5 mei 2000 werd door eiseres bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 23 februari 2000. Eiseres vordert :

- het verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;
- het exploot van betekening-bevel van 03.04.2000 van gerechtsdeurwaarder A. nietig en zonder rechtsgevolg te verklaren;
- het dwangbevel, uitgevaardigd op 23.02.2000, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28.02.2000, en het proces-verbaal van 09.02.2000 nietig en zonder rechtsgevolg te horen verklaren;
- de veroordeling van verweerder tot terugbetaling van de bedragen dewelke eiseres zou betaald hebben ingevolge het dwangbevel;
- de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding.

Ontvankelijkheid

1.  Aangaande de verjaring

Eiseres houdt voor dat de vordering van de fiscus is verjaard voor de jaren 1995 en 1996.
Eiseres beroept zich hiervoor op art. 81bis, § 1 W.B.T.W., zoals ingevoegd bij art. 53 van de wet van 15 maart 1999 (B.S., 27 maart 1999) en van toepassing vanaf 6 april 1999, dat voorziet in een verjaringstermijn van 3 jaar.
Art. 81bis, § 1 W.B.T.W. stelt :
«Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak va opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.»
Eiseres houdt evenwel geen rekening met de overgangsbepaling opgenomen in het zevende lid van art. 97 van de wet van 15 maart 1999 (B.S., 27 maart 1999) waarin wordt bepaald :
«De artikelen 81 en 82 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals zij bestonden alvorens zij respectievelijk zijn gewijzigd door de artikelen 52 en 54 van deze wet, blijven van toepassing op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en de administratieve boeten die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999».
De in het proces-verbaal van 09.02.2000 vermelde overtredingen hebben allen plaatsgevonden tijdens de periode van 01.01.1995 tot 31.12.1997. De uiterste indieningstermijn voor de B.T.W.-aangifte met betrekking tot de handelingen van het 4de kwartaal 1997, is vastgesteld op 20 januari 1998, dus vóór 1 januari 1999, zodat bij toepassing van het zevende lid van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 (B.S., 27 maart 1999) inzake de verjaring artikel 81 oud van toepassing is op de in het proces-verbaal van 09.02.2000 vermelde overtredingen.
Art. 81, 1ste lid W.B.T.W. zoals van toepassing van 1 januari 1993 tot 5 april 1999 stelt :
«De vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.»
De verjaringstermijn is dus vijf jaar en niet drie jaar zoals eiseres ten onrechte voorhoudt.
Eiseres is gehouden tot het indienen van periodieke kwartaalaangiften zoals blijkt uit haar B.T.W.-registratie.
Wanneer een belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van een periodieke B.T.W.-aangifte, nalaat een deel van de verschuldigde belasting op te nemen in de regelmatig ingediende B.T.W.-aangifte of in een regelmatig ingediende B.T.W.-aangifte ten onrechte in aftrek gebrachte B.T.W. heeft vermeld, dan wordt de verjaring van de vordering tot voldoening van de ontdoken belasting of de ten onrechte in aftrek gebrachte belasting berekend vanaf de uiterste datum die is vastgesteld voor het indienen van de betwiste aangifte.
In onderhavig geval werd er een B.T.W.-nazicht verricht over de periode van 01.01.1995 tot 31.12.1997, zodat de indieningstermijn van de eerste B.T.W.-kwartaalaangifte van de gecontroleerde periode, nl. het eerste kwartaal van 1995, uiterlijk op 20 april 1995 verstreek.
Bij toepassing van artikel 81, 1ste lid W.B.T.W. zoals van toepassing van 1 januari 1993 tot 5 april 1999 verjaart de vordering door verloop van vijf jaar, dus ten vroegste op 20 april 2000.
Overeenkomstig art. 85 oud W.B.T.W. werd op 23 februari 2000 een dwangbevel uitgevaardigd door de met de invordering belaste ontvanger, dat op 28 februari 2000 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur en bij exploot van A op 3 april 2000 werd betekend aan eiseres.
Dat zodoende de verjaring tijdig en rechtsgeldig werd gestuit overeenkomstig art. 2244 BW.
Rekening houdend met het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de vordering van verweerder voor de jaren 1995 en 1996 niet verjaard is.

2.

Er worden door verweerder geen andere middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.

Ten gronde

1.  Aangaande de toepassing van art. 45, § 2 W.B.T.W.

De betwisting betreft de vraag of eiseres de B.T.W. die zij betaald heeft enerzijds aan de leasingsmaatschappij en anderzijds voor onderhoud en herstellingen van het voertuig Q en de B.T.W. van de facturen betreffende de levering van brandstof volledig in aftrek mag brengen of slechts voor 50 %.

1.1.  Standpunten van partijen

Verweerder is van oordeel dat de Q een voertuig is dat zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kan dienen en niet kan beschouwd worden als een lichte vrachtwagen, zodat de aftrek van de B.T.W. niet hoger mag zijn dan 50 % in toepassing van art. 45, § 2 W.B.T.W.
Verweerder steunt zich hiervoor op de gepubliceerde aanschrijving nr. 10 van 11.09.1987, zoals gewijzigd bij gepubliceerde aanschrijving nr. 25 van 11.12.1990 en op de feitelijke vaststellingen.
Zo voldoet het bewuste voertuig niet aan de bijzondere voorwaarden voor kwalificatie als lichte vrachtwagen zoals bepaald onder nr. 6, 1º van de aanschrijving nr. 10 van 11.09.1987 en onder nr. 3 van de aanschrijving nr. 25 van 11.12.1990.
Verweerder is van oordeel dat uit de vaststellingen van de controleambtenaar, opgenomen in het proces-verbaal van 09.02.2000, blijkt dat :

- het hier gaat om een «voertuig met dubbele cabine» zoals bedoeld in de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 gelet op het feit dat de cabine is uitgerust met twee rijen zetels;
- het voertuig als «voertuig met dubbel cabine» niet voldoet aan de onder nr. 3 van de aanschrijving nr. 25 van 11.12.1990 vermelde criteria 1º en 3º van het gewijzigde nr. 10 van aanschrijving nr. 10 van 11.09.1987.

Het voertuig is niet van het type «pick-up» waarbij de bestuurdersruimte bestaat in een als zodanig gebouwde en stevige en afgesloten constructie, die volledig gescheiden is van de ruimte bestemd voor de goederen. Bedoeld voertuig is niet afgeleid van een gesloten bestelwagen maar wel van een personenwagen type «mono-volume». Bovendien is de goederenruimte uitgerust met ruiten die niet zijn afgedicht.
Eiseres is van oordeel dat zij de B.T.W. die zij betaald heeft enerzijds aan de leasings-maatschappij en anderzijds voor onderhoud en herstellingen ten belope van 100 % in aftrek mag brengen. Ook is zij van oordeel dat zij de B.T.W. van de facturen betreffende de levering van brandstof voor het voertuig volledig in aftrek mag brengen.
Eiseres stelt dat de Q zijnde een voertuig met een dubbele cabine, als lichte vrachtwagen in aanmerking komt voor de volledige aftrek van B.T.W.
Eiseres stelt dat het voertuig op 29.08.1995 werd ingeschreven bij de Directie voor Inschrijving van Voertuigen (D.I.V., Ministerie van Verkeer) als lichte vrachtwagen en dat de Minister derhalve uitdrukkelijk aanvaard heeft dat het voertuig een lichte vrachtwagen is. De andere overheidsdiensten zoals in casu de B.T.W.-administratie dienen met dit gegeven rekening te houden en kunnen de desbetreffende inschrijving niet zomaar negeren. Wanneer alle staatsinstellingen onafhankelijk van elkaar zouden opereren waardoor er verschillende rechtsgevolgen zouden ontstaan, zou dit de rechtszekerheid ondermijnen.
Tevens stelt eiseres dat de door verweerder gehanteerde administratieve aanschrijvingen slechts een in dicatieve waarde hebben en zeker geen bindend karakter hebben naar de rechtsonderhorigen toe. De wettelijke bepalingen staan hiërarchisch hoger dan de aanschrijvingen en deze laatste kunnen geen wijzigingen aanbrengen aan de wet.
Volgens eiseres voldoet haar voertuig van het type Q aan de kwalificatie van lichte vrachtwagen.

1.2.  Principes

Art. 45, § 1 W.B.T.W. legt het principe vast dat de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek mag brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen in de mate dat hij die goederen gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
Art. 45, § 2, 1ste lid W.B.T.W. bepaalt het volgende :
«Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting».
Art. 45, § 2, 1ste lid W.B.T.W. bepaalt een uitzondering op de algemene regel van art. 45, § 1 W.B.T.W. Verweerder moet dan ook het bewijs leveren dat deze uitzondering van toepassing is.

1.3.  Beoordeling

De rechtbank dient thans aan de hand van de wettelijke bepalingen en op basis van de feitelijke vaststellingen na te gaan of verweerder terecht kon oordelen dat de Q onder het toepassingsgebied van art. 45, § 2 W.B.T.W. valt.
De administratie is van oordeel dat het voertuig van eiseres niet als een «lichte vrachtwagen» kan worden aangemerkt en aldus niet kan genieten van een volledige aftrek van B.T.W.
Verweerder verwijst naar de gepubliceerde aanschrijving nr. 10 van 11.09.1987 en de gepubliceerde aanschrijving nr. 25 van 11.12.1990. In deze aanschrijvingen wordt het onderscheid tussen personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen enerzijds en lichte vrachtwagens anderzijds afgelijnd. In de aanschrijving nr. 25 van 11.12.1990 wordt uitdrukkelijk gesteld dat de erin vervatte criteria gemeen zijn aan de B.T.W., aan de inschrijvingsbelasting, aan de verkeersbelasting en aan de materies welke ressorteren onder de bevoegdheid van de minister van verkeerswezen.
Nu het voertuig niet voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in deze aanschrijvingen, kan volgens de administratie eiseres niet genieten van volledige aftrek.
Deze aanschrijvingen zijn uitgewerkt door de uitvoerende macht, niet door de wetgevende macht.
Het is duidelijk dat voormelde aanschrijvingen geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten en daar eventueel aanbevelingen aan vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen. Volgens een vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.
In het W.B.T.W. wordt nergens een omschrijving gegeven van «een lichte vrachtwagen» en van «een auto voor dubbel gebruik» en van «voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen».
In tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt wordt ook geen definitie van lichte vrachtwagen teruggevonden in het thans van kracht zijnde art. 1 van het K.B. van 31.12.1953 betreffende de inschrijving van motorvoertuigen. Het door verweerder geciteerde art. 1, 10º van het K.B. van 31.12.1953 werd immers afgeschaft en vervangen door art. 2 van het K.B. van 11.01.1990 (B.S., 26.01.1990).
Daarentegen wordt in het K.B. van 15.03.1968 betreffende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen wel een omschrijving teruggevonden van lichte vrachtwagen en van auto voor dubbel gebruik.
Art. 1, § 2, 5º van voormeld K.B. van 15.03.1968 omschrijft een lichte vrachtwagen als «elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt».
Art. 1, § 2, 3º van het K.B. van 15.03.1968 definieert een auto voor dubbel gebruik als zijnde «elke auto opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen en zaken die bij het gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen ten hoogste 8 plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder».
De aanschrijving nr. 10 van 11.09.1987 sluit aan bij de definitie van lichte vrachtwagen zoals weergegeven in art. 1, § 2, 5º van het K.B. van 15.03.1968 en definieert een lichte vrachtwagen als «elke auto met een hoogste toegelaten gewicht van niet meer dan 3.500 kg, gebouwd of definitief omgevormd voor het vervoer van goederen en essentieel voor dit doel bestemd».
Het onderscheid tussen een voertuig dat opgevat en gebouwd is voor het vervoer van goederen en een wagen voor dubbel gebruik (goederen- en personenvervoer) waarop de beperking van aftrekbare B.T.W. overeenkomstig art. 45, § 2 W.B.T.W. van toepassing is, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.
De elementen die hierbij van belang zijn om de aard van het voertuig te bepalen zijn o.m. de structuur van het voertuig, de aanwezigheid van één of meerdere rijen zetels, de oppervlakte van de laadvloer, de onmo gelijkheid om zetels en gordels in de laadruimte te voorzien en de afscheiding van passagiers- en laadruimte.
Door de controleambtenaar werden de volgende vaststellingen in verband met dit voertuig weergegeven in het proces-verbaal van 09.02.2000 :

1) Het betreft een voertuig dat ogenschijnlijk is afgeleid van het voertuig Q, een personenwagen van het type dat wordt aangeduid als «mono-volumewagen» en dat duidelijk niet van het type «pick-up» is, waarbij de bestuurdersruimte bestaat in een als zodanig gebouwde stevige en afgesloten constructie, volledig gescheiden van de ruimte bestemd voor goederen. Evenmin kan gesteld worden dat de bestuurdersruimte, aldus verbouwd tot een stevige en afgesloten constructie, volledig gescheiden van de ruimte bestemd voor de goederen, werd afgeleid van een gesloten bestelwagen.
2) Het voertuig is vooraan uitgerust met twee rijen zetels, waarvan de eerste rij zitplaatsen biedt aan 2 personen en de tweede rij zitplaats biedt aan 3 personen.
3) Achter de tweede rij zetels en hiervan gedeeltelijk afgescheiden door een niet-wegneembaar tussenschot van ogenschijnlijk 20 cm hoogte, bevindt zich een niet-wegneembare vlakke laadvloer.
4) In de laadruimte kunnen geen zetels of zitbanken geplaatst worden.
5) Ter hoogte van de laadruimte zijn er zijruiten. Deze zijruiten zijn niet afgedicht.

Op grond van de feitelijke vaststellingen is het duidelijk dat het hier een voertuig betreft dat zowel geschikt is voor personenvervoer als voor goederenvervoer. Het voertuig heeft duidelijk een dubbele functie aangezien het geschikt is voor de activiteit van binnenhuisinrichting, hetgeen impliceert dat men zowel de te installeren meubelen als het daartoe vereiste personeel kan ter plaatse brengen. Het voertuig is uitgerust met 2 rijen zetels zodat de oppervlakte van de passagiersruimte vrij aanzienlijk is. Verder is de passagiersruimte ook niet ontstaan uit de verbouwing van een gesloten bestelwagen. Het kwestieus voertuig is m.a.w. niet hoofdzakelijk opgevat en gebouwd voor het vervoer van goederen.
Derhalve is de rechtbank van oordeel dat eiseres ten onrechte voorhoudt dat zij recht heeft op de volledige aftrek van de B.T.W.
De rechtbank kan niet voorbijgaan aan het feit dat het door eiseres aangekochte voertuig op 29.08.1995 bij de D.I.V. werd ingeschreven als lichte vrachtwagen, dat het voertuig op het gelijkvormigheidsattest en het keuringsbewijs werd omschreven als lichte vrachtwagen.
De rechtbank meent evenwel dat eiseres ten onrechte voorhoudt dat ingevolge de inschrijving bij de D.I.V. als lichte vrachtwagen, de B.T.W.-administratie gehouden is deze kwalificatie van het voertuig te aanvaarden.
De enige wijze om uit te maken of een voertuig als lichte vrachtwagen kan worden beschouwd en of het voertuig niet zou kunnen gebruikt worden voor zowel personen- als goederenvervoer, is door de feitelijke toestand te onderzoeken. De inschrijving van het voertuig bij het D.I.V. als lichte vrachtwagen is hierbij niet doorslaggevend, nu de inschrijving op zich geen bewijs levert dat het voertuig niet zou kunnen gebruikt worden voor zowel personen- als goederenvervoer.
Vanuit dat standpunt beschouwd, is het inzake de aftrekregeling van de B.T.W. uiteindelijk zonder belang dat de D.I.V. ingevolge gewijzigde instructies, die zijn ingegaan op 01.01.1996, het kwestieuze voertuig niet langer inschrijft als lichte vrachtwagen en de goedkeuring als voertuig met dubbele cabine vanaf die datum werd ingetrokken.
Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat eiseres voor wat betreft de aftrekregeling van de B.T.W. niet zonder meer kon voortgaan op het feit dat het door haar geleasde voertuig door de D.I.V. als een lichte vrachtwagen werd gekwalificeerd.
Enkel indien de B.T.W.-administratie zelf gedurende een zekere tijd de kwalificatie van lichte vrachtwagen aan het kwestieuze voertuig had gegeven, zou eiseres het rechtszekerheidsbeginsel hebben kunnen inroepen. In dat verband heeft het Hof van Cassatie immers beslist dat het recht op rechtszekerheid o.m. inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid (zie Cass., 27.03.1992, Arr. Cass., 1991-92, 727; B.T.W.-Revue, 1995, 815; Fisc. Koer., 1992, 374; Pas., 1992, I, 650).
In voorliggend geschil kan bezwaarlijk worden gesteld dat er een vaste en reeds jaren geldende gedrags- of beleidsregel van de B.T.W.-administratie voorhanden was, die erin bestond dat het kwestieuze voertuig op het vlak van de B.T.W. werd gekwalificeerd als een lichte vrachtwagen. Integendeel, de B.T.W.-administratie heeft na controle en onderzoek de foutieve kwalificatie onmiddellijk rechtgezet.
Derhalve komt de rechtbank tot het besluit dat het verzet van eiseres ongegrond dient te worden verklaard.

2.  Aangaande de toepassing van art. 45 W.B.T.W. en de artikelen 5 en 8 K.B. nr. 3 van 10 december 1969

Eiseres had een herziening van de aftrekbare B.T.W. i.v.m. de kosten van het voertuig Q opgenomen in rooster 62 van de periodieke B.T.W.-aangifte t.b.v. 14.292 fr. (€ 354,29).
Verweerder was van oordeel dat de herziening van de aftrekbare B.T.W. i.v.m. de kosten van het voertuig Q ten onrechte werd verricht voor een bedrag van 13.838 fr. (€ 343,04) vermits de belastingplichtige de betaalde B.T.W. met betrekking tot de leasing, het onderhoud en de herstellingen en de brandstofkosten steeds voor 100 % in aftrek heeft gebracht en deze herziening verder niet heeft gestaafd door een verwijzing naar de toepasselijke wetsbepaling en door de voorlegging van bewijskrachtige stukken.
In huidige stand van het geding vordert eiseres dat de verwerping van de herziening door verweerder zou worden afgewezen doch stelt niet op basis van welke grond en brengt geen bijkomende stukken bij.
De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.

3.  Aangaande de toepassing van art. 19. § 1 W.B.T.W.

De controle-ambtenaar stelde vast dat de zaakvoerder van eiseres het voertuig Q voor privédoeleinden heeft gebruikt en heeft derhalve in toepassing van art. 19, § 1 W.B.T.W. een belasting geheven op het voordeel in natura dat de zaakvoerder heeft genoten.
Dit voordeel werd berekend uitgaande van 5.000 km verreden per jaar voor privé-doeleinden.
Art. 19, § 1 W.B.T.W. stelt :
«Met een dienst verricht onder bewarende titel wordt gelijkgesteld, het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed, voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of, meer algemeen voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan».
Vermits de gewone regels inzake art. 19, § 1 W.B.T.W. evenzeer gelden voor de goederen waarvoor een aftrekbeperking van B.T.W. geldt, is dit bijgevolg in bijzonderheid ook het geval voor de autovoertuigen zoals bedoeld in art. 42, § 2 W.B.T.W., zoals in huidig geschil het geval is.
Art. 45, § 2 W.B.T.W. beperkt de aftrek van B.T.W. tot 50 %.
In zoverre evenwel het gebruik voor andere doeleinden dan de economische activiteit van de belastingplichtige de 50 % van het totale gebruik van het voertuig niet overtreft, is er geen aanleiding tot heffing van de B.T.W. op grond van art. 19, § 1 W.B.T.W.
Verweerder is van oordeel dat eiseres slechts 5.000 km per jaar het voertuig voor privé-gebruik heeft aangewend en bewijst niet dat dit gebruik 50 % van het totale gebruik van het voertuig overschrijdt, zodat ten onrechte toepassing werd gemaakt van art. 19, § 1 W.B.T.W.
De vordering van eiseres is op dit punt gegrond.

4.  Aangaande de geldboete

Eiseres werd in toepassing van art. 70, § 1 en § 1 bis W.B.T.W. en art. 1 en 4, § 1 van het K.B. nr. 41 van 30.01.1987 een verminderde geldboete opgelegd ten bedrage van 5.200 fr (128,90 euro).
Ingevolge de arresten van het Arbitragehof van 24.02.1999 en 12.06.2002 moet worden aangenomen dat de rechter met volle rechtsmacht kan oordelen over de door de administratie opgelegde B.T.W.-boete en dat art. 70 van het Wetboek B.T.W. deze interpretatie ook toelaat ( R.W., 1998-99, 1346).
Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter de rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding d.w.z. de boete aan te passen aan de concrete omstandigheden van de zaak. De belastingplichtige moet de opgelegde sanctie kunnen laten controleren door een rechterlijke instantie. De rechter mag weliswaar geen loutere redenen van opportuniteit of billijkheid laten gelden om de belastingplichtige te bevrijden van wettelijk opgelegde verplichtingen (zie Cass., 05.02.1999, T.F.R., 1999, nr. 99/44, tweede middel).
Eén en ander impliceert dat de uiteindelijk verschuldigde boete in verhouding moet staan met de concrete gegevens van de zaak.
Naar oordeel van de rechtbank is de boete in onderhavig geval onevenredig met de door eiseres gepleegde overtredingen, m.n. omdat eiseres, die volledig te goeder trouw was, in verwarring werd gebracht door een beslissing van een andere overheidsinstelling (D.I.V.).
In de gegeven omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres geen enkele geldboete moet opgelegd krijgen.

***

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Om deze redenen :
De Rechtbank, rechtdoende op tegenspraak :
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 23.02.2000 ontvankelijk en in de hierna vermelde mate gegrond.
Verklaart het dwangbevel van 23.02.2000, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur der B.T.W., registratie en domeinen op 28.02.2000 onwettig in de mate dat het betrekking heeft op de in toepassing van art. 19, § 1 W.B.T.W. gevorderde B.T.W. en de geldboete en verbiedt in die mate de uitvoering van het dwangbevel, zulks wat betreft de B.T.W., geldboete, alsook de moratoire intresten op de wijze zoals opgenomen in het dwangbevel conform art. 91 § 4 van het Wetboek B.T.W.
Beveelt de terugbetaling van hetgeen uit oorzaak van hoger vermeld dwangbevel wederrechtelijk zou zijn betaald.
Wijst eiseres af van het meergevorderde.
Veroordeelt beide partijen elk tot de helft van de kosten en begroot de kosten als volgt :
In hoofde van eiseres op :
-  € 81,53 zijnde dagvaardingskosten;
-  € 344,66 zijnde rechtsplegingsvergoeding.
In hoofde van verweerder op :
-  € 344,66 zijnde rechtsplegingsvergoeding.