Jugement du Tribunal de première instance de Louvain dd. 12.10.2007

Date :
12-10-2007
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
6 pages
Section :
Régulation
Type :
Belgian justice
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Habitation modeste,Force majeure,Amende en raison de la notification d'une contrainte

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Jugement du Tribunal de première instance de Louvain dd. 12.10.2007
Jugement du Tribunal de première instance de Louvain dd. 12.10.2007
Document
Content exists in : fr nl

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Belgian justice
Title : Jugement du Tribunal de première instance de Louvain dd. 12.10.2007
Tax year : 0
Document date : 12/10/2007
Keywords : Habitation modeste / Force majeure / Amende en raison de la notification d'une contrainte
Document language : FR
Modification date : 11/12/2007 11:38:45
Name : LE1 07/4
Version : 1

ARRET LE1 07/4


Jugement du Tribunal de première instance de Louvain dd. 12.10.2007



Habitation modeste - Force majeure - Amende en raison de la notification d'une contrainte

EE/BW 5303

    L'acquéreur d'une habitation modeste invoque le fait que suite à sa maladie (mal de dos) et à l'incapacité de travail concomitante, au besoin de soins et à l'impossibilité d'exécuter des travaux d'embellissement à l'habitation acquise, il est resté habiter chez ses parents et il n'a pu prendre son inscription dans les registres de la population.

    Il est question de force majeure lorsque, par un événement imprévisible, indépendant de la volonté de l'acquéreur, ce dernier ne peut prendre son inscription dans les registres de la population.

    La charge de la preuve de la force majeure incombe à celui qui l'invoque.

    Rien ne démontre que l'acquéreur ait exécuté ou fait exécuter des travaux d'embellissement à la maison. On ne peut pas tenir compte du fait que des travaux d'embellissement devaient être exécutés.

    Rien ne démontre également que durant la période où il était apte au travail, l'acquéreur ait eu un tel besoin de soins à un point qu'il ne pouvait pas habiter seul. Pendant ces périodes, rien ne l'a empêché de déménager et de s'inscrire à l'adresse du bien acquis.

    La force majeure n'est pas admise par le Tribunal mais le Tribunal annule effectivement la contrainte dans la mesure où l'amende est majorée de 50 % en raison du recouvrement, par voie de contrainte, des droits complémentaires et de l'accroissement.

    Le tribunal considère en résumé que l'accroissement a été appliqué pour éviter des procédures téméraires de la part des redevables. Selon le Tribunal, il n'y a pas d'abus dans le chef de la partie adverse.



RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN.

AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK.

12de kamer.

Vonnis : 12 oktober 2007.

Eindvonnis.

De Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, twaalfde kamer, spreekt het volgende vonnis uit.

Rolnummer : 06/1664/A

In de zaak van

W. J.-L. W., dakwerker, wonende te R.

- eiser, ter zitting vertegenwoordigd door meester D. loco meester D. M., advocaat te H. en loco meester T., advocaat te B.

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT
, in de persoon van de heer Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door mevrouw de Ontvanger der Registratie en Domeinen, thans e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur, met kantoor te 3150 Haacht, Remi Van de Sandelaan 2

2. DE BELGISCHE STAAT,
in de persoon van de heer Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Gewestelijke Directeur Registratie te Hasselt met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 41-45

- verweersters, ter zitting vertegenwoordigd door meester C. M. loco meester
de N. E., advocaat te L.

------------------

I. PROCEDURE

De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 14 september 2007 in beraad werd genomen.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

- het dwangbevel inzake registratierechten op 19 juni 2006 betekend aan eisers ;

- het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 24 augustus 2006 ;

- de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken ;

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 14 september 2007.

II. FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING

J.-L. W. (hierna : eiser) kocht bij akte verleden voor notaris L. te R. op 14 februari 2000 een onroerend goed gelegen te R. deelgemeente W. Het kadastraal inkomen bedroeg 16.700 BEF (thans 413,98 euro) en er werd een registratierecht van 6 % geheven (klein beschrijf).

Bij schrijven d.d. 19 mei 2004 schreef de administratie aan eiser dat hij niet voldaan had aan de voorwaarde om binnen de 3 jaar het onroerend goed te bewonen zodat de registratierechten dienen geheven te worden aan 12,5 %. De bijrechten bedragen 8.056,54 euro en eiser is een boete verschuldigd van 2.390,00 euro.

De advocaat van eiser antwoordde hierop dat eiser, kort na de aankoop, ernstig ziek geworden was, verschillende delicate operaties aan de rug heeft dienen te ondergaan en in die omstandigheden niet alleen kon gaan wonen. Hij heeft terug zijn intrek bij zijn ouders moeten nemen die hem verzorgen. In een schrijven d.d. 9 juli 2004 van de advocaat van eiser wordt verduidelijkt dat hij bij zijn ouders woonde, verfraaiingswerken wilde uitvoeren, maar dit diende uit te stellen. Hij werd op 13 februari 2003 aan zijn rug geopereerd.

Bij schrijven d.d. 3 augustus 2004 liet de administratie weten geen kwijtschelding wegens overmacht te kunnen verlenen.

Op 31 mei 2006 werd een dwangbevel uitgevaardigd voor 8.056,54 euro als bijrechten, 3.520,00 euro als vermeerdering, vermeerderd na betekening van het dwangbevel tot 5.280,00 euro, te verhogen met de wettelijke intrestvoet tegen 7 % vanaf de betekening van het dwangbevel. Dit dwangbevel werd op 19 juni 2006 betekend met bevel tot betalen.

Eiser is sedert 21 juni 2004 ingeschreven te R.

De vordering strekt ertoe te horen zeggen dat het dwangbevel d.d. 19 juni 2006 nietig is, dat eiser de erin gevorderde bedragen niet verschuldigd is en verweerster te horen veroordelen tot terugbetaling van alle in uitvoering van dit dwangbevel betaalde of nog te betalen sommen, vermeerderd met de moratoire intresten vanaf de dag van betaling en wettelijke intresten vanaf het ogenblik van de dagvaarding.

III. BEOORDELING

1. Het verzoekschrift werd tijdig neergelegd en de vordering is ontvankelijk.

2. Het verlaagd tarief van artikel 53, 2° Wetboek der registratierechten is slechts van toepassing als de akte, of een door de verkrijger gewaarmerkte en ondertekende verklaring onderaan op de akte uitdrukkelijk vermeldt dat de verkrijger of zijn echtgenoot zijn inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed zal bekomen (artikel 55, eerste lid, 2° d. Wetboek der registratierechten).

Artikel 60, tweede en derde lid, van het Wetboek de registratierechten bepaalt :

Het voordeel van de in artikel 53, 2° bedoelde vermindering blijft alleen dan behouden zo de verkrijger of zijn echtgenoot ingeschreven is in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed. Deze inschrijving moet geschieden binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van verkrijging en ten minste drie jaar zonder onderbreking behouden blijven.

Evenwel blijft de verlaging verkregen zo niet-nakoming van die voorwaarden het gevolg is van overmacht.

3. Overmacht is volgens de definitie van rechtsleer en de rechtspraak een onvoorzienbare en niet afwendbare gebeurtenis, waardoor het naleven van een verbintenis of verplichting onmogelijk wordt gemaakt. Met begrip overmacht onderstelt steeds het samenbestaan van drie factoren :

a) een onvoorzienbare gebeurtenis ;

b) die niet afwendbaar is en derhalve niet gepaard gaat met een aan de schuldenaar
toerekenbare nalatigheid of gebrek aan voorzichtigheid ;

c) die tenslotte een onoverkomelijke hinderpaal uitmaakt voor het naleven van de
verbintenis (WERDEFROY, F., Registratierechten 2006-2007, 914 e.v.).

De ziekte van de verkrijger of van zijn echtgenoot kan gebeurlijk ook als een geval van overmacht ingeroepen worden voor de verplichting de aangekochte of opgerichte woning te betrekken binnen de door de wet voorgeschreven termijn. Het zal echter duidelijk uit de omstandigheden moeten blijken dat de ziektetoestand nog niet bestond bij de aankoop en dat deze redelijk beschouwd de voorgeschreven bewoning heef onmogelijk gemaakt (WERDERFROY. F., I.c., nr. 794).

4. Om toepassing te kunnen maken van het verlaagd tarief dient de verkrijger, uitdrukkelijk te verklaren dat hij zijn inschrijving in de bevolkingsregisters zal nemen. Hij gaat hiermee een verbintenis aan die hij, om van het verlaagd tarief te kunnen blijven genieten, dient na te leven.

Wanneer het voorzienbaar is dat er omstandigheden zijn die hem zullen beletten om zijn inschrijving in de bevolkingsregisters te nemen, is de verkrijger niet te goeder trouw indien hij toch verklaart dat hij zijn inschrijving in de bevolkingsregisters zal nemen.

5. Het Grondwettelijk Hof (voorheen Arbitragehof) oordeelde in het arrest nr. 155/2003 van 26 november 2003 dat het ongrondwettelijk is om de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing te weigeren aan de eigenaars van wie het gebouw leegstaat om redenen die onafhankelijk zijn van hun wil.

Hiermee rekening houdend dient het begrip overmacht dan ook soepel te worde geïnterpreteerd. Er is sprake van overmacht als, door een onvoorzienbar omstandigheid, onafhankelijk van de wil van de verkrijger, deze laatste zijn inschrijving niet in de bevolkingsregisters kan nemen.

6. In de voorliggende zaak beroept eiser zich op het feit dat hij ingevolge ziekte (rugpijnen de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid, noodzaak van verzorging en de onmogelijkheid verfraaiingswerken uit te voeren aan de aangekochte woning, bij zijn ouders is blijven wonen en zijn inschrijving niet kon nemen in de bevolkingsregisters.

7. De bewijslast van de overmacht rust op eiser.

8. Uit niets blijkt dat eiser verfraaiingswerken heeft uitgevoerd of laten uitvoeren aan de woning. Met het feit dat verfraaiingswerken dienden te worden uitgevoerd kan geen rekening worden gehouden.

9. De woning werd aangekocht op 14 februari 2000.

In een schrijven van 11 september 2000 van dokter S. wordt geschreven dat " Patiënt kwam raadplegen wegens rugpijnklachten welke recidiverend optreden sedert een jaar." Eiser volgde kinesitherapiebehandelingen in de periode september - december 2000.

Het volgend medisch attest dat wordt neergelegd dateert van 6 augustus 2001 (schrijven d.d. 6 augustus 2001 van dokter S.). Hierin is sprake van het feit dat eiser al jaren last heeft van aanhoudende lage rugpijn, meest uitgesproken bij het zitten. Sinds een drietal dagen heeft hij acute pijn en kan hij praktisch niet zitten of staan. Blijkbaar is eiser dan arbeidsongeschiktheid geweest vanaf de tweede week van augustus 2001 tot 11 februari 2002 (zie stuk 7, tweede stuk, en de periodes aldaar vermeld onder "ARBONG").

Voor het jaar 2002 worden stukken bijgebracht waaruit blijkt dat hij in de periode februari - april kinesitherapiebehandelingen onderging.

Eiser was daarna terug arbeidsongeschiktheid vanaf 9 januari 2003 en onderging (als de rechtbank stuk 7, tweede stuk goed begrijpt) een heelkundige ingreep op 15 februari 2003. Hij was arbeidsongeschikt tot 13 april 2003.

10. Uit dit overzicht blijkt dat eiser, in de drie jaren volgend op de aankoopakte, arbeidsongeschikt was van de tweede week van augustus 2001 tot 11 februari 2002 of 7 maanden en daarna terug vanaf 9 januari 2003.

Tijdens de drie jaren volgend op de aankoopakte was hij 8 maanden arbeidsongeschikt.

Uit niets blijkt dat hij in de periode dat hij niet arbeidsongeschikt was zodanige verzorging nodig had dat hij niet alleen kon wonen en verzorging van zijn ouders nodig had.

Eiser toont dan ook niet aan dat hij in de periode van februari 2000 tot augustus 2001 en van februari 2002 tot januari 2003 niet in de mogelijkheid was zijn inschrijving in de bevolkingsregisters te nemen op het adres van de aangekochte woning. Hij was tijdens die periodes arbeidsgeschikt, zodat niets hem belette te verhuizen, zijn intrek in de aangekochte woning te nemen en zich in de bevolkingsregisters in te schrijven op dit adres. Zelfs indien hij tijdens de periodes van arbeidsongeschiktheid verzorging nodig had en tijdelijk bij zijn ouders moest verblijven om zich te laten verzorgen, belette dit hem niet om zijn inschrijving te behouden in de bevolkingsregisters op het adres van de aangekochte woning.

11. Eiser toont niet aan dat hij redelijkerwijze genomen zijn inschrijving niet kon nemen in de bevolkingsregisters op het adres van de aangekochte woning binnen de drie jaar na de aankoop.

De administratie heeft terecht geoordeeld dat eiser het genot van de verlaagde registratierechten niet kon behouden.

12. Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat het, voor de beoordeling van de zaak, niet nodig is de door eiser voorgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

13. Een deskundig onderzoek is eveneens overbodig. Eiser draagt de bewijslast en is in staat alle gegevens in verband met zijn gezondheldstoestand aan de rechtbank over te maken. Niets belette hem om een verslag te laten opmaken door een door hen aangestelde geneesheer. Nu eiser, aan de hand van de door hem overgelegde stukken zelfs niet aannemelijk maakt dat in de periode 2000-2003 een rugkwaal een onoverkomelijke hinderpaal vormde om de verhuizing naar de woning te R. te organiseren, en het tegendeel zelfs uit de stukken blijkt, is het overbodig een deskundige aan te stellen.

14. De vermeerdering van de rechten berekend aan de wettelijke intresten op de aanvullende rechten vanaf de datum van registratie tot de datum van betaling is niet onevenredig met de begane inbreuk.

15. Deze vermeerdering ten bedrage van 3.520,00 euro werd door de administratie nog eens vermeerderd met 50 % omdat de aanvullende rechten en vermeerdering diende te worden ingevorderd met een dwangbevel.

Deze vermeerdering wordt enkel gemotiveerd met een verwijzing naar artikel 13 van het Koninklijk Besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie en " dat alle minnelijke pogingen tot in ontvangstname van de nog verschuldigde sommen [...] zonder gevolg gebleven zijn."

16. In beginsel heeft iedereen het recht om een geding door de rechter te laten beslissen. De uitoefening van dit recht mag niet gehinderd worden door een regel waarbij de loutere uitoefening van dit recht gesanctioneerd wordt met een boete. Dit recht mag wel worden beperkt, inzonderheid om vormen van misbruik te bestrijden;

Artikel 13 van het Koninklijk Besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratierechten moet dan ook in die zin worden uitgelegd dat de erin vermelde verhoging van de geldboete ertoe strekt, in het algemeen belang, procedures te vermijden vanwege belastingplichtigen die geen voldoende redenen hebben om niet vrijwillig de belastingschuld te betalen (Vergelijk Cass., 25 april 2002, rol nr. C000464N, www.juridat.be, met betrekking tot een gelijkaardige bepaling inzake btw).

De rechter dient dit na te gaan en te beoordelen.

In de voorliggende zaak heeft eiseres niet aangevoerd, laat staan aangetoond, dat er in hoofde van eiser sprake zou zijn van enig misbruik.

Nadat de administratie eiser in gebreke had gesteld wegens het niet nakomen van de verplichting om zich in te schrijven in de bevolkingsregisters op het adres van de aangekochte woning, heeft eiser bij monde van zijn advocaat gereageerd. Hij heeft zich beroepen op overmacht.

De administratie aanvaardde de overmacht niet

De toepassing van een vermeerdering omdat een dwangbevel werd uitgevaardigd betekent in de voorliggende zaak enkel dat een vermeerdering wordt toegepast omdat eiser zich niet neerlegt bij het standpunt van de administratie en het geschil wenst te laten beslechten door de rechtbank. Van enig misbruik in hoofde van eiser is geen sprake zodat deze boete niet kan worden opgelegd.

17. Artikel 223 Wetboek van registratierechten bepaalt dat de moratoire interesten op de in te vorderen of terug te geven sommen zijn verschuldigd naar de voet en de regelen in burgerlijke zaken vastgesteld.

De betaling geschiedde nadat het verzoekschrift werd neergelegd waarbij om terugbetaling gevraagd werd. De intresten kunnen worden toegekend vanaf datum van betaling.

1. Krachtens artikel 225bis Wetboek van registratierechten schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg. De vordering is ontvankelijk.

De vordering is enkel gegrond in zoverre zij betrekking heeft op de vermeerdering van de aanvankelijke vermeerdering van 3.520,00 euro met 50 % tot 5.280,00 euro.

De rechtbank vernietigt het dwangbevel in de mate dat de vermeerdering van 3.520,00 euro verhoogd werd tot 5.280,00 euro en beveelt de terugbetaling van hetgeen teveel werd geïnd, vermeerderd met de intresten vanaf datum van betaling.

De rechtbank wijst al het anders of meergevorderde als ongegrond af.

De rechtbank veroordeelt eiser tot 2/3 en verweerster tot 1/3 van de kosten en stelt deze als volgt vast :

- voor eisende partij: 364,41 euro (rechtsplegingsvergoeding)

- voor verwerende partij: 364,41 euro (rechtsplegingsvergoeding)

Dit vonnis is uitgesproken in eerste aanleg tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op vrijdag 12 oktober 2007.

De rechtbank bestond uit :

De heer L. W., alleenzetelend rechter.

Mevrouw J. C., griffier.