Question n° 10 de Mme Hoebeke dd. 19.10.2005
- Section :
- Régulation
- Type :
- Parliamentary questions
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Précompte immobilier,Perception annuel
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Question n° 10 de Mme Hoebeke dd. 19.10.2005
Document
Search in text:
Properties
Document type : Parliamentary questions Title : Question n° 10 de Mme Hoebeke dd. 19.10.2005 Tax year : 0 Document date : 19/10/2005 Document language : FR Modification date : 29/12/2006 09:43:37 Name : 05/010 Version : 1 Question asked by : Hoebeke
QUESTION 05/010 Question n° 10 de Mme Hoebeke dd. 19.10.2005 Questions et Réponses, Parlement Flamand, n° 3 - décembre 2005, p. 191-192 Précompte immobilier - Perception annuel La question parlementaire n'existe qu'en flamand. VRAAG Ik verneem dat er hier en daar problemen zouden bestaan bij de inning van de onroerende voorheffing. Meer bepaald bij handelshuur. Bij de verhuring van winkels is het in de praktijk dikwijls zo dat de onroerende lasten volledig of gedeeltelijk voor rekening komen van de huurder. Het probleem dat zowel voor de huurder als eigenaar/verhuurder rijst, is dat er blijkbaar in sommige gevallen een onregelmatige inning is van de onroerende voorheffing en dat de lasten voor drie jaar in één en hetzelfde jaar betaald moeten worden. Dit heeft uiteraard tot gevolg dat de huurder een veel hoger bedrag in één keer moet betalen. Een jaarlijkse inning zou hier dan ook veel beter zijn. Bovendien kan de huurder bij een jaarlijkse inning het betaalde bedrag ook effectief elk jaar fiscaal inbrengen. Ook voor de eigenaar/verhuurder is een jaarlijkse inning die enkel betrekking heeft op één jaar, veel interessanter. Indien het samengevoegde bedrag voor verschillende jaren moet worden betaald, komt dit fiscaal gezien bij zijn inkomen van dat jaar en komt hij in een hogere belastingschaal terecht. Kortom, een jaarlijkse inning van onroerende voorheffing die betrekking heeft op één aanslagjaar, is voor alle betrokken partijen interessanter. 1. Klopt het dat in sommige gevallen de inning van onroerende voorheffing betrekking heeft op verschillende jaren? Zo ja, wat is de reden daartoe? Is dit overal in Vlaanderen het geval? 2. Worden er initiatieven genomen om dit probleem op te lossen en te komen tot een jaarlijkse inning die enkel betrekking heeft op één jaar? ANTWOORD (van de heer Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening) 1. Elk aanslagbiljet onroerende voorheffing heeft slechts betrekking op één enkel aanslagjaar. Het aanslagjaar staat steeds uitdrukkelijk vermeld. De inning van de onroerende voorheffing heeft dus nooit betrekking op verschillende aanslagjaren. Wel is het zo dat een aanslag in de onroerende voorheffing conform artikel 354 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 mag gevestigd worden gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het aanslagjaar: vb. een aanslag voor aanslagjaar 2003 mag gevestigd worden tot 31 december 2005. Zodoende is het mogelijk dat een belastingplichtige in hetzelfde kalenderjaar de aanslagbiljetten onroerende voorheffing voor verschillende aanslagjaren ontvangt. In gewone omstandigheden worden quasi alle aanslagbiljetten (meer dan 95 %) van een aanslagjaar evenwel verstuurd in de periode mei - oktober van het aanslagjaar zelf. Wanneer er een bezwaarschrift werd ingediend, wordt soms gewacht tot er een administratieve beslissing over het bezwaarschrift is genomen alvorens aanslagbiljetten voor volgende aanslagjaren verstuurd worden. Dit is het geval indien het resultaat van het bezwaaronderzoek gevolgen heeft voor het opstellen van toekomstige aanslagbiljetten. De Belastingdienst voor Vlaanderen wil zo vermijden dat opnieuw foutieve aanslagbiljetten verstuurd worden. Aanslagbiljetten die betrekking hebben op vorige aanslagjaren, bv. deze die ten gevolge van een bezwaarschrift een tijdje geblokkeerd werden, worden gebundeld in een apart kohier en worden pas verzonden nadat het normale verzendschema van het recentste aanslagjaar is afgewerkt. Uit het feit dat de Belastingdienst de verzending van het lopende aanslagjaar niet wil verstoren, blijkt duidelijk de bekommernis om de aanslagbiljetten jaarlijks binnen dezelfde periode te versturen. Daarnaast komt het soms ook voor dat aanslagbiljetten initieel binnen het normale jaarlijkse verzendschema verstuurd worden, maar dat deze niet kunnen afgeleverd worden door de post, vb. wegens verhuis, overlijden, … In het verleden is het gebeurd dat de herverzending van dergelijke aanslagbiljetten enige tijd op zich liet wachten. Het opzoeken van de juiste adressen heeft te lijden gehad onder de grote bezwaarstroom van de eerste jaren. De bezwaarafhandeling werd prioritair geacht, waardoor de behandeling van deze "retourdossiers" pas in een latere fase werd aangevat. Er zijn geen regionale verschillen. 2. Contractueel is voorzien dat de outsourcer Cipal 95,5 % van de aanslagbiljetten voor 31 oktober van het aanslagjaar dient te versturen. De "retourdossiers" die zoals reeds gezegd, enige tijd met een lagere prioriteit behandeld werden omwille van de vele bezwaarschriften, worden momenteel door de Belastingdienst voor Vlaanderen behandeld binnen de contractueel afgesproken behandeltermijn van 9 maanden. Aangezien het aantal bezwaarschriften jaarlijks vermindert, slinkt ook de gemiddelde behandeltermijn, waardoor voormelde situaties zich steeds minder voordoen. Vermits het om stilaan uitdovende uitzonderingssituaties gaat, acht ik het dan ook niet nodig om speciale maatregelen te nemen of bijkomende richtlijnen uit te vaardigen. |
|||||||