Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 26.03.2003
- Section :
- Régulation
- Type :
- Belgian justice
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Rechtbank van Eerste aanleg,Voorwerp van de vordering,Uitbreiding van de vordering bij conclusie
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||||||||||
|
Home >
Advanced search >
Search results > Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 26.03.2003
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 26.03.2003
Document
Search in text:
Properties
Document type : Belgian justice Title : Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 26.03.2003 Tax year : 2005 Document date : 26/03/2003 Document language : NL Name : A1 03/7 Version : 1
ARREST A1 03/7 Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 26.03.2003 FJF 2003/246 Rechtbank van Eerste aanleg - Voorwerp van de vordering - Uitbreiding van de vordering bij conclusie Wanneer de belastingplichtige enerzijds in het inleidend verzoekschrift en in eerste en tweede besluiten enkel de ontheffing van de aanslagen vordert en anderzijds in synthesebesluiten (in hoofdorde) de vernietiging van de aanslagen, wordt het voorwerp van de vordering uitgebreid in de loop van het geding, waarvan de toelaatbaarheid moet beoordeeld worden naar de norm van artikel 807 van het Ger. W. Vermits in de gedinginleidende akte de betwisting werd opgeworpen van de aldaar omschreven belastingaanslagen en vermits dit in de synthesebesluiten van de belastingplichtige niet anders blijkt te zijn, stelt de rechtbank vast dat er weliswaar een uitbreiding van het voorwerp van de vordering van ontheffing naar vernietiging is geschied, maar dat zulks binnen de toelaatbaarheidsnorm van artikel 807 van het Ger. W. is gebleven. In het kader van een indiciaire taxatie vereist de wet enkel dat de belastingplichtige de beschikking over de nodige middelen bewijst en niet dat die middelen ook effectief werden aangewend ter verantwoording van het berekende indiciaire tekort. Enig rechter: M. Boeynaems Advocaten: Mr. Van Roosbroeck, Mr. Van Reusel loco Mr. Baert E.P. tegen de Belgische Staat , Ministerie van Financiën, Administratie der Directe Belastingen, Gewestelijke Directie Antwerpen I Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro. Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 26 februari 2003. *** Gegevens en voorgaandeEiser diende tijdige geldige aangiftes in voor de personenbelasting voor aanslagjaren 1995 en 1996, en hij gaf daarbij onroerende inkomsten aan, naast ook inkomsten als werkend vennoot.Na eerste aangifteconforme aanslagen op 21 mei 1996 voor aanslagjaar 1995 respectievelijk op 21 april 1997 voor aanslagjaar 1996, volgde er op 2 juli 1997 een gezamenlijk bericht van wijziging van aangiftes, met weergave van het voornemen om eiser voor elk van de vermelde jaren te belasten onder aanwending van het bewijsmiddel van tekenen en indiciën. Bij gebrek aan enig antwoord werd het bericht van wijziging op 20 augustus 1997 vervangen door een gezamenlijke kennisgeving van aanslag van ambtswege, die verwees naar de inhoud van het eerdere wijzigingsbericht. Ook hier volgde er geen antwoord, zodat voor elk van de betrokken aanslagjaren een supplementaire aanslag werd gevestigd, met name op 18 november 1997 voor aanslagjaar 1995 (artikel 778609186 gemeente Antwerpen), respectievelijk op dezelfde datum voor aanslagjaar 1996 (artikel 778590658 gemeente Antwerpen). Deze aanslagen behelsden telkens tegelijk een vermeerdering wegens het niet hebben verricht van voorafbetalingen. Namens eiser werd er voor beide jaren tijdig, gemotiveerd en gedetailleerd bezwaar ingediend onder bijvoeging van documenten (stukken 14 en 15 verweerder). Met beslissing van 16 juni 1999 (referte 010198/10555 + 10556) kende een gedelegeerd ambtenaar van de gewestelijk directeur een gedeeltelijke ontheffing toe, en wees hij de bezwaren voor het overige af als ongegrond. Op 20 augustus 1999 werd ter griffie dezer rechtbank tijdig een verzoekschrift op tegenspraak met aangehecht afschrift van de bestreden beslissing neergelegd ter stelling van een vordering in rechte. Onderzoek en beoordelingEr wordt door verweerder geen opwerping tot ontoelaatbaarverklaring van de vordering in rechte gedaan, en de rechtbank onderkent geen van ambtswege aan te voeren oorzaak van ontoelaatbaarheid van de vordering.Waar evenwel met het verzoekschrift en naderhand in eerste en in tweede conclusie van eiser slechts ontheffing wordt nagestreefd en waar in syntheseconclusie in hoofdorde vernietiging van de aanslagen wordt nagestreefd, werpt verweerder over dit laatste de ontoelaatbaarheid van dit laatste vorderingsonderdeel op als ontoelaatbare uitbreiding van vordering, onder verwijzing naar artikel 807 Gerechtelijk Wetboek. Terwijl het nastreven van ontheffing het ledigen van een aanslag van zijn substantie beoogt, beoogt het nastreven van vernietiging de wegneming van de aanslag als vorderingstitel. Aldus blijkt het voorwerp van de vordering van eiser te zijn uitgebreid in de loop van het geding. Zulke uitbreiding moet, wat haar toelaatbaarheid betreft, worden beoordeeld naar de norm van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek. Nu in de gedinginleidende akte de betwisting werd opgeworpen van de aldaar omschreven belastingaanslagen en nu dit in de syntheseconclusie van eisers niet anders blijkt te zijn, stelt de rechtbank vast dat er weliswaar een uitbreiding van (het voorwerp van de) vordering van ontheffing naar vernietiging is geschied, maar dat zulks binnen de toelaatbaarheidsnorm van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek is gebleven. De vermelde uitbreiding is aldus toelaatbaar. Ten gronde - Aanslagjaar 1995Eiser werpt op dat de belastingdienst, voorafgaand aan de vestiging en daarna ten tijde van de vestiging van de aanslag, een indiciaire opstelling heeft opgesteld zonder daartoe evenwel een aantal hem toen nochtans reeds gekende gegevens in aanmerking te nemen.De rechtbank oordeelt dat het voor het betrokken jaar zonder meer uitgaan van het werkelijk verricht zijn van regelmatige afkortingen op een te dezen onderhandse lening, zonder dat daartoe concrete gegevens aan ten grondslag lagen, getuigt van willekeur. Waar de belastingdienst tegelijk en op hetzelfde ogenblik voor datzelfde jaar 1994 verder een als beroepsinkomen geherkwalificeerde huur uit eigen beweging zonder meer achterwege liet aan de zijde van de hem nochtans gekende verantwoordingen, blijkt ook zulks te getuigen van willekeur bij de opmaak van de indiciaire afrekening. Op basis van deze gegevens blijkt de willekeur van de in aanmerking neming respectievelijk niet in aanmerking neming van deze elementen beslissende invloed te hebben gehad op het geheel van de indiciën die ter taxatie werden aangewend voor aanslagjaar 1995, zodat slechts kan worden besloten dat die aanslag is gezet in strijd met de wettelijke regel van artikel 341 van het WIB 1992, wat moet leiden tot vernietiging van de bestreden aanslag. Onderzoek van de verdere grieven van eiser of van wat hij te dezen ondergeschikt aanvoert bij wijze van tegenbewijs, wordt daardoor te dezen zonder voorwerp voor de beoordeling van aanslagjaar 1995. Ten gronde - Aanslagjaar 1996Eiser doet ook hier opwerping van willekeur, maar kan daarin niet worden bijgetreden, nu de door hem gekritiseerde post levensonderhoud met redelijkheid werd opgebouwd.Eiser kan daarentegen wel worden bijgetreden in zijn tegenbewijs wat betreft de aan hem door een derde in de loop van 1995 ter beschikking gestelde gelden, nu hij daarvan door middel van stortingen door die derde op zijn zichtrekening (zijn stukken onder nr. 11) het bewijs levert voor minstens (75.000 + 145.000 + 300.000 + 300.000 =) 820.000,- BEF, nu te lezen als 20.327,27 EUR. In tegenstelling met wat verweerder daarover voorhoudt, vereist de wet enkel dat eiser de beschikking over de nodige middelen bewijst, en niet ook dat die middelen effectief werden aangewend ter opvulling van het berekende indiciaire tekort (Cass. 5 september 1986, R.W. 1986-87, 1574 en Bull. Bel. 660/04.87, 841). Nu de opgemelde sommen ruimschoots volstaan als tegenbewijs, en leiden tot ontheffing, wordt de noodzaak tot onderzoek inzake verdere door eiser aangevoerde grieven en/of inzake door hem aangevoerde elementen van tegenbewijs te dezen zonder nuttig voorwerp. Om die redenen De Rechtbank Rechtdoende op tegenspraak. Alle andere en strijdige conclusies verwerpend. Verklaart de vordering en de uitbreiding van vordering toelaatbaar, Verklaart de vordering gegrond, Vernietigt de supplementaire aanslag in hoofde van eiser voor de gemeente Antwerpen, aanslagjaar 1995 kohierartikel 778609186 van 18 november 1997, Ontheft de supplementaire aanslag in hoofde van eiser voor de gemeente Antwerpen, aanslagjaar 1996 kohierartikel 778590658 van 18 november 1997, Beveelt de terugbetaling aan eiser van elke uit hoofde van de respectievelijk vernietigde en ontheven aanslagen betaalde bedragen, telkens vermeerderd met moratoriumintrest conform de bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, deze aan elke zijde begroot in conclusies, en door de rechtbank in hoofde van eiser. |
|||||||||||||||