Vraag nr. 1498 van mevrouw Van Kessel dd. 24.09.1998
- Section :
- Régulation
- Type :
- Parliamentary questions
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Aangifte in de personenbelasting,In mindering brengen van de werkelijke beroepskosten,Facturen van minder dan 1000 frank
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||
|
Vraag nr. 1498 van mevrouw Van Kessel dd. 24.09.1998
Document
Search in text:
Properties
Document type : Parliamentary questions Title : Vraag nr. 1498 van mevrouw Van Kessel dd. 24.09.1998 Tax year : 0 Document date : 24/09/1998 Keywords : Aangifte in de personenbelasting / In mindering brengen van de werkelijke beroepskosten / Facturen van minder dan 1000 frank Document language : NL Modification date : 12/05/2006 10:52:27 Name : 98/1498 Version : 1 Question asked by : Van Kessel
VRAAG 98/1498 Vraag nr. 1498 van mevrouw Van Kessel dd. 24.09.1998 Vr. en Antw., Kamer, 1998, nr. 148 , blz. 20219 Aangifte in de personenbelasting - In mindering brengen van de werkelijke beroepskosten - Facturen van minder dan 1000 frank VRAAG Tal van kleine zelfstandigen en beoefenaars van vrije beroepen die hun werkelijke beroepskosten in mindering wensen te brengen op hun aangifte in de personenbelasting worden in de praktijk ernstig geconfronteerd met het probleem dat de leveranciers weigeren een factuur, BTW-kwitantie of kasticket uit te reiken wanneer de aankoopprijs geen 1000 frank bedraagt niettegenstaande hun voorstel tot de aanrekening van administratiekosten. 1. a) Wat zijn terzake de respectievelijke fiscale plichten van de leveranciers en de rechten van de klant op het stuk van de BTW en de directe belastingen? b) Over welke fiscale verhaalmiddelen beschikt de klant? c) In welke precieze gevallen laat de fiscale wetgever toe dat er geen factuur of geen BTW-kwitantie wordt uitgereikt? 2. Over welke concrete bewijsmiddelen inzake directe belastingen beschikt de klant om in dergelijke gevallen zijn talrijke maar telkens kleine aankopen van goederen, kleine investeringen en beroepskosten zoals boeken, papierwaren passend in rekening te brengen in de zin van de artikelen 49 en 340, WIB 1992? De afwezigheid van die noodzakelijke bewijsstukken brengt immers met zich dat de boekhouding van die kleine zelfstandigen als niet bewijskrachtig kan worden aangemerkt met alle nefaste gevolgen vandien. 3. Over welke garanties en wettelijke controlemiddelen beschikken de beide fiscale administraties om na te gaan of deze contante verkopen wel degelijk als dagontvangsten in de boekhouding zijn opgenomen en naderhand werden verwerkt in de periodieke BTW-aangiften en in de aangifte in de vennootschapsbelasting of in de personenbelasting van de kwestieuze leverancier? ANTWOORD 1. a) en c) Inzake belasting over de toegevoegde waarde (BTW): Overeenkomstig artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegdewaarde, is de BTW-belastingplichtige, behalve hij die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht die vrijgesteld zijn door artikel 44 van het BTW-Wetboek, waarvoor hij geen recht op aftrek heeft, gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken wanneer hij een levering van goederen of een dienst heeft verricht in de uitoefening van zijn economische activiteit of wanneer de levering van een goed voor de voltooiing van een dienst de belasting opeisbaar wordt over de prijs of een deel ervan bij toepassing van de artikelen 17, § 1 en 22, § 2, van het voornoemde wetboek. Krachtens artikel i, § 2, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit is de belastingplichtige er evenwel van ontheven een factuur uit te reiken wanneer hij goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik. Deze ontheffing van facturering is niet van toepassing op de door het geachte lid bedoelde gevallen aangezien de betrokken medecontractanten geen particulieren zijn die handelen voor hun privé-behoeften. Het feit dat de prijs van de handeling geen 1000 frank bedraagt, heeft evenmin tot gevolg dat de belastingplichtige die gehouden is tot het uitreiken van facturen van die verplichting wordt ontheven. Bovendien bestaat die verplichting zonder dat de medecontractant een factuur dient te vragen. Artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 stelt dat de factuur moet worden uitgereikt uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin het goed is geleverd, de dienst is verricht of de belasting opeisbaar wordt over het geheel of een deel van de prijs, overeenkomstig de artikelen 17, § 1 en 22, § 2, van het BTW-Wetboek. Niets belet de belastingplichtige om alle handelingen die hij tijdens de afgelopen maand met zijn medecontractant heeft verricht, maandelijks in één en dezelfde factuur te omvatten. Bovendien wat de BTW-ontvangstbewijzen betreft waarnaar het geachte lid verwijst, leggen de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, op geen enkele algemene wijze de uitreiking van een ontvangstbewijs op. Enkel de dienstverrichtingen bedoeld in artikel 22, § 1, van het voornoemd koninklijk besluit moeten verplicht worden vastgesteld door rekeningen of ontvangstbewijzen, in tweevoud opgemaakt op genummerde formulieren, die de belastingplichtige op zijn kosten moet laten drukken door de door administratie erkende drukkers. De verplichting tot het uitreiken van rekeningen of ontvangstbewijzen is opgelegd aan de personen die de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige hebben, behalve hij die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht die vrijgesteld zijn door artikel 44 van het BTW-Wetboek, waarvoor hij geen recht op aftrek heeft, wat betreft volgende handelingen: 1° het verschaffen van gemeubelde logies dat al dan niet gepaard gaat met het verschaffen van spijzen en dranken of met bijkomstige diensten, door de exploitant van een hotelinrichting of, meer algemeen, door wie een inrichting drijft waar aan betalende gasten onderdak wordt verschaft; 2° het verschaffen van maaltijden en van dranken die bij die maaltijden worden verbruikt, door de exploitant van een restaurant; 3° het wassen van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en kampeer-auto's. Evenwel kan de belastingplichtige beoogd door deze verplichting, krachtens artikel 22, § 9, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, onder bepaalde voorwaarden, worden gemachtigd de rekeningen of de ontvangstbewijzen te vervangen door bons van kasregisters of door een procédé dat gebruik maakt van informaticatechnieken (zie BTW-aanschrijving nr. 10/1994). De rekening of het ontvangstbewijs moet, overeenkomstig artikel 22, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, worden uitgereikt op het tijdstip waarop de dienst voltooid is. Bedoelde rekening of ontvangstbewijs verschilt fundamenteel van de factuur bedoeld in artikel 1 van hetzelfde koninklijk besluit en heeft niet dezelfde functie. De factuur is een boekingsstuk dat in principe een belastbare handeling vaststelt; de rekening of het ontvangstbewijs is een controledocument, dat de uitvoering van een dienst vaststelt op het tijdstip waarop die dienst wordt verricht. Wanneer een handeling, waarvoor een rekening of een ontvangstbewijs moet worden uitgereikt, wordt verricht, met een andere klant dan een natuurlijke persoon die de handeling bestemt voor zijn privé-gebruik en aan wie bijgevolg een factuur moet worden uitgereikt, mogen de beide documenten (de rekening of het ontvangstbewijs en de factuur) worden gecombineerd, dat wil zeggen dat de rekening of het ontvangstbewijs mag worden aangevuld met de gegevens die een factuur moet bevatten. Voor het tijdstip waarop dit enig document moet worden uitgereikt, geldt de regel van de rekening of het ontvangstbewijs, te weten, het tijdstip waarop de dienst is voltooid. Inzake inkomstenbelastingen (IB) Het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bevat geen specifieke bepalingen inzake boekhouding van de handelaars. Opdat een boekhouding op belastinggebied als aanvaardbaar kan worden beschouwd, is het overigens niet nodig dat zij beantwoordt aan al de eisen van de wetgeving op de boekhouding. Iedere boekhouding, ieder rekeningstelsel is aanvaardbaar, voor zover: - de voorgelegde boeken en bescheiden een samenhangend geheel vormen, aan de hand waarvan de belastbare inkomsten kunnen worden bepaald; - alle geschriften gestaafd zijn door bewijsstukken; - alle geboekte cijfers met de werkelijkheid overeenstemmen. De bewijskracht van een boekhouding wordt beoordeeld in het licht van de feitelijke toestand. b) Inzake belasting over de toegevoegde waarde en inkomstenbelastingen De belastingplichtige die zich onttrekt aan de verplichting tot het uitreiken van facturen, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt overeenkomstig artikel 70, § 2, van het BTW-Wetboek, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 2000 frank. Het verminderd bedrag van deze geldboete is bepaald in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (zie tabel C, rubriek I). De niet door artikel 70, § 2, van het wetboek bedoelde overtredingen inzake het niet uitreiken van facturen, alsmede de overtredingen van de bepalingen van artikel 22 van het voornoemd koninklijk besluit nr. 1, begaan door de belastingplichtige gehouden tot het uitreiken van een rekening of een ontvangstbewijs, worden overeenkomstig artikel 70, § 4, van hetzelfde wetboek, bestraft met een geldboete van 1000 frank tot 1500 frank per overtreding. Het bedrag van deze boete is bepaald in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (zie eerste afdeling - Algemene verplichtingen - rubrieken II en XI, 6). Voor het overige houd ik eraan de aandacht van het geachte lid te vestigen op het feit dat de administraties van de BTW, Registratie en Domeinen en van de Directe Belastingen niet bevoegd zijn voor het oplossen van geschillen tussen een leverancier en zijn klant. Dit alles maakt immers deel uit van het gemene recht en de soevereine beoordeling van de hoven en de rechtbanken. 2. De aandacht van het geachte lid wordt gevestigd op het feit dat de afwezigheid van bewijsstukken niet noodzakelijkerwijze tot de integrale verwerping van de rekeningen dient te leiden. De administratie van de Directe Belastingen kan immers ook tot de loutere verbetering van een welbepaald punt van de boekhouding overgaan. In verband met de aftrekbaarheid van beroepskosten geldt als basisprincipe dat hun echtheid en bedrag moeten worden verantwoord door bewijsstukken (artikel 49, eerste lid, WIB 92). Wanneer het praktisch gezien niet mogelijk is die stukken voor te leggen kunnen krachtens artikel 49, tweede lid, WIB 92, andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen (met uitzondering van de eed) worden aanvaard, of kan een op basis van artikel 342, § 1, laatste lid, WIB 92, met de beroepsverenigingen gesloten collectief akkoord worden toegepast, of kan een individueel akkoord met de belastingplichtige worden gesloten op grond van artikel 50, § 1, WIB 92. Wanneer er geen collectief akkoord bestaat of wanneer de besprekingen tussen de belastingplichtige en de belastingambtenaar niet tot een individueel akkoord hebben geleid, is deze laatste ertoe gehouden de beroepskosten op een redelijk bedrag te ramen. 3. Inzake belasting over de toegevoegde waarde en inkomstenbelastingen Krachtens artikel 60, § 1, van het BTW-Wetboek, is de belastingplichtige - leverancier van goederen of dienstverrichter - gehouden om de dubbels van de facturen die hij heeft uitgereikt aan zijn medecontractant te bewaren gedurende tien jaar, te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun datum. Hij moet bovendien een boek voor uitgaande facturen bijhouden waarin hij de handelingen inschrijft waarvoor hij facturen moest uitreiken. De exploitanten van hotels, restaurants en inrichtingen waar automobielen worden gewassen, moeten de dubbels van de rekeningen of ontvangstbewijzen die zij uitreiken aan hun klanten bij toepassing van artikel 22, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, alsook de documenten die zij hebben laten drukken en die zij nog niet hebben gebruikt bewaren gedurende tien jaar te rekenen vanaf de 1e januari van het jaar volgend op hun datum (artikel 60, § 1, van het wetboek). De nummers van de rekeningen of van de ontvangstbewijzen die in de loop van de dag werden gebruikt, worden dagelijks aangetekend in het dagboek van ontvangsten bedoeld in artikel 14, § 2, 3°, van het voornoemd koninklijk besluit (artikel 22, § 5, van hetzelfde koninklijk besluit). Zowel het boek voor uitgaande facturen als het dagboek van ontvangsten, zoals hiervoor bedoeld, moeten krachtens hetzelfde artikel 60, § 1, van het BTW-Wetboek, gedurende tien jaar te rekenen vanaf de 1ste januari van het jaar volgend op hun sluiting, worden bewaard door de belastingplichtigen die ze hebben gehouden. Het spreekt voor zich dat de administraties uitsluitend op basis van deze documenten en inschrijvingen nooit de totale zekerheid zullen kunnen hebben over de werkelijke opnemingen van alle contante verkopen in het dagboek van ontvangsten. Inzake het houden van boeken en stukken en de uitreiking van rekeningen en ontvangsbewijzen voeren de administraties derhalve niet-aangekondigde controles uit. In het bijzonder trachten ze hiermee het respect voor de opgelegde verplichtingen inzake BTW te verzekeren. De registers, de dagboeken en het laatste dubbel of de laatste dubbels (wanneer tegelijkertijd meer dan één reeks documenten wordt gebruikt) van de gebruikte rekeningen of ontvangstbewijzen worden tijdens elk onderzoek voor gezien afgetekend (datum, naam, graad en handtekening van de ambtenaar). Alle vastgestelde gebreken worden hierbij tevens opgetekend. |
|||||||