Vraag nr. 384 van de heer Meyntjens dd. 10.09.1986

Date :
10-09-1986
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Régulation
Type :
Parliamentary questions
Sous-domaine :
Fiscal Discipline

Résumé :

Verlaagd BTW-tarief sector privé-woningbouw,Toepassingsvoorwaarden,Controlemaatregelen.

Texte original :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Contact | Disclaimer | FAQ
   
Quick search :
Fisconet plus Version 5.9.23
Service Public Federal
Finances
Home > Advanced search > Search results > Vraag nr. 384 van de heer Meyntjens dd. 10.09.1986
Vraag nr. 384 van de heer Meyntjens dd. 10.09.1986
Document
Content exists in : nl fr

Search in text:
Print    E-mail    Show properties

Properties

Document type : Parliamentary questions
Title : Vraag nr. 384 van de heer Meyntjens dd. 10.09.1986
Tax year : 2005
Document date : 10/09/1986
Keywords : Verlaagd BTW-tarief sector privé-woningbouw / Toepassingsvoorwaarden / Controlemaatregelen.
Document language : NL
Name : 86/384
Version : 1
Question asked by : Meyntjens

VRAAG 86/384

Vraag nr. 384 van de heer Meyntjens dd. 10.09.1986


Vr. en Antw., Senaat, 1986-1987, nr. 1, blz. 24-25

Verlaagd BTW-tarief sector privé-woningbouw - Toepassingsvoorwaarden - Controlemaatregelen.

VRAAG

    Op 31 juli 1986 verstreken de tijdelijke maatregelen in de bouwsector die onder meer een BTW-verlaging van 17 naar 6 pct. inhielden. Vanaf 1 augustus 1986 werd het BTW-tarief terug opgetrokken tot 17 pct. (19,5 pct. vanaf 1 april 1992 en 20,5 pct. vanaf 1 januari 1994) voor het geheel van de aan de BTW-regeling onderworpen onroerende handelingen.

    Het koninklijk besluit voorziet echter in een aantal uitzonderingsmaatregelen waarvoor de BTW van 6 pct. van toepassing blijft. Het betreft de onroerende werken tot omvorming, renovatie en rehabilitatie en de onroerende werken tot verbetering, herstelling en onderhoud van woningen die meer dan twintig jaar oud zijn.

    Ook op bepaald zware vernieuwingsbouwwerken zijn er uitzonderingen voorzien.

    Kan de geachte Minister een antwoord geven op volgende vragen.

    1. Kan hij een nauwkeurige omschrijving geven van de begrippen omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, onderhoud en zware vernieuwbouw, zodat de eindverbruiker weet wanneer hij in aanmerking komt voor de bovengenoemde uitzonderingsmaatregelen ?

    2. Is de datum van de bouw van de woning of de datum van de eerste ingebruikneming van de woning van belang bij de bepaling van de ouderdom van de woning ? Hoe wordt hiervoor de bewijsvoering gevoerd ?



3. Hoe zal de controle op deze uitzonderingsmaatregelen verlopen ?

    4. Op welke manier zal een verkeerdelijke toepassing van deze maatregel bestraft worden en wie, aannemer of eindverbruiker, zal hiervoor aansprakelijk gesteld worden ?

ANTWOORD

    1. Bij de redactie van de nieuwe tekst van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake BTW-tarieven, achtte de regering het, voor het bepalen van de werken in onroerende staat die kunnen blijven genieten van het verlaagd tarief van 6 pct., opportuun een lange opsomming te geven van uiteenlopende onroerende handelingen, gaande van de omvorming van een gebouw tot het onderhoud ervan. Daardoor wordt een delicate definitie vermeden van de begrippen renovatie en rehabilitatie, waartoe omvormingen, verbeteringen of herstellingen bijdragen. Bovendien wordt zodoende het soms moeilijke onderscheid tussen verbeteringen aangebracht aan een gebouw en herstellingen die eraan worden verricht, alsook het onderscheid tussen het gewone onderhoud (het in goede staat behouden van het gebouw) en de herstelling (het opnieuw in goede staat brengen) overbodig.

    Werk in onroerende staat dat strekt of bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw is uit die opsomming uitgesloten en onderworpen aan het tarief van 17 pct. (19,5 pct. vanaf 1 april 1992 en 20,5 pct. vanaf 1 januari 1994), evenals werk in onroerende staat dat de reiniging van een gebouw tot voorwerp heeft, dat wil zeggen het gebruikelijke huishoudelijke onderhoud dat de netheid van het onroerend goed tot doel heeft.

    2. Om de ouderdom te bepalen van een woning, waaraan de beoogde onroerende handelingen worden verricht, dient de datum van de eerste ingebruikneming van dat gebouw te worden nagegaan. Dit is de datum waarop de werkelijke ingebruikneming van het gebouw aanvang heeft genomen en welke uit dien hoofde in aanmerking werd genomen om de procedure tot vaststelling van het eerste kadastraal inkomen en de eerste aanslag inzake onroerende voorheffing te bewerkstelligen.

    Daar het soms moeilijk is op een dag of maand na de datum van de eerste ingebruikneming van het gebouw te bepalen, wordt er aangenomen dat, voor handelingen waarvoor het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW zich situeert tussen 1 augustus en 31 december 1986, de termijn van twintig jaar is nageleefd wanneer het gebouw voor de eerste maal in gebruik werd genomen in de loop van het jaar 1966. Dezelfde praktische regel zal van toepassing zijn voor ieder der volgende jaren.

    Het jaar van de eerste ingebruikneming kan worden vastgesteld onder verwijzing naar het jaar waarvoor het gebouw voor het eerst werd opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing, gezien dit jaar in principe volgt op dat waarin het gebouw voor het eerst werd in gebruik genomen. Bovendien is de ouderdom van het gebouw in het algemeen gekend door de eigenaar of de buren naar wie men kan verwijzen.

    Ernstige twijfel dienaangaande kan overigens slechts bestaan in het uitzonderlijk geval dat die ouderdom rond de twintig jaar schommelt, maar men niet met zekerheid weet of deze termijn al dan niet is in acht genomen. In dergelijk geval en bij gebrek aan andere elementen om die ouderdom na te gaan kan de belanghebbende zich wenden tot mijn administratie.

    3 en 4. De controle betreffende de toegepaste tarifering gebeurt bij de aannemer.

    Wanneer deze evenwel aan de afnemer een attest heeft gevraagd op basis waarvan hij de verschuldigde belasting heeft bepaald, wordt hij overeenkomstig de nieuwe bepaling ontlast van zijn aansprakelijkheid, behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet-naleven van de regeling.

    Onder datzelfde voorbehoud wordt bij ten onrechte toepassen van het verlaagd tarief de aanvullende belasting op grond van artikel 53 (oud of artikel 51bis nieuw) van het BTW-Wetboek bijgevolg ingevorderd lastens de medecontractant.

    Het bedrag van die aanvullende belasting wordt in principe verhoogd met een administratieve geldboete verminderd - behoudens in het geval van klaarblijkelijke fraude - volgens een officieel barema. Geen boete zal echter worden opgelegd bij onvrijwillige vergissing van tarief door de partijen.

    Voor een omstandige commentaar op de nieuwe regeling van het verlaagd tarief in de onroerende sector kan ik het geachte Lid tenslotte nog verwijzen naar de onlangs hieromtrent gepubliceerde aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986. Een exemplaar van deze aanschrijving zal hem rechtstreeks worden toegezonden.