Vraag nr. 540 van mevrouw Muylle dd. 23.11.2004
- Section :
- Régulation
- Type :
- Parliamentary questions
- Sous-domaine :
- Fiscal Discipline
Résumé :
Invordering belastingen,Gescheiden echtgenoten,Arrest Arbitragehof
Texte original :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Fisconet
plus Version 5.9.23
Service Public Federal Finances |
|||||||||||||||||||||
|
Vraag nr. 540 van mevrouw Muylle dd. 23.11.2004
Document
Search in text:
Properties
Document type : Parliamentary questions Title : Vraag nr. 540 van mevrouw Muylle dd. 23.11.2004 Tax year : 0 Document date : 23/11/2004 Document language : NL Modification date : 28/04/2005 17:09:38 Name : 04/540 Version : 1 Question asked by : Muylle
VRAAG 04/540 Vraag nr. 540 van mevrouw Muylle dd. 23.11.2004 Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 59, blz. 9354-9356 Invordering belastingen - Gescheiden echtgenoten - Arrest Arbitragehof VRAAG Mijn vraag betreft de invordering van belastingen bij gescheiden echtparen. Volgend voorbeeld uit de praktijk schetst de problematiek van mijn vraag. Een vrouw is in 1997 gescheiden van haar echtgenoot. De man is sinds de scheiding met de noorderzon verdwenen, zodat geen enkel contact tussen beide ex-partners nog mogelijk is. Voor het jaar 1997 diende de vrouw een eigen belastingbrief in waarop ze alle nodige inkomsten vermeldde. De aanslag en terugbetaling daarvan gebeurden op een correcte manier. In het jaar 2001 ontving de vrouw echter een aanslagbiljet rond achterstallige belastingen van haar ex-echtgenoot voor het jaar 1997. Het betreft de aanslag in de personenbelasting voor inkomstenjaar 1997. Bovenstaande aanslag wordt ten laste van de vrouw gelegd op basis van artikel 394, § 2, WIB 1992. Aangezien de man "verdwenen" is, komt de aanslag op basis van bovenstaand artikel dus bij de vrouw terecht. De belasting is echter gevestigd op naam van de man, waardoor de vrouw geen enkel verhaal kan bieden (artikel 366, WIB 1992). In haar arrest 57/2004 van 24 maart 2004 verklaarde het Arbitragehof de situatie "waarbij ze het recht om bezwaar in te dienen tegen een belastingaanslag slechts toekent aan de belastingplichtige op wiens naam de aanslag gevestigd is, met uitsluiting van de feitelijk gescheiden echtgenoot op wiens naam de aanslag niet gevestigd is. Nochtans is die echtgenoot, op grond van artikel 394 van hetzelfde Wetboek, verplicht de op naam van de andere echtgenoot gevestigde belastingschuld te voldoen", ongrondwettelijk omdat ze de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.
1. De aandacht van het geachte lid wordt erop gevestigd dat er ter zake een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen de mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift enerzijds en de invorderingsmogelijkheden lastens de vrouw anderzijds. Vóór 27 maart 1999 had alleen de belastingschuldige, dat wil zeggen, de persoon opgenomen in het kohier, een formeel bij wet verleend bezwaarrecht. De feitelijk gescheiden echtgenoot, die niet in het kohier was opgenomen, beschikte niet over dat recht. Sedert 27 maart 1999 kent artikel 366 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), als vervangen bij wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, aan de feitelijk gescheiden echtgenoot, op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, uitdrukkelijk het recht toe om een bezwaarschrift in te dienen. Gelet op een arrest van het Arbitragehof van 27 juni 1996 werd evenwel in praktijk, nog vóór deze vervanging van voormeld artikel 366, het bezwaarschrift van de feitelijk gescheiden echtgenoot op wiens goederen de aanslag werd ingevorderd als ontvankelijk beschouwd. In casu kon de vrouw dus in 2001 en nog tot 30 april 2002, zonder dat de termijn vanaf de toezending van het aanslagbiljet minder dan zes maanden kan bedragen, een bezwaar indienen voor de aanslag in de personenbelasting betreffende de inkomsten van het jaar 1997, gevestigd op naam van haar op dat ogenblik (feitelijk) gescheiden echtgenoot. Wat de invordering betreft, moet ik er de aandacht van het geachte Lid op vestigen dat voor de aanslagjaren 1981 tot 1999 de Ontvanger der directe belastingen de in artikel 394, WIB 1992, bedoelde belastingschulden mag invorderen op alle goederen van de beide echtgenoten. De onttrekkingsmogelijkheid, vervat in het tweede lid van voormeld artikel, stond destijds slechts open voor de echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen. Het is slechts vanaf aanslagjaar 2000 dat er systematisch wetgevende initiatieven zijn getroffen om de invordering van de fiscale schulden ten laste van feitelijk gescheiden echtgenoten te beperken.
|
|||||||||||||||||||||