Hof van Cassatie - Arrest van 28 juni 2000 (België)

Date de publication :
28-06-2000
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel 20000628-23
Numéro de rôle :
P000835Fv

Résumé

Wanneer de verdachte zich in een schriftelijke conclusie voor de raadkamer beroept op een in art. 131, § 1, Sv., bedoelde grond van nietigheid, schendt het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling art. 135, § 2, van dat wetboek, als dat arrest het hoger beroep van de verdachte tegen de beschikking van de raadkamer tot verwijzing van de zaak naar de correctionele rechtbank verwerpt, op grond dat de zaak reeds is beslecht door een vorig arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling waarin uitspraak wordt gedaan over de voorlopige hechtenis van de verdachte, en door een arrest van het Hof van Cassatie dat het cassatieberoep tegen die beslissing heeft verworpen.

Arrêt

Nr. P.00.0835.F.
V J, verdachte,
Mr. Johan Vanderstraeten, advocaat bij de balie te Brussel.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Fettweis en op de conclusie van advocaat-generaal Spreutels;
Gelet op de bestreden arresten, op 27 april 2000 onder de nummers 587 en 589 gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik;
I. Wat de voorziening tegen het arrest nr. 587 betreft :
Overwegende dat het arrest beslist dat eiser zal verschijnen voor de correctionele rechtbank in een toestand van voorlopige hechtenis :
Overwegende dat uit een brief van 19 mei 2000 van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Luik aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie blijkt dat eiser in vrijheid is gesteld op 17 mei 2000, doch evenwel op andere gronden gedetineerd blijft;
Dat de voorziening derhalve geen bestaansreden heeft;
II. Wat de voorziening tegen het arrest nr. 589 betreft :
Over het middel, als volgt gesteld : "schending van artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering,
doordat het bestreden arrest het hoger beroep van eiser niet ontvankelijk verklaart, op grond : dat verdachte veinst geen weet te hebben van de arresten van 21 december 1999 van het hof van beroep en van 5 januari 2000 van het Hof van Cassatie; dat herhaald moet worden dat : verdachte ermee akkoord is gegaan akte te laten nemen van het verhoor door de verbalisanten in het Frans, zonder hiervoor op een tolk een beroep te doen; dat hij alleen gevraagd heeft de rechtspleging in het Nederlands te laten geschieden in geval van vervolging voor de rechtbank, wat overigens is voorzien in artikel 23 van de wet van 15 juni 1935; dat, wat de vervolgingen tijdens het onderzoek betreft, artikel 31 van die wet niet vereist een beroep te doen op een vertaler, wanneer de verdachte, zoals te dezen, de taal van de rechtspleging gebruikt nadat dit hem uitdrukkelijk werd gevraagd; dat, gelet op de omstandigheden van de zaak, het recht van verdediging niet is miskend en de in de conclusie bedoelde artikelen niet zijn geschonden; dat er evenmin grond bestaat tot vernietiging van de processen-verbaal van verhoor of van ondervraging; dat de verdachte zomaar betoogt dat zijn verklaringen gedeeltelijk in het Nederlands zouden zijn gedaan, wat niet uit de gegevens van het dossier volgt; dat het na het verhoor uitgevaardigde aanhoudingsbevel regelmatig is; dat uit de stukken niet volgt dat de verdachte voor de raadkamer om bijstand van een tolk gevraagd heeft; dat zijn rechten, wat dat betreft, in ieder geval voor het hof geëerbiedigd zijn; dat uit het dossier evenmin blijkt dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot het verslag van de onderzoeksrechter niet zouden zijn nageleefd '";
terwijl artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de inverdenkinggestelde in geval van onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking, beroep kan instellen tegen de verwijzingsbeschikkingen bepaald in de artikelen 129 en 130; dat artikel bepaalt dat het hoger beroep van de verdachte slechts ontvankelijk is, indien het middel betreffende de onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden bij schriftelijke conclusie is ingeroepen voor de raadkamer; eiser zich voor de raadkamer in een schriftelijke conclusie heeft beroepen op de nietigheid van de processen-verbaal, die vervat zijn in de verhoren die door de politie te N. op 7 december 1999 en door de onderzoeksrechter op die zelfde datum zijn afgenomen; het bestreden arrest, na te hebben vastgesteld dat de kamer van inbeschuldigingstelling het door eiser aangevoerde nietigheidsargument in zijn arrest van 21 december 1999 had verworpen, beslist dat het hoger beroep van eiser, wegens het gezag van gewijsde van dat arrest, niet ontvankelijk moet worden verklaard; het bestreden arrest aldus een ontvankelijkheidsvoorwaarde toevoegt aan het bepaalde in artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, volgens hetwelk de verdachte hoger beroep mag instellen tegen de beschikking tot verwijzing, zodra hij voor de raadkamer een onregelmatigheid heeft ingeroepen die één of meerdere daden van onderzoek aantasten; het bestreden arrest die wetsbepaling derhalve schendt" :
Overwegende dat eiser zich voor de raadkamer, in een schriftelijke conclusie, heeft beroepen op een nietigheid bedoeld in artikel 131, § 1, van het Wetboek van Strafvordering, te weten de miskenning van zijn recht van verdediging, de schending van de artikelen 6.3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, op grond dat hij op 7 december 1999 door de politie te N. en vervolgens door de onderzoeksrechter in het Frans is ondervraagd, zonder bijstand van een tolk;
Overwegende dat de appèlrechters eisers hoger beroep tegen de beschikking tot correctionele verwijzing van de raadkamer niet ontvankelijk verklaard hebben, op grond dat de vraag reeds was beslecht door het arrest van 21 december 1999 van de kamer van inbeschuldigingstelling, waarin uitspraak was gedaan over eisers voorlopige hechtenis en waarvan zij de motivering hebben overgenomen, en door het arrest van 5 januari 2000 van het Hof, dat de voorziening tegen voormeld arrest van 21 december 1999 had verworpen; dat de appèlrechters aldus artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering hebben geschonden;
Dat het middel, wat dat betreft, gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Laat de kosten ten laste van de Staat;
Verwijst de zaak naar de anders samengestelde kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Luik.
Aldus door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig juni tweeduizend uitgesproken.