Arbeidshof: Arrest van 16 November 1981 (Antwerpen). RG 11376

Date :
16-11-1981
Langue :
Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19811116-1
Numéro de rôle :
11376

Résumé :

De verplichtingen die voortvloeien uit een collectieve arbeidsovereenkomst zijn van contractuele aard. De rechter mag op grond van artikelen 1156 en volgende van het Burgerlijk Wetboek tot interpretatie ervan overgaan, voor zover die uitlegging verenigbaar is met de termen van de collectieve arbeidsovereenkomst en de door de sociale partners bereikte consensus geëerbiedigd wordt. De wet op de arbeidsovereenkomsten dd. 3 juli 1978 kende het onderscheid "voltijdse arbeid" en "deeltijdse arbeid" niet tot de invoering van het begrip "deeltijdse arbeid" door de wet van 23 juni 1981. Diegenen die voor het bestaan van laatstgenoemde wet arbeid presteerden gedurende minder dan 40 uren per week, waren in principe niet onttrokken aan de toepassing van de wet op de arbeidsovereenkomsten. In het verslag namens de Commissie voor de tewerkstelling en het sociaal beleid, uitgebracht bij het tot stand komen van de wet van 23 juni 1981, werden twee hoofdbeginselen gesteld : a) de deeltijdse werknemer moet geen bijzonder statuut hebben b) de deeltijdse werknemer geniet identieke rechten als de voltijdse werknemer, met dien verstande evenwel dat deze rechten in verhouding staan tot zijn prestaties. De Commissie voegde hieraan toe dat die beide beginselen in dezelfde lijn lagen als de traditionele oplossingen die daaraan in het verleden werden gegeven door de arbeidshoven en rechtbanken. De kwestieuze collectieve arbeidsovereenkomst dient inderdaad in die zin geïnterpreteerd te worden dat, waar de sociale partners het door hen bedoeld minimumloon hebben vastgesteld in verhouding tot een voltijdse arbeidsprestatie, ditzelfde barema in herleide omvang van toepassing is in verhouding tot de duur van de door de werknemer gepresteerde deeltijdse arbeid.

Arrêt :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.