Arbeidshof: Arrest van 26 November 2004 (Antwerpen). RG 1997-0281
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20041126-4
- Numéro de rôle :
- 1997-0281
Résumé :
Het bewijs van de elementen die in de concrete uitvoering van de samenwerking wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet worden geleverd door de instelling die is belast met de inning van de bijdragen. Deze elementen moeten krachtig genoeg zijn om de kwalificatie door de betrokken partijen gegeven, uit te sluiten. Het aanwenden van formules is niet relevant. De rechter moet immers op het werkveld niet meer alle concrete elementen verzamelen en deze dan uitsorteren deels naar een zelfstandig statuut, deels naar een werknemersstatuut toe en dan uitmaken welk statuut het sterkst wordt ondersteund, maar hij moet vertrekken van de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking hebben gegeven, oordelen hoe sterk deze kwalificatie is en in functie daarvan uitmaken of de RSZ op het werkveld elementen kan aantreffen die deze kwalificatie uitsluiten.
Arrêt :
OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIER
In de zaak:
B.V.B.A. A.M.,
met maatschappelijke zetel gevestigd te X,
appellante,
voor wie verschijnt: mr. G. M. loco mr. L. V., advocaat te H.,
tegen :
RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID,
openbare instelling, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,
geïntimeerde,
voor wie verschijnt: mr. G. V. D. E., advocaat te G.
Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest.
Gelet op de zittingsbladen van 15 januari 2004, van 3 juni 2004, van 8 oktober 2004 en van 22 oktober 2004;
Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder:
x het tussenarrest van deze kamer van 15 januari 2004 waarbij de heropening der debatten werd bevolen;
x de conclusies voor appellante, ontvangen ter griffie van het Hof op 7 en op 18 oktober 2004.
Gelet op de stukken van het administratief dossier.
Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen.
Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 8 oktober 2004 en van 22 oktober 2004.
Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2004.
Voorgaanden.
Bij tussenarrest van deze kamer van 15 januari 2004 werd bevolen:
"Vooraleer ten gronde te beslissen, beveelt in toepassing van artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ambtshalve de heropening der debatten, ten einde partijen, en in eerste instantie de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, toe te laten een afrekening op te stellen tussen de werkelijk aangerekende bijdragen en desgevallend aankleven voor het tweede en derde kwartaal 1993, die ondertussen werden betaald, en de bijdragen met desgevallend aankleven die slechts moesten worden betaald omdat aan de B.V.B.A. A.M. werkgeverscode 026 is toegekend, ook rekening gehouden met de betalingen die de B.V.B.A. A.M. voor het tweede en het derde kwartaal van 1993 verrichtte".
Verdere beoordeling.
In zijn tussenarrest van 15 januari 2004 overwoog het Hof:
"Samen met het Openbaar Ministerie stelt het Hof vast dat de oorspronkelijke tegenvordering van appellante in het tussenarrest van 1 oktober 1999 principieel gegrond werd verklaard.
Het enige wat met betrekking tot deze tussenvordering nog moest en nog moet gebeuren is het voorleggen van een afrekening tussen de werkelijk aangerekende bijdragen en desgevallend aankleven voor dit tweede en derde kwartaal 1993, die ondertussen werden betaald, en de bijdragen met desgevallend aankleven die slechts moesten worden betaald omdat aan appellante werkgeverscode 026 is toegekend.
Het komt partijen en in eerste instantie de R.S.Z. toe om deze afrekening op te stellen, ook rekening gehouden met de betalingen die appellante voor het tweede en het derde kwartaal van 1993 verrichtte.
Teneinde deze afrekening op te maken en na te kijken worden de debatten opnieuw heropend."
Appellante neemt in haar conclusies van 18 oktober 2004 kennis van stuk 11 van de R.S.Z. met in bijlage de gevraagde afrekening.
Zij geeft aan dat zij bij deze berekening geen opmerkingen heeft en zij herleidt haar tegenvordering in functie van het bedrag dat finaal door de R.S.Z. verschuldigd blijft: 1.138,29 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten.
Partijen zijn dus akkoord over de eindafrekening van de tegenvordering.
Het past dit akkoord tussen partijen te bekrachtigen.
OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Gehoord de heer F. Slachmuylders, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2004, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben.
Recht doende op tegenspraak en de tussenarresten van 1 oktober 1999 en van 15 januari 2004 verder uitwerkende:
Bekrachtigt het akkoord van de partijen over het voorwerp van de oorspronkelijke tegenvordering van appellante en verklaart deze oorspronkelijke tegenvordering in de volgende mate gegrond.
Veroordeelt geïntimeerde om aan appellante terug te betalen het bedrag van DUIZEND HONDERDACHTENDERTIG euro en NEGENENTWINTIG eurocent, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 13 juni 1996, dag waarop de tegenvordering werd ingesteld.
Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z.
Vereffent de kosten aan de zijde van appellante op 178,48 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 50,82 EUR uitgavenvergoeding, 71,32 EUR betekening tussenarrest, 52,06 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding, 57,01 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep.
rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S.Z. op 191,52 EUR dagvaarding, 178,48 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep.
Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: