Arbeidshof: Arrest van 27 Oktober 2005 (Antwerpen). RG 2003-0724

Date :
27-10-2005
Langue :
Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20051027-4
Numéro de rôle :
2003-0724

Résumé :

De beslissing tot uitsluiting van het genot van de werkloosheidsuitkeringen wegens werkverlating zonder wettige reden op basis van artikel 52bis e.v. van het Werkloosheidsbesluit kan in toepassing van artikel 51, ,§1, 3de lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit slechts vernietigd worden wanneer het bewijs wordt geleverd van de uitoefening van een 'nieuwe dienstbetrekking' gedurende ten minste vier weken. De 'nieuwe' deeltijdse arbeidsovereenkomst welke door betrokkene en haar vroegere werkgever werd gesloten na de werkverlating om haar toe te laten de nieuwe bediende, die haar zou vervangen, op te leiden en in te werken is een voortzetting van haar vroegere dienstbetrekking en beantwoordt bijgevolg niet aan het begrip 'nieuwe dienstbetrekking' zoals bedoeld in hoger geciteerde wetsbepaling.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
ARREST
A.R. 2030724
OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIJF
In de zaak:
RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING,
openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7,
appellant,
op de zitting vertegenwoordigd door mr. E. H., loco mr. L. V., advocaat te 2230 Herselt,
tegen:
A. K.,
geïntimeerde,
op de zitting niet aanwezig, noch iemand voor haar.
Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgend arrest uit.
1. Procedure
Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging:
- het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 7 januari 2004, 14 april 2005, 12 mei 2005 en 22 september 2005;
- het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 7 november 2003 (A.R.V. 26.341);
- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 12 december 2003;
- de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 23 maart 2004;
- de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 12 oktober 2004;
- de gerechtsbrief in toepassing van artikel 803 van het Gerechtelijk Wetboek, aan geïntimeerde verzonden op 18 mei 2005, met kennisgeving van rechtsdag op 22 september 2005.
Het arbeidshof heeft eveneens kennis genomen van het administratief dossier van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (stuk 2 dossier auditoraat-generaal bij het arbeidshof te Antwerpen) en de bundel van A. K. bestaande uit 3 genummerde stukken.
Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van appellant gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 22 september 2005, zitting waarop de zaak werd hernomen, geïntimeerde niet verschijnt, noch iemand voor haar en appellant verstek vordert tegen de niet verschenen partij. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn mondeling advies en is de zaak in beraad genomen.
1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 12 december 2003, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis dat werd gewezen door de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 7 november 2003 (A.R. 26.341).
Overeenkomstig artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 13 november 2003.
Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
2. Feiten en voorgaande rechtspleging
A. K. werkte vanaf 8 november 1999 voltijds bij de B.V.B.A. M. te Turnhout als administratief bediende;
op 31 december 2002 heeft betrokkene deze tewerkstelling vrijwillig verlaten.
Op verzoek van haar werkgever B.V.B.A. M. Turnhout heeft A. K. nog 4 weken deeltijds gewerkt om de nieuwe bediende op te leiden en in te werken (zie stuk 3/3 administratief dossier: verklaring zaakvoerder B.V.B.A.
M. van 10 april 2003).
Met een werkloosheidsbewijs C4 diende A. K. een aanvraag in tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen vanaf 6 februari 2003.
Op het formulier C4 werd als juiste oorzaak van de werkloosheid vermeld : "Betrokkene nam zelf ontslag".
Tijdens het verhoor van 4 april 2003 overhandigde mevrouw J. N. volgende schriftelijk verweer van A. K.
(zie stuk 7 administratief dossier: formulier C 30 verhoor)):
"Betrokkene nam zelf ontslag bij M. met de bedoeling ander werk te hebben na afloop van haar opzegperiode.
Ze heeft hieromtrent meerdere sollicitaties. Ze heeft dan terug een contract van bepaalde duur gekregen voor de periode 06/01/03 tot en met 05/02/03 bij dezelfde werkgever, echter wel voor 20 uren per week, terwijl haar vorige tewerkstelling fulltime was. Het was zeker niet haar bedoeling om werkloos te worden".
Vervolgens besliste de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Turnhout op 16 april 2003 bij toepassing van de artikelen 51, 52bis, 53, 53, bis, 141, 142, 144 en 146 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheids-reglementering :
- A. K. uit te sluiten van het genot van uitkeringen vanaf 6 februari 2003 gedurende een periode van 13 weken omdat zij op 31 december 2002 haar werk als bediende bij B.V.B.A. M. te Turnhout zonder wettige reden vrijwillig heeft verlaten.
De directeur nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 1 administratief dossier):
"De reglementering voorziet dat de werknemer die zonder gewettigde reden een passende dienstbetrekking verlaat, beschouwd wordt als iemand die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk
van zijn wil (artikel 51). H(Z)ij kan uitgesloten worden van het genot van uitkeringen gedurende ten minste 4 en ten hoogste 52 weken (artikel 52 bis, ,§1, 3°).
De directeur kan zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing gepaard laten gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een uitsluiting op grond van artikel 52 of 52bis (artikel 53bis).
U hebt op 31-12-2002 een passende voltijdse betrekking als bediende bij BVBA M. te Turnhout verlaten zonder gewettigde reden.
U vroeg uitkeringen als volledige werkloze met ingang van 06-02-2003.
U presteerde dan nog 24 deeltijdse dagen op verzoek van uw werkgever met het oog op het opleiden van een nieuwe werknemer. U oefende gedurende deze deeltijdse tewerkstelling dezelfde taak uit bij dezelfde werkgever.
U kan bijgevolg niet geacht worden uw tewerkstelling te hebben verlaten om een nieuwe dienstbetrekking te aanvaarden en u bent bijgevolg werkloos geworden wegens omstandigheden afhankelijk van uw wil.
Het aantal weken uitsluiting werd bepaald op 13 weken, rekening gehouden met het feit dat het een geschikte, voltijdse betrekking betrof en dat u op het ogenblik van uw werkverlating geen concreet uitzicht had op ander werk.
Om dezelfde reden(en) beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging (art. 53 bis, ,§1, lid 1) en laat ik de uitsluitingsbeslissing niet gepaard gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel (art. 53 bis, ,§2, lid 1).
De uitsluiting gaat in op de 06-02-2003, de ingangsdatum van uw uitkeringsaanvraag (artikel 53, 1ste lid).
Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 30 april 2003 en neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Turnhout op 2 mei 2003, tekende A. K. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van 16 april 2003.
Bij vonnis van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 7 november 2003 werd de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en de administratieve beslissing van de directeur van 16 april 2003 vernietigd.
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd bij toepassing van artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, verwezen in de kosten van het geding. De kosten werden door geen der partijen begroot en derhalve niet vereffend.
De eerste rechter nam deze beslissing op grond van volgende overweging:
"De wettelijke vereiste stelt dat gedurende tenminste 4 weken voor de uitkeringsaanvraag een nieuwe dienstbetrekking werd uitgeoefend.
Er is geen wettelijke omschrijving wat al dan niet als een nieuwe dienstbetrekking kan worden beschouwd.
In casu blijkt evenwel duidelijk dat eiseres door haar vroegere werkgever slechts voor een korte periode deeltijds werd aangeworven om de nieuwe bediende die haar zou vervangen op te leiden, en niet om dezelfde functie volwaardig te hervatten.
Aldus dient te worden besloten dat aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan.
Derhalve dient de beslissing te worden vernietigd."
Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 12 december 2003, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout.
3. Eisen in hoger beroep
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert:
- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het vonnis a quo volledig te vernietigen;
- de administratieve beslissing te bevestigen.
A. K. (geïntimeerde) vordert:
- in hoofdorde
x het beroep ongegrond te verklaren;
x dienvolgens het vonnis van de eerste rechter te bevestigen;
x appellante te veroordelen tot de kosten;
- in ondergeschikte orde
x de sanctie om te zetten in een verwittiging conform artikel 53bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991;
x minstens de sanctie te herleiden tot het minimum, geheel of voor een zo groot mogelijk gedeelte met uitstel.
4. Ten gronde
In toepassing van artikel 51, ,§1, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna afgekort Werkloosheidsbesluit) kan de werknemer die werkloos wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot 54.
Onder "werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer" wordt onder meer verstaan "het verlaten van een passende dienstbetrekking zonder wettige reden" (artikel 51, ,§ 1, tweede lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit).
De bepalingen inzake werkverlating zijn niet van toepassing wanneer de werknemer vóór zijn uitkeringsaanvraag een nieuwe dienstbetrekking heeft uitgeoefend gedurende tenminste vier weken (artikel 51, ,§1, derde lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit).
De uitsluiting die bepaald wordt in artikel 52bis Werkloosheidsbesluit is in dat geval niet van toepassing.
Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt:
- dat geïntimeerde als voltijds administratief bediende werkzaam was bij de B.V.B.A. M. te Turnhout van 8 november 1999;
- dat geïntimeerde zelf ontslag nam op 31 december 2002 met de bedoeling - volgens haar eigen verklaring van 4 april 2003 - ander werk te hebben na afloop van haar opzegperiode;
- dat geïntimeerde betaald verlof nam van 1 januari tot 4 januari 2003 (zie stuk 3 administratief dossier:
formulier C4 van 11 februari 2003);
- dat geïntimeerde vervolgens opnieuw deeltijds werkzaam was bij de B.V.B.A. M. te Turnhout van 6 januari 2003 tot 5 februari 2003 om de nieuwe bediende die haar zou vervangen op te leiden en in te werken.
Gelet op voormelde niet betwiste feitelijke gegevens laat appellant terecht gelden dat geïntimeerde zich niet kan beroepen op artikel 51, ,§1, derde lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit vermits zij geen 'nieuwe' dienstbetrekking heeft uitgeoefend; zij oefende gedurende deze deeltijdse tewerkstelling dezelfde taak uit bij dezelfde werkgever zodat hier sprake is van een voortzetting van haar vroegere dienstbetrekking.
Artikel 51, ,§1, derde lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit vermeldt duidelijk dat het moet gaan om een 'nieuwe dienstbetrekking' en niet zoals geïntimeerde voorhoudt om een 'nieuwe arbeidsovereenkomst'.
De verwijzing door geïntimeerde naar het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 7 januari 2003 (stuk 2 bundel geïntimeerde) is niet relevant aangezien in deze zaak de betwisting geen betrekking had op de notie 'nieuwe dienstbetrekking' maar over de naleving van de termijn, meer bepaald de hervatting van een nieuwe dienstbetrekking gedurende ten minste vier weken.
Aangezien geïntimeerde op 31 december 2002 een passende dienstbetrekking heeft verlaten zonder wettige reden en zij niet voldoet aan de voorwaarden zoals voorzien in artikel 51, ,§1, derde lid, 1° van het Werkloosheidsbesluit heeft appellant terecht een uitsluiting opgelegd op grond van artikel 52bis, ,§ 1, 3° van het Werkloosheidsbesluit.
Het aantal weken uitsluiting werd in de bestreden administratieve beslissing bepaald op 13 weken gelet op het feit dat het een geschikte voltijdse betrekking betrof en dat geïntimeerde op het ogenblik van de werkverlating geen concreet uitzicht had op ander werk.
Thans worden er door geïntimeerde geen nieuwe argumenten voorgebracht die van aard zijn om de uitsluiting om te zetten in een verwittiging of om de uitsluitingsbeslissing gepaard te laten gaan met een geheel of gedeeltelijk uitstel.
De bestreden administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Turnhout van 16 april 2003 dient te worden bevestigd.
Het hoger beroep is gegrond.
OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Gehoord F. Slachmuylders, substituut-generaal, in zijn eensluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 22 september 2005. De aanwezige partij verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies.
Doet uitspraak bij verstek van geïntimeerde.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.
Vernietigt dienvolgens het bestreden vonnis uitgesproken op 7 november 2003 in de openbare zitting van de tweede kamer van de arbeidsrechtbank te Turnhout (A.R.V. 26.341)
Opnieuw recht doende.
Bevestigt de administratieve beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau te Turnhout van 16 april 2003.
Verwijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van beide aanleggen.
Deze kosten worden door geen der partijen begroot en derhalve door het hof niet vereffend.
Uitgesproken in openbare terechtzitting op zevenentwintig oktober tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: