Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.

Hof van Beroep: Arrest van 30 April 2001 (Antwerpen). RG 00/AR/2575

Date :
30-04-2001
Langue :
Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20010430-6
Numéro de rôle :
00/AR/2575

Résumé :

Bij gebrek aan ondertekening van een verzoekschrift tot hoger beroep is niet art. 1034 ter Ger.W., doch art. 1057 Ger.W. van toepassing, waarin geen verplichting tot ondertekening is opgelegd. Voor de regelmatigheid van het verzoekschrift tot ondertekening volstaan de vermeldingen die geïntimeerden niet hebben kunnen doen twijfelen over de identiteit van degene die hoger beroep heeft willen instellen.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF;
Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 19 september 2000 heeft de oorspronkelijke eis van geïntimeerden gedeeltelijk gegrond verklaard door appellant te veroordelen tot de betaling aan geïntimeerden van de som van 705.201,-F, vermeerderd met de verwijlinteresten vanaf 24 februari 1998 en met de gerechtelijke interesten. Appellant werd tevens verwezen in de gedingkosten.
Appellant stelde een naar termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 3 november 2000.
De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 12 maart 2001.
Overwegende dat het doel en de grondslag van de oorspronkelijke eis van geïntimeerden zowel in feite als in rechte blijken uit de inleidende dagvaarding van 24 juli 1998 en inzonderheid uit het beroepen vonnis; dat het Hof hiernaar verwijst;
Dat appellant vordert de oorspronkelijke eis van geïntimeerden te herleiden en hem slechts te veroordelen tot betaling van een som van 249.484,-F;
Dat geïntimeerden verzoeken het hoger beroep van appellant nietig te verklaren; dat zij, ondergeschikt, concluderen tot de bevestiging van het vonnis a quo; dat zij bij tegeneis in hoger beroep de veroordeling van appellant vorderen tot de betaling van een schadevergoeding van 50.000,-F wegens tergend en roekeloos hoger beroep;
Overwegende dat het Hof de oordeelkundige redengeving en de beslissingen van de eerste rechter bijtreedt en herneemt; dat voor het Hof geen nieuwe argumenten worden aangevoerd die niet reeds aan de eerste rechter gekend waren en die hij niet passend zou hebben beantwoord; dat enkel ter beantwoording van argumenten houdende kritiek op het beroepen vonnis de redengeving van de eerste rechter als volgt wordt aangevuld;
Overwegende dat geïntimeerden in de periode vóór 10 februari 1998 in meerdere geschillen als advocaat van appellant zijn opgetreden;
Dat geïntimeerden in de inleidende dagvaarding hebben voorgehouden dat appellant hen in meerdere zaken nog erelonen en onkosten diende te betalen ten belope van een som van 1.797.951,-F;
Dat appellant tegenwierp dat geïntimeerden teveel vroegen;
Dat de eerste rechter de eis van geïntimeerden in een tussenvonnis van 29 september 1998 ontvankelijk verklaarde maar dat hij vooraleer verder recht te doen over de grond, een advies vroeg aan de Raad van de Orde van Advocaten te Hasselt;
Dat voormelde Raad zijn advies heeft ingediend op 7 juli 1999; dat het advies luidde dat de staten van erelonen en onkosten van geïntimeerden verantwoord zijn voor een totale som van 1.068.928,-F, waarop provisies ten belope van 363.727,-F werden betaald;
Dat appellant voor de eerste rechter verder geen verweer meer heeft voorgedragen; dat te zijnen laste het beroepen vonnis werd uitgesproken met toepassing van art. 751 Ger.W.;
1. De exceptie van nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep.
Overwegende dat geïntimeerden aanvoeren dat het verzoekschrift tot hoger beroep niet door appellant zelf noch door zijn raadsman ondertekend is; dat weliswaar onder de tekst een onleesbaar handtekening werd geplaatst, gevolgd door de vermelding "i.o."; dat het verzoekschrift geen gewag maakt van de tussenkomst van een raadsman voor appellant zodat niet gekend is wie deze handtekening plaatste; dat ze wegens de voormelde toevoeging allicht niet door appellant zelf werd gezet;
Dat geïntimeerden voorhouden dat een verzoekschrift op straffe van nietigheid krachtens art. 1034ter, 6° Ger.W. door de verzoeker zelf of door zijn advocaat moet ondertekend zijn;
Dat geïntimeerden concluderen dat het hoger beroep van appellant door een nietig verzoekschrift is ingesteld en derhalve naar de vorm onregelmatig is;
Overwegende dat de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten van het verzoekschrift tot hoger beroep vermeld zijn in art. 1057 Ger.W.; dat deze vormvereisten niet dezelfde zijn als deze vermeld in art. 1034ter Ger.W.; dat in het eerste artikel geen verplichting tot ondertekening is vermeld, terwijl dit in het tweede artikel wel het geval is; dat de verzoekschriften op tegenspraak, waarvan in art.
1034ter Ger.W. wordt gesproken, de inleiding van een geding beogen; dat aldus een andere situatie wordt bedoeld in art. 1057 Ger.W. dat gericht is op partijen die reeds partij waren in het geding voor de eerste rechter en die het geding voor de appelrechter willen verder zetten;
Dat art. 1034ter, 6° Ger.W. niet van toepassing is op het verzoekschrift bedoeld in art. 1057 Ger.W.;
Dat geïntimeerden niet beweren dat zij niet wisten of redelijkerwijze niet konden weten wie door de neerlegging van het verzoekschrift hoger beroep wilde indienen; dat de naam van appellant immers onder de tekst van het verzoekschrift vermeld staat, weze het in drukletters; dat het feit "N." i.p.v. "N." vermeld staat, hieraan niet afdoet; dat geïntimeerden er dan ook niet aan hebben kunnen twijfelen dat de door hen oorspronkelijke gedaagde persoon, met name M. N., degene was die hoger beroep instelde;
Dat het hoger beroep van appellant ontvankelijk is;
2. De oorspronkelijke hoofdeis van geïntimeerden.
Overwegende dat appellant blijft volhouden dat meerdere staten van erelonen en onkosten van geïntimeerden fel overdreven zijn niettegenstaande sommige daarvan reeds in belangrijke mate herleid werden na het voormeld advies van de Raad van de Orde van Advocaten te Hasselt;
Overwegende dat de rechter niet gebonden is door het voormeld advies; dat evenwel in acht te nemen is dat het advies is verstrekt door een orgaan dat bijzonder deskundig is in de materie en dat door de wet (art. 459 Ger.W.) is aangewezen om desgevallend de erelonen van advocaten te verminderen indien zij niet met billijke gematigdheid zijn opgesteld;
Dat de rechter ten aanzien van het voormeld advies dan ook een marginale toetsing uitvoert;
Dat appellant evenwel niet aantoont dat dit advies kennelijke fouten of vergissingen bevat;
Dat de eerste rechter dan ook terecht zijn oordeel heeft laten steunen op voormeld advies; dat appellant hiertegen nog volgende grieven aanvoert:
- in de zaak B. : de kantoorkosten zouden overdreven zijn en het ereloon zou niet in redelijke verhouding staan tot de geleverde prestaties; dat de kantoorkosten door de Raad van de Orde van Advocaten werd nagezien en correct werd bevonden; dat appellant desbetreffend geen enkele vergissing aanduidt; dat het aanvankelijk gevorderd ereloon werd herleid tot het bedrag (25.000,-F) dat overeenstemt met de som die appellant zelf voorstelt;
- in de zaken (2) V. W. : de kosten zouden ook hier overdreven zijn en het ereloon zou eveneens niet in redelijke verhouding staan tot de geleverde prestaties; dat de gerechts- en kantoorkosten door de Raad van de Orde van Advocaten werd nagezien en correct werd bevonden; dat appellant geen vergissingen bewijst; dat het aanvankelijk gevorderde ereloon (80.000,-F) werd herleid tot 65.000,-F; dat appellant niet aantoont dat de toepassing van de begrotingsnorm van art. 459 Ger.W. tot een nog grotere reductie moet doen besluiten;
- in de zaak L.-N.: de aangerekende erelonen (45.000,-F) zouden overdreven zijn omdat geïntimeerden "bitter weinig" zouden gepresteerd hebben in een eenvoudige zaak, waarbij zij dan nog de verdediging van appellant zouden hebben voorgedragen op een wijze die niet met zijn instructies overeenstemde; dat geïntimeerden appellant hebben bijgestaan in zijn verdediging in strafzaken zowel voor de correctionele rechtbank als voor het Hof van beroep; dat zij conclusies in eerste aanleg en in hoger beroep opstelden;
dat de zaak van groot belang was voor appellant; dat het ereloon werd aangerekend voor het geheel van de prestaties en niet alleen voor studiewerk zoals appellant ten onrechte beweert; dat appellant klaarblijkelijk achteraf verwijten maakt aan geïntimeerden over de wijze van zijn verdediging; dat hij echter niet aantoont dat deze opmerking ook reeds bij de behandeling werd gemaakt en er toen toe leidde dat geïntimeerden niettegenstaande zijn verzet toch zijn verdediging zouden hebben voorgedragen op een wijze waarmee hij niet instemde; dat niet bewezen is dat geïntimeerden een fout begingen; dat het voormeld advies kan worden gevolgd;
- in de zaak P. D.: dat appellant het ereloon overdreven vindt; dat de Raad van de Orde van Advocaten adviseerde het aanvankelijk aangerekend ereloon van 34.000,-F te herleiden tot 25.000,-F; dat appellant bereid is 9.000,-F te betalen; dat appellant niet aantoont waarin het advies onjuist zou zijn; dat het herleide ereloon in billijke gematigdheid blijkt overeen te stemmen met de geleverde prestaties;
- in de zaak stad S.-T.: dat appellant de aangerekende erelonen overdreven vindt; dat geïntimeerden aanvankelijk 120.000,-F ereloon vorderden; dat het advies van de Raad van de Orde van Advocaten een herleiding tot 80.000,-F voorstelde; dat appellant een som van 20.000,-F redelijk acht; dat de werkelijk geleverde prestaties (kort geding, deskundigenonderzoek, behandeling na deskundigenonderzoek met conclusie en pleidooien, bodemgeding met conclusie en pleidooien) en de waarde van het geschil het ereloon, zoals herleid in voormeld advies, gerechtvaardigd voorkomt;
- in de zaak M. - C.: dat appellant instemt met het advies van de Raad van de Orde van Advocaten, te weten de herleiding van de oorspronkelijke staat van erelonen en onkosten van geïntimeerden tot een som van 688.378,-F;
Dat de eerste rechter aldus wordt bijgetreden in zoverre deze wat de begroting van de erelonen en onkosten van geïntimeerden betreft oordeelde conform het advies van de Raad van de Orde van Advocaten te Hasselt;
Overwegende dat appellant tevens aanvoert dat geen rekening werd gehouden met alle door hem betaalde provisies; dat hij beweert dat betalingen ten belope van een som van 170.000,-F tot nu toe buiten de berekeningen werden gehouden;
Dat geïntimeerden betwisten wegens provisies meer ontvangen te hebben dan de som waarmee in het voormeld advies rekening gehouden werd, te weten de som van 363.727,-F;
Dat appellant voorhoudt dat volgende betalingen bijkomend in aanmerking te nemen zijn:
- betaling van 15.000,-F d.m.v. een cheque op 9 maart 1995: dat blijkt dat deze betaling in rekening werd gebracht inzake N. vs V. W. op 16 maart 1995 en derhalve begrepen is in de provisies die voormeld advies in aanmerking nam;
- betaling van 100.000,-F (handgeld): dat blijkt dat deze betaling begrepen is in de provisies waarmee in voormeld advies rekening gehouden werd;
- betaling van 55.000,-F d.m.v. cheque op 13 september 1995: dat geen verrekening van dit bedrag blijkt;
dat geïntimeerden de betaling betwisten; dat appellant als bewijs van betaling enkel een door hem zelf ingevuld document voorbrengt dat een overzicht geeft van de door hem uitgeschreven cheques; dat dit geschrift alleen, uitgaande van appellant zelf, geen afdoende bewijs levert van zijn beweerde betaling;
Dat appellant dan ook in gebreke blijft aan te tonen dat niet met al zijn betalingen rekening gehouden werd;
Overwegende dat appellant meent nog gerechtigd te zijn op een terugbetaling van erelonen in een zaak tegen het V. G.; dat hij nochtans geen tegeneis heeft ingediend; dat aan de omstandigheden om de wettelijke schuldvergelijking te kunnen vaststellen niet is voldaan;
Dat hoe dan ook wordt geconstateerd dat de staat van erelonen en onkosten door appellant bij het beëindigen van de zaak werd vereffend op 13 juli 1995 zonder enig voorbehoud, laat staan protest; dat appellant hierover voor het eerst in het geding gewag gemaakt heeft in zijn conclusie van 30 januari 2001;
Dat appellant door zijn vrijwillige en protestloze betaling op 13 juli 1995 ondubbelzinnig en zeker zijn instemming heeft uitgedrukt met de voorgelegde afrekening; dat hij nu geen elementen aanhaalt die hij niet reeds kende ten tijde van zijn betaling; dat geïntimeerden het akkoord van appellant, dat blijkt uit zijn voormelde betaling, terecht tegenwerpen;
3. De tegeneis van geïntimeerden.
Overwegende dat geïntimeerden de veroordeling van appellant vorderen tot de betaling van een schadevergoeding van 50.000,-F wegens tergend en roekeloos hoger beroep; dat zij dit hoger beroep zinloos en kwetsend noemen;
Dat appellant zijn beweerde foutieve proceshouding betwist;
Overwegende dat het beroepen vonnis werd gewezen ten laste van appellant met toepassing van art. 751 Ger.W.; dat hij heeft voorgehouden dat enkel omstandigheden buiten zijn wil hem hebben verhinderd zijn verweer na het advies van de Raad van de Orde van Advocaten voor te brengen voor de eerste rechter;
dat de eerste rechter aldus de verweermiddelen van appellant in die stand van het geding niet kende;
dat appellant geen fout beging door in die omstandigheden zijn verweer te willen onderwerpen aan de appelrechter;
Dat de tegeneis van geïntimeerden ongegrond is;
OM DEZE REDENEN HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond, Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen, Verklaart de tegeneis van geïntimeerden wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, Verwijst appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden vereffend op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 17.200,-F.