Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer: Advies van 27 November 1997 (België). RG 35/97

Date :
27-11-1997
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19971127-11
Numéro de rôle :
35/97

Résumé :

Samenvatting 1

Avis :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 29;
Gelet op de adviesaanvraag van 10 oktober 1997 van de Voorzitter van de Senaat, op de Commissie ontvangen op 13 oktober 1997;
Gelet op het verslag van dhr. Y. Poullet,
Brengt op 27 november 1997 het volgende advies uit :
I. VOORWERP VAN DE ADVIESAANVRAAG :
Bij de Commissie Institutionele Aangelegenheden van de Senaat (hierna, de Senaatscommissie) werd een wetsontwerp en ontwerp van bijzondere wet ingediend tot aanvulling van respectievelijk de wet en de bijzondere wet van 2 mei 1995 betreffende de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen (wetten gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 juli 1995).
De Senaatscommissie wenst het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna, de Commissie) te bekomen over de volgende vraag. Vormt de vermogensaangifte, indien de indiener van de aangifte gehuwd is onder een stelsel van gemeenschap van goederen, een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de echtgeno(o)t(e) ?
De Senaatscommissie merkt op dat, volgens artikel 3, § 3, van voornoemde wet van 2 mei 1995, het Rekenhof borg staat voor de absolute vertrouwelijkheid van de vermogensaangiften, die het onder verzegelde omslag moet bewaren. Enkel een onderzoeksrechter is gemachtigd om de vermogensaangifte in te zien in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat tegen die persoon wordt gevoerd uit hoofde van zijn mandaat of ambt (artikel 3, § 4). Krachtens artikel 10 van het wetsontwerp mogen de vermogensaangiften alleen worden gebruikt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek bedoeld in artikel 3, § 4, van de wet van 2 mei 1995.
II. ONDERZOEK VAN DE VRAAG :
1. De Commissie is van oordeel dat, voor zover de indiener van de aangifte gehuwd is onder een stelsel van gemeenschap van goederen, de vermogensaangifte persoonsgegevens bevat die niet enkel betrekking hebben op de politieke mandataris, maar ook op zijn/haar echtgeno(o)t(e). Ze merkt op dat een dergelijke aangifte ook gegevens zou kunnen bevatten die betrekking hebben op andere personen, wanneer het bijvoorbeeld gaat om een gebouw waarvan men mede-eigenaar is of om een gezamenlijke rekening.
2. De Commissie meent bijgevolg dat de toepassing van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna, de wet van 8 december 1992) en ruimer gezien, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zowel bestudeerd moet worden vanuit het standpunt van de bescherming van de gegevens van de mandatarissen en ambtenaren die in de wet worden bedoeld, als, indien nodig, dat van sommige derden.
3. De Commissie is evenwel van mening dat dergelijke gegevens die zijn opgenomen in de vermogensaangifte, in tegenstelling tot de gegevens bedoeld in artikel 2 van het wetsontwerp, niet het voorwerp uitmaken van een verwerking in de zin van de wet van 8 december 1992, in de mate dat zij onder verzegelde omslag worden ingediend, zoals voorzien in artikel 5, § 3, 3e lid van het wetsontwerp en, volgens artikel 10 van hetzelfde ontwerp, enkel mogen worden gebruikt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek bedoeld in artikel 3, § 4 van de wet van 2 mei 1995.
Wat de wet van 8 december 1992 betreft, kan er zelfs indien het begrip "verwerking" slaat op de manuele bestanden, slechts sprake zijn van een bestand in de zin van de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, indien de logische structuur volgens welke het geheel van persoonsgegevens is samengesteld en bewaard, een systematische raadpleging van deze gegevens mogelijk maakt (Cass. 16 mei 1997, J.T., 1997, blz. 779).
Men kan dus niet spreken van een verwerking in de zin van de wet van 8 december 1992 net zo min als in de opmerkelijk ruime zin van de Europese richtlijn van 24 oktober 1995 (Richtlijn 95/46 EG van het Europees parlement en de Raad, betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB nr. L 281/31) van 23 november 1995). Volgens deze laatste tekst, wordt onder verwerking van persoonsgegevens verstaan : "elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procédés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens."
Volgens de ontworpen teksten wordt er inderdaad geen enkele bewerking op de "verzamelde" gegevens beoogd, maar enkel de samenstelling van een "dossier". De bewaring van dit dossier wordt strikt geregeld door de wet, die eveneens preciseert dat het in uitzonderlijke gevallen gerechtelijk mag worden gebruikt.
4. Verder herinnert de Commissie eraan dat het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer geen absoluut recht is, maar dat volgens artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, er enkele uitzonderingen op dit recht zijn, wanneer het gaat om een hoger algemeen belang waarvan de noodzaak in een democratische samenleving erkend is. De Commissie benadrukt terzake dat rekening moet worden gehouden met het proportionaliteitsbeginsel, dit wil zeggen dat de inbreuken noodzakelijke maatregelen moeten vormen in een democratische samenleving (Arbitragehof België, arrest 4/96 van 9 januari 1996, J. T., 1996, blz. 188) (1).
Het proportionaliteitsonderzoek vereist, naast een belangenafweging tussen het algemeen belang dat door de maatregel wordt nagestreefd en de vertrouwelijkheid van de gegevens, een analyse van de veiligheidswaarborgen die door het aanwezige mechanisme worden geboden.
In dit geval liggen dergelijke waarborgen in de gevolgde procedure -die zeer nauwkeurig wordt beschreven-, en in het bijzonder in het feit dat de medegedeelde gegevens niet worden verwerkt. Wat de proportionaliteit betreft, lijkt op het eerste gezicht dat, ten aanzien van de integriteit die de benoeming tot publiek mandataris en de benoeming in sommige ambtenarenbetrekkingen met zich meebrengen, de wet een procedure zou kunnen instellen om sommige misbruiken te onthullen, zelfs als deze procedure, indien nodig, een minieme inbreuk kan veroorzaken op de bescherming van de gegevens van de personen die betrokken zijn bij deze mandatarissen of ambtenaren.
5. Anderzijds wenst de Commissie er naar aanleiding van deze vraag om advies, uit eigen beweging op aan te dringen dat het voorliggende wetsontwerp zou worden aangegrepen om een duidelijke definitie van de woorden "mandaat, leidend ambt of beroep" op te nemen in de wet en de bijzondere wet van 2 mei 1995. Het hierboven vermelde proportionaliteitsbeginsel zou immers geschonden kunnen worden indien aan deze begrippen een dermate extensieve interpretatie wordt verleend dat personen ertoe worden gedwongen bepaalde activiteiten uit hun privé-leven publiek te maken door een publicatie in het Belgisch Staatsblad zonder dat dit een afdoende verantwoording vindt in de doelstelling van de wet of de bijzondere wet. Meer bepaald kan hier bijvoorbeeld worden gedacht aan vormen van onbezoldigd engagement in socio-culturele verenigingen die zich louter in de private sfeer situeren zonder enige relatie met de in artikel 1 van de wet en de bijzondere wet vermelde functies, maar waaruit ideologische (voorzitter van een oudercomité van een christelijke school) of zelfs medische informatie (bestuurslid van de Liga van Multiple-sclerosepatiNnten) zou kunnen worden afgeleid.
OM DEZE REDENEN,
6. Erkent de Commissie dat de vermogensaangifte voorzien in voornoemd wetsontwerp een inbreuk kan zijn op de bescherming van de persoonsgegevens van personen die met deze mandatarissen betrokken zijn.
Ze is evenwel van mening dat deze inbreuk wettig is, in de mate dat ze effectief tegemoetkomt aan doelstellingen van algemeen belang en ze, waar het het nagestreefde doel betreft, geen overmatige en ontoelaatbare tussenkomst is, die schade zou toebrengen aan de essentie zelf van het beschermde recht (J.O. Viout, La Cour européenne des Droits de l'Homme et le principe de proportionnalité, Liège, Ed. du Jeune Barreau de Liège, 1995, blz. 187).
De Commissie wenst dat rekening wordt gehouden met haar opmerkingen in punt 5.