Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer: Advies van 9 Februari 1995 (België). RG 01/95

Date :
09-02-1995
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19950209-6
Numéro de rôle :
01/95

Résumé :

Samenvatting 1

Avis :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 29,
Gelet op de brieven van de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken, dd. 10 mei 1994 en 30 augustus 1994,
Gelet op het verslag van de Heer ...W...,
Brengt op 9 februari 1995 het volgende advies uit :
I. FEITEN EN RETROAKTEN
1. Bij brief dd. 4 januari 1994 diende dhr ...X... in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Gezondheidscentrum van ... en Omliggende, Dienst Medisch Schooltoezicht, bij het College van Burgemeester en Schepenen van ... een aanvraag in om een adressenlijst te bekomen van de inwoners van..., geboren in 1982 en 1987. De doeleinden waarvoor deze aanvraag werd ingediend werden in de brief niet toegelicht. Er werd enkel vermeld : "Het is wettelijk toegelaten deze lijsten aan de Vereniging zonder winstgevend doel voor Gezondheidszorg te verschaffen".
2. Op 6 januari 1994 beslist het College van Burgemeester en Schepenen : "Zijn akkoord te verlenen om de gevraagde adressenlijsten van de inwoners geboren in 1982 en 1987 ter beschikking te stellen van aanvrager" (art. 1, uittreksel uit het notulenboek van het College van Burgemeester en Schepenen).
3. Bij brief dd. 3 maart 1994 diende dhr ...Y..., gemeenteraadslid van de gemeente ..., bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken klacht in tegen deze beslissing. Volgens dhr ...Y... komen de kinderen geboren in 1982 en 1987 eventueel in aanmerking voor feesten zoals eerste en plechtige communie of het feest van de vrijzinnige jeugd. Daar de dochter van dhr ...X... samenwoont met een fotograaf vreest hij misbruiken. Dhr ...Y... wijst eveneens op het eventueel misbruik van het logo van het gezondheidscentrum.
Volgens de klachtindiener werd door het College van Burgemeester en Schepenen inbreuk gepleegd op de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende het verkrijgen van informatie uit de bevolkingsregisters en uit het vreemdelingenregister (1), aangezien zonder ernstig onderzoek adressenlijsten werden verstrekt. Op de zitting van 28 februari 1994 werd door het gemeenteraadslid terzake uitleg gevraagd. Bij die gelegenheid werd door het College van Burgemeester en Schepenen meegedeeld dat men steeds een onderzoek doet omtrent dergelijke aanvragen, maar werd niet meegedeeld waaruit dergelijk onderzoek bestaat.
4. Bij brief dd. 29 juni 1994 heeft de gouverneur van de provincie ..., na onderzoek, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken medegedeeld : "...Gelet op de goede trouw van het college van burgemeester en schepenen dat blijkbaar nog onvoldoende op de hoogte is van het belang van het koninklijk besluit van 16 juli 1992, ben ik van oordeel dat het hier gaat om een administratieve fout die niet van deze aard is dat grove nalatigheid of kennelijk wangedrag, zoals bedoeld in de artikelen 82 en 83 van de nieuwe gemeentewet, zou kunnen verondersteld worden".
5. Ondertussen was, bij brief dd. 10 mei 1994, deze klacht door de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken aan de Commissie overgemaakt met het verzoek om "...deze klacht te willen onderzoeken en mij op de hoogte te houden van het eventueel gevolg dat U aan deze klacht voorbehoudt".
6. Bij brief dd. 12 juli 1994 heeft de Commissie het College van Burgemeester en Schepenen verzocht "om de Commissie in te lichten over de grond waarop werd gesteund om de informatie te verstrekken en haar verder alle stukken over te maken die nuttig zouden kunnen zijn voor de behandeling van het dossier."
7. Bij brief dd. 15 juli 1994, ontvangen door de Commissie op 18 juli 1994, heeft de Burgemeester van de stad ... als volgt geantwoord : "Hierbij laten wij U copies geworden van alle briefwisseling gevoerd naar aanleiding van de aanvraag adressenlijst bewoners geboren in 1982 en 1987".
8. Bij brief dd. 26 augustus 1994 heeft de Commissie dhr ...X..., voorzitter van het Gezondheidscentrum van ... en Omliggende, Dienst Medisch Schooltoezicht, verzocht : "...de Commissie in te lichten over de doeleinden waartoe het Gezondheidscentrum van ... over de adressenlijsten van de personen, woonachtig in ... en geboren in 1982 en 1987, wenste te beschikken ?"
9. Bij brief dd. 5 september 1994 heeft dhr ...X... als volgt geantwoord : "...Wat de grond van de zaak betreft, kan ik U meedelen dat ik, in mijn hoedanigheid van Voorzitter van het Gezondheidscentrum, inderdaad de listing vroeg van de inwoners van ..., geboren in 1982 en 1987. Als de Voorzitter van de Gezondheidscentrum interesseert het mij immers de evolutie te kennen van het aantal leerlingen, in vergelijking met de vorige jaren. Bij nader toezien, bleek de verstrekte informatie, vergelijkend met de reeds voordien in mijn bezit zijnde gegevens, te ontoereikend, zodat ik de gevraagde en verkregen inlichtingen zonder verder gevolg gerangschikt heb..."
II. BEOORDELING
A) kwalificatie van het dossier : "klacht" of "adviesaanvraag"
1. De aanvraag die dhr ...Y... formuleerde om de zaak te onderzoeken werd gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken. De Minister heeft het dossier doorgestuurd naar de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met het verzoek "deze klacht te willen onderzoeken en mij op de hoogte te houden van het eventueel gevolg dat u aan deze klacht voorbehoudt".
2. De Commissie is van oordeel dat uit de tekst van de wet van 8 december 1992 blijkt dat een klacht, door de indiener van de klacht aan de Commissie dient gericht te worden.
Het artikel 31 paragraaf 2 bepaalt dat het reglement van orde in de uitoefening van een recht van verdediging moet voorzien. Paragraaf 3 stelt dat de Commissie ten aanzien van ontvankelijke klachten elke bemiddelingstaak vervult die zij nuttig oordeelt. Paragraaf 5 bepaalt dat de beslissing, het advies of de aanbeveling worden medegedeeld aan de klager, de houder van het bestand en alle andere in de RECHTSPLEGING betrokken partijen.
Al deze bepalingen doen de Commissie aannemen dat er een rechtstreekse band bestaat tussen de Commissie en de klager. Aanvaarden dat een klacht, geadresseerd aan de Minister, kan omgevormd worden in een klacht aan de Commissie gaat in tegen de wet van 8 december 1992. Zulks strookt trouwens niet met de bedoeling van de klager : met het indienen van een klacht bij de verantwoordelijke Minister, kan de klager het treffen van een disciplinaire maatregel beogen, zonder evenwel de bedoeling te hebben om de procedure bedoeld in artikel 31, paragraaf 3 op gang te brengen. Uit de brief van de klager gericht aan de bevoegde Minister kan niet worden afgeleid dat de klager iets anders heeft gewild dan een optreden van de Minister tegen het College van Burgemeester en Schepenen (in die zin ook advies nr. 20/94 van 20 juni 1994).
De Commissie is van oordeel dat zij slechts een advies kan verstrekken aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken, betreffende de toepassing van de wet van 8 december 1992.
B) Over het recht :
I. Over de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992
Het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende het verkrijgen van informatie uit de bevolkingsregisters en uit het vreemdelingenregister stelt het principe voorop van de niet-verstrekking aan derden van lijsten van personen die in de registers zijn ingeschreven :
Artikel 6 : "Geen enkele lijst van personen ingeschreven in de registers mag aan derden worden verstrekt. Dit verbod is niet van toepassing op de overheden of de openbare instellingen die door of krachtens de wet gemachtigd zijn om dergelijke lijsten te verkrijgen en dit voor de informatie waarop deze machtiging betrekking heeft".
Artikel 7 formuleert op dit beginsel 4 uitzonderingen. In casu werd verwezen naar de eerste uitzondering.
Artikel 7 : "In afwijking van artikel 6 mogen, op schriftelijke aanvraag en met vermelding van het gebruik waarvoor ze gevraagd worden, de personenlijsten die geen andere informatie bevatten dan deze die opgesomd wordt in artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, enkel worden verstrekt :
a) aan de instellingen van Belgisch recht die taken van algemeen belang vervullen die niet het voorwerp waren van een nominatieve aanwijzing door de Koning om toegang te hebben tot de informatie van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met toepassing van artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen; het college van burgemeester en schepenen oordeelt over de gegrondheid van de aanvraag;..."
De Commissie stelt vast :
1° motivering van de aanvraag
Overeenkomstig artikel 7 moet in de schriftelijke aanvraag het gebruik waarvoor de personenlijsten worden gevraagd, worden vermeld. Een dergelijke vermelding ontbreekt in de aanvraag van dhr ...X... Er wordt enkel gesteld dat het "wettelijk is toegelaten deze lijsten aan de Vereniging zonder winstgevend doel voor Gezondheidszorg te verschaffen".
2° beoordeling door het College van de gegrondheid van de aanvraag :
Overeenkomstig artikel 7, a - in de veronderstelling dat deze bepaling van toepassing is - dient het college van burgemeester en schepenen in elk geval de gegrondheid van de aanvraag te beoordelen.
Noch uit het verslag van de zitting van het College van Burgemeester en Schepenen van 4 januari 1994 met betrekking tot de aanvraag vanwege het Gezondheidscentrum van ..., noch uit enig ander document dat door het College aan de Commissie werd overgemaakt blijkt dat een dergelijk onderzoek daadwerkelijk werd verricht.
II. Artikel 5 van de wet van 8 december 1992
Artikel 5 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt : "Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt voor duidelijk omschreven en wettige doeleinden en mogen niet worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden. Zij dienen, uitgaande van die doeleinden, toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn".
De voorzitter van het Gezondheidscentrum van ... Dienst Medisch Schooltoezicht, heeft de doeleinden waarvoor hij de adressenlijsten van de inwoners ........, geboren in 1982 en 1987, wenste te gebruiken, niet duidelijk omschreven.
Door de betrokken persoonsgegevens niettemin, op basis van die vage doelomschrijving, aan de heer ...X... mede te delen, heeft het College van Burgemeester en Schepenen artikel 5 van de wet van 8 december 1992 miskend.
De Commissie laat het aan de Minister over om te oordelen in hoeverre het College van burgemeester en schepenen ter goede trouw heeft gehandeld.
OM DEZE REDENEN
Is de Commissie van oordeel dat de feiten doen blijken van een miskenning van het finaliteitsbeginsel bedoeld in artikel 5 van de wet van 8 december 1992, alsmede van de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992.