Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 14 Juli 1994 (België). RG 384224

Date :
14-07-1994
Langue :
Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19940714-2
Numéro de rôle :
384224

Résumé :

(Verzoekster vermeldt dat op 24 december 1990 een 'hold-up' gepleegd werd op het door haar echtgenoot (D.) uitgebate agentschap SPAARKREDIET te Hemiksem. De heer D. werd neergeschoten en overleed op 20 februari 1991, na 58 dagen in comateuse toestand te hebben verkeerd. Verder vermeldt zij dat - alhoewel door de n.v. SPAARKREDIET een gewaarborgde vergoeding werd uitgekeerd, een afrekening van commissielonen werd opgemaakt en de gemaakte onkosten werden vergoed - zij zich toch in een ernstige materiële noodtoestand bevindt en een verlies aan levensonderhoud lijdt. Berekend op basis van het inkomen genoten door haar echtgenoot (in 1990 maandelijks 51.666 frank + een commissieloon aan 18.409 frank) beweert zij thans een inkomen te moeten derven van minstens 840.897 frank. Verzoekster heeft op 22 juli 1991 op het parket van de procureur des Konings te Antwerpen klacht tegen onbekenden neergelegd, evenwel zonder zich burgerlijke partij te stellen. Bij beschikking dd. ... 1993 van de correctionele raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd de onderzoeksrechter ontlast van verder onderzoek. Art. 31 van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt de voorwaarden onder dewelke een hulp van de Staat kan worden gevraagd. Eén van de voorwaarden is dat het slachtoffer zich burgerlijke partij moet hebben gesteld uit hoofde van de bestanddelen van het strafbare feit van de opzettelijke gewelddaad (alinéa 1, 3 van het artikel) Het feit dat de procureur des Konings te Antwerpen ambtshalve een onderzoek had ingesteld, verhinderde de verzoekster niet zich tijdig burgerlijke partij te stellen en kan haar niet vrijstellen van de haar door de wet opgelegde ontvankelijkheidsvoorwaarde om een hulp van de Staat te bekomen. De bewering van verzoekster dat een burgerlijke partijstelling teveel kosten zou meebrengen is volkomen onbewezen en gaat daarenboven voorbij aan de mogelijkheid rechtsbijstand te vragen. OP DIE GRONDEN, De Commissie, Gelet op de artikelen 17 alinéa 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986, Verklaart het verzoek onontvankelijk.)

Decision :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.