Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 14 Juli 1994 (België). RG 496207

Date :
14-07-1994
Langue :
Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19940714-4
Numéro de rôle :
496207

Résumé :

(Uit de stukken blijkt dat de echtgenoot van verzoekster, P. één van de dodelijke slachtoffers was van de overval gepleegd op 9 november 1985 op het grootwarenhuis Delhaize. Verzoekster stelde zich op 12 november 1990 burgerlijke partij tegen onbekenden. Het gerechtelijk onderzoek is nog niet beëindigd en de daders niet gekend. Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De artikelen 31, alinéa 2 en 32, alinéa 2 van de wet van 1 augustus 1985 bepalen dat wanneer het slachtoffer overleden is ten gevolge van de opzettelijke gewelddaad, een hulp kan worden toegekend aan de personen die op het ogenblik van zijn overlijden te zijnen laste waren indien zij zich ingevolge dit overlijden in een ernstige materiële noodsituatie bevinden. De schadeloosstelling komt dan tegemoet aan het verlies van levensonderhoud. Uit de stukken blijkt dat de verzoekster sinds geruime tijd vóór de feiten gescheiden leefde van haar echtgenoot. Nadat de vrederechter te Aalst reeds op 24 juli 1984 een aantal maatregelen had bevolen, werd door de echtgenoot van de verzoekster een vordering tot echtscheiding ingesteld. Bij bevelschrift in kortgeding van 28 november 1984 werd beslist dat de kinderen aan de bewaring van hun vader werden toevertrouwd terwijl aan de verzoekster voor haar persoonlijk een onderhoudsgeld van amper 5.000 frank per maand werd toegekend. In die gegeven omstandigheden dient vastgesteld te worden dat de verzoekster in het jaar voor het overlijden van haar echtgenoot slechts in geringe mate afhankelijk kon zijn van deze laatste. De uitgevoerde onderzoeksverrichtingen hebben verder uitgewezen dat de verzoekster minstens sinds 1 juli 1985 - hetzij reeds vóór het overlijden van haar echtgenoot - door het OCMW van Erpe-Mere werd gesteund. De verzoekster gaf toe dat haar echtgenoot het onderhoudsgeld niet betaalde. Het OCMW heeft haar het bestaansminimum toegekend, onder aftrek van een klein pensioen dat zij toen ontving. De tussenkomsten van het OCMW vervielen einde 1989, toen de verzoekster een volwaardig pensioen mocht ontvangen. Dit pensioen zou, naar de verzoekster voorhoudt, thans ongeveer 28.000 frank per maand bedragen. De verzoekster betwist verder niet dat de n.v. Delhaize de begrafeniskosten heeft betaald en dat zij ook aan de verzoekster een vergoeding van 160.000 frank heeft uitgekeerd. Uit voormelde vaststellingen moet worden besloten dat de financiële afhankelijkheid van de verzoekster van haar echtgenoot quasi onbestaande was en dat zij door het overlijden van haar echtgenoot niet in een ernstige noodsituatie is gekomen. Haar verzoek is derhalve niet gegrond. OP DIE GRONDEN, De Commissie, Gelet op de artikelen 17 alinéa 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986, Verklaart het verzoek ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.)

Decision :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.