Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 16 December 2009 (België). RG M90326/6604
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20091216-2
- Numéro de rôle :
- M90326/6604
Résumé :
Samenvatting 1
Decision :
(...)
I. Feiten
Verzoekster legde volgende verklaring af voor de politie te Beveren:
"Op 01/01/2005 omstreeks 04.15 uur liep ik samen met mijn echtgenoot X. Walter, mijn broer Y. Guido en mijn schoonzuster D. Greta te ..., Grote Markt in de richting van ... .
Ter hoogte van de winkel PREMAMAN zagen wij een groep van een vijftal jongeren staan. Op straat zelf was een koppeltje ruzie aan het maken.
Mijn schoonzuster en ikzelf liepen op dat ogenblik achter onze mannen en waren met elkaar in gesprek. Plots zag ik dat mijn broer problemen had met de jongen van het ruziënde koppel.
Maar vooraleer ik besefte wat er werkelijk gebeurde was één van de groep,de kleinste, op mij afgekomen en gaf mij een stamp waardoor ik in de struiken net voorbij Premaman gevallen ben. Tijdens het vallen, trok ik de zwarte muts van de jongen die mij omver duwde, af en heb ze weggegooid
Mijn echtgenoot is toen naar de kleine toe gestapt maar op dat moment kwam de rest van de groep op hem af. Doordat ik aan zijn jas trok en zei om verder te gaan, heeft de groep ons zonder verder nog iets te doen met rust gelaten. Zij bleven ons wel op afstand volgen.
Omdat ze ons bleven volgen, en ik er niet gerust in was, heb ik de politie gebeld.
Toen wij een paar honderd meter verder ter hoogte van het ziekenhuis in de ... kwamen, vloog dezelfde die mij weleer aangevallen had, mij terug aan en vroeg waar zijn muts was. Ik heb nog geantwoord dat ik dat niet wist.
Hierdoor begon de groep terug tegen ons te vechten waardoor mijn broer Guido met zijn hoofd op de grond en de straat terecht kwam en mijn echtgenoot tegen de gevel van het ziekenhuis viel. Een paar van de jongeren waren op mijn echtgenoot aan het schoppen. Hierdoor riep ik in paniek dat de politie op komst was..
Hierdoor zijn ze geschrokken en zijn ze allemaal de oprit van het ziekenhuis opgelopen waardoor we ze niet meer gezien hebben.
Op het moment van het incident aan het ziekenhuis, is er een autobus van DE LIJN gestopt en hier zijn toen twee passagiers evenals de chauffeur uitgestapt. De twee passagiers hebben hun identiteit kenbaar gemaakt om een verklaring als getuige af te leggen ."
II. Vervolging
Op 29 december 2005 werd het dossier geseponeerd omwille van ‘onvoldoende bewijzen'.
Op 3 maart 2008 ging verzoekster over tot dagvaarding van de heer Matthew B.. Bij vonnis dd. 13 maart 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd zijn vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.
"Uit deze feitelijke gegevens die blijken uit de strafinformatie komt enkel vast te staan dat verweerder, die aanvankelijk aan het ruziën was met zijn vriendin, in een twist is betrokken geraakt met Y. Guido, thans geen partij in deze. Voorts blijkt niet in welke mate verweerder zou ‘betrokken' geweest zijn in de feitelijkheden door dewelke de eisers schade hebben geleden.
Eisers stelden via hun raadsman ter terechtzitting dat het juist was dat niemand de verweerder slagen heeft zien toedienen; wel stellen zij dat hij aanwezig was bij de slagen die door derden aan hen werden toegediend.
Evenwel is de echtbank van oordeel dat het louter ‘aanwezig' zijn - zij het in elk geval bij de eerste schermutseling en misschien eveneens 500 meter verder, toen de eisers en het andere echtpaar reeds waren verder gestapt, - niet kan weerhouden worden als een ‘positieve' daad op dewelke de ‘deelneming' zou gestoeld zijn, noch als enige fout in de zin van artikel 1382 B.W.
In de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de eisers, bij gebrek aan afdoende bewijs van enige positieve daad die een fout zou uitmaken in de zin van artikel 1382 B.W. dan wel als deelneming van een strafbaar feit, als ongegrond dient te worden afgewezen."
III. Medische gevolgen
Op 3 juni 2006 werd verzoekster onderzocht door dokter Bart N., medisch expert.
In zijn verslag d.d. 7 juni 2006 kwam dokter N. tot volgende bespreking en besluit:
"Betrokkene liep kneuzingen op welke 2 à 3 weken later waren geheeld. Er blijven nog wel wat angstklachten bij het zien van een groep jongere mensen. Er was een ongeschiktheid voor huishoudelijk werk tot 21.01.05.
TO huishouden:
100% van 01.01.05 tot 21.01.05
30% van 22.01.05 tot 31.01.05
25% van 01.02.05 tot 28.02.05.
TWO
100% van 01.01.05 tot 21.01.05
30% van 22.01.05 tot 31.01.05
25% van 01.02.05 tot 28.02.05
10% van 01.03.05 tot 31.03.05
5% van 01.04.05 tot 30.06.05.
Consolidatie op 01.07.05 met 2% BI, geen BWO."
IV. Begroting van de schade door de verzoekster
Verzoekster begroot de door haar geleden schade als volgt:
- T.W.O.: euro 775,00
- Economische waarde huishouden: euro 352,63
- Remgeld: euro 11,27
- B.I.: euro1.375,00
- Intresten: euro 167,19
Totaal : euro 2.681,09
V. Beoordeling door de Commissie
A. Ontvankelijkheid
Artikel 31bis, § 1, 3°, van de wet van 1 augustus 1985 luidt als volgt:
"Er is een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering genomen en de verzoekster heeft schadevergoeding nagestreefd door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.
Indien het strafdossier geseponeerd is wegens het onbekend blijven van de dader, kan de commissie oordelen dat het voldoende is dat de verzoekster klacht heeft ingediend of de hoedanigheid van benadeelde persoon heeft aangenomen."
Het eerdere verzoekschrift tot hulp, dat mevrouw Y. op 26 juli 2006 ingediend had, ingeschreven onder algemeen rolnummer M 60773 , werd door de Commissie op 16 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard omdat het strafdossier geseponeerd werd wegens ‘onvoldoende bewijzen' en aldus niet voldaan was aan de in het artikel 31bis, § 1, 3° voorziene ontvankelijkheidsvoorwaarden.
Evenwel, na deze beslissing van de Commissie verscheen op 9 februari 2007 in het Belgisch Staatsblad het arrest nr. 196/2006 van 13 december 2006 uitgesproken door het Arbitragehof (thans: Grondwettelijk Hof), zeggende voor recht dat artikel 31bis, § 1, 3°, eerste lid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat het het slachtoffer, dat heeft gekozen voor de burgerlijke procedure, niet toestaat een verzoek tot hulp in te dienen bij de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, wanneer de strafvordering door het openbaar ministerie werd geseponeerd.
Uit de dispositieven van het arrest van het Grondwettelijk Hof blijkt dat wie een louter civielrechtelijke procedure voert, aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor de Commissie kan voldoen, ongeacht de reden van sepot.
Op 2 april 2009 heeft mevrouw Y. dan opnieuw een verzoekschrift ingeleid. In afwachting van een aanpassing van de wet hoort de Commissie zich te richten naar voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof en het voorliggend verzoekschrift ontvankelijk te verklaren.
B. Ten gronde
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985. ‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een hulp.
Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006 (G. Bijnens t./ Belgische Staat).
‘Economische waarde huishouden' is evenmin opgenomen in de limitatieve opsomming in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 en komt volgens een constante rechtspraak van de Commissie dus niet in aanmerking voor een hulp.
In de berekening van de post "morele schade TWO" is er een klaarblijkelijke misslag geslopen. Het juiste bedrag moet euro 966,25 zijn in plaats van euro 775.
Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de door verzoekster opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten, meent de Commissie aan verzoekster in billijkheid een hulp te kunnen toekennen zoals hierna bepaald.
VI. Begroting van de hulp door de Commissie
De Commissie meent de hulp naar billijkheid te kunnen begroten op euro 2.352.
*
* *
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 40quater van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003, 22 april 2003, 27 december 2004, 13 januari 2006 en 27 december 2006, en het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 2.352.
Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 16 december 2009.
De plv. secretaris, De voorzitter,
B. VAN BEURDEN P. DE SMET