Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 16 Oktober 2007 (België). RG M70175/5321
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20071016-44
- Numéro de rôle :
- M70175/5321
Résumé :
Samenvatting 1
Decision :
I. Feiten
Uit de stukken blijkt dat mevrouw Christiane Y. door haar vriend, de heer Robert Z., werd gewurgd met een elektriciteitskabel.
II. Vervolging
Bij arrest van het Hof van assisen van de provincie ... d.d. 13 november 2006 werd de heer Z. veroordeeld tot drieëntwintig jaar opsluiting.
Bij arrest van het hetzelfde Hof van assisen d.d. 20 november 2006 werd hij veroordeeld tot het betalen van euro 2.250 meer de intresten aan de verzoeker.
III. Begroting van de schade door de verzoeker
De verzoeker vraagt euro 2.500 voor morele schade.
IV. Beoordeling door de Commissie
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de daders zijn quasi onbestaande.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit.
Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
De Commissie kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1 van de wet van 1 augustus 1985. Intresten zijn niet opgenomen in deze limitatieve opsomming en komen dus niet in aanmerking voor vergoeding. Het behoort overigens tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Deze zienswijze van de Commissie werd trouwens bevestigd door het arrest nr. 165.787 d.d. 12 december 2006 van de Raad van State.
Rekening houdende met de ernst van de feiten en met de door de verzoeker geleden schade ten gevolge van het overlijden van zijn zus zoals dit blijkt uit het neergelegde dossier, meent de Commissie aan verzoeker voor de geleden morele schade naar billijkheid een hulp te kunnen toekennen.
*
* *
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37bis van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003 en 22 april 2003 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent de verzoeker een hulp toe van euro 2.250,00.
Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 16 oktober 2007.
De secretaris a.i., De voorzitter,
P. VERHOEVEN P. DE SMET