Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 22 September 2015 (België). RG M15-0031-1
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20150922-12
- Numéro de rôle :
- M15-0031-1
Résumé :
Samenvatting 1
Decision :
(...)
I. Feiten en vervolging
Op 3 juni 2011 kwam Aron Y., het zoontje van verzoeker, om het leven door vergiftiging, toegediend door Petra Z., moeder van Aron en sinds 2008 officieel gescheiden van verzoeker. Aron woonde na de scheiding bij zijn moeder. Verzoeker betaalde steeds het vastgestelde onderhoudsgeld en bezocht zijn zoontje in de kliniek na de vergiftiging van 15 mei 2011 (arrest 8/10/2014, f° 3).
Arrest dd. 25/09/2014, Hof van assisen zitting houdend te ...
"De voornaamste gemeenschappelijke redenen die tot de beslissing van de jury en het hof hebben geleid zijn de volgende:
- de vorige toedieningen van producten zoals Dipiperon en Etumine aan Aron die niet voor hem voorgeschreven waren, met het doel een ziekenhuisopname uit te lokken, gebeurden met voorhanden zijnde geneesmiddelen.
Op het ogenblik van de onderzochte feiten waren een aantal geneesmiddelen voorhanden die eventueel in een cocktail van die aard konden zijn dat ze de gezondheid van Aron ernstig konden schaden. De beschuldigde opteerde er deze maal ervoor gebruik te maken van een echt vergif in plaats van medicamenten die een therapeutisch doel hebben.
- de wil om via het vergif de dood teweeg te brengen blijkt tevens uit het feit dat de beschuldigde in de cruciale uren na de ontdekking van de feiten aan getuigen en hulpverleners weigerde mee te delen om welk product het ging. De beschuldigde wilde daardoor voorkomen dat het door haar beoogde resultaat van de door haar gestelde daad, nl. de dood van Aron, zou gecounterd kunnen worden door een efficiënt en tijdig medisch ingrijpen, los van het feit of zij al dan niet kennis had van het feit of een medische tussenkomst nog nuttig kon zijn."
" Verklaart de beschuldigde Petra Z. schuldig aan:
te Ichtegem op 15 mei 2011, doodslag, dit is opzettelijk en met het oogmerk om te doden, gepleegd te hebben op de persoon van Aron Y., geboren te ... op ../../2002, de dood ingetreden zijnde te ... op 3 juni 2011, met de omstandigheid dat de doodslag gepleegd werd door vergiftiging, door middel van stoffen die min of meer snel de dood kunnen teweegbrengen, op welke wijze die stoffen ook aangewend of toegediend zijn, te weten door het toedienen van Malathion."
Bij een arrest van dezelfde datum werd Z. veroordeeld tot 18 jaar opsluiting.
Op burgerlijk gebied werd Z. bij arrest dd. 8 oktober 2014 veroordeeld tot betaling aan verzoeker een morele schadevergoeding van euro 3.000 ( euro 10.000 gevorderd in de nota burgerlijke partijstelling) voor het verlies van zijn enige zoon die hij met Z. had, meer de intresten en een rechtsplegingsvergoeding van euro 200 ("gelet op de zeer beperkte financiële middelen van Petra Z.").
Tegen dit arrest werd geen rechtsmiddel meer aangewend.
III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling
III-1. Verzoeker: "Op de afrekening van de raadsman van verzoeker gericht aan de raadsman van mevrouw Z. kwam geen enkele reactie. Betaling bleef uit. Gelet op de strafmaat zal
mevrouw Z. nog lange tijd opgesloten blijven en is betaling ook niet te verwachten. De zeer beperkte financiële middelen van Petra Z. zijn ook uitdrukkelijk vermeld in het arrest van 8 oktober 2014."
III-2. Verzoeker is familiaal verzekerd bij EUROMEX maar de in de polis vervatte insolventieclausule voorziet geen tussenkomst in geval van agressie of gewelddaad.
IV. Begroting van de gevraagde hulp
Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 10.000 voor morele schade:
" Verzoeker vraagt uitdrukkelijk om het gevraagde bedrag van euro 10.000,00 toe te kennen en wel om volgende redenen.
Bovenal verloor verzoeker zijn zoon. In feite verloor hij zijn kind twee maal. Eerst maakte de moeder alle contact tussen vader en zoon feitelijk onmogelijk. Toen partijen gescheiden gingen wonen oefende verzoeker aanvankelijk een bezoekrecht uit. Telkens draaide dit uit op problemen met de moeder. Zij verweet verzoeker telkens slecht voor de zoon gezorgd te hebben of zijn gezondheid te hebben geschaad. Uiteraard was het belangrijkste slachtoffer van deze ruzies het kind zelf. Verzoeker heeft daarom gedurende enige tijd afgezien van het verder uitoefenen van zijn bezoekrecht. Bedoeling was om in de loop der tijd het contact te vermeerderen/herstellen wanneer de zoon zelfstandiger zou worden en minder afhankelijk zou zijn van zijn moeder. Zover is het
helaas nooit gekomen.
Bovendien zijn er een aantal factoren die het verlies extra schrijnend maken, en die de morele schade hebben vergroot.
- Aron is gestorven ten gevolge van een opzettelijke daad van zijn moeder, die de intentie tot doden had. Dat blijkt uit het arrest van het Assisenhof. Een kind verliezen door ongeval is dramatisch. Een kind verliezen door opzettelijke feiten, gepleegd door de moeder, vergroot het leed exponentieel.
- Aron is vermoord door de persoon die altijd heeft aangedrongen om zelf voor Aron in te staan. Het is dan ook extra pijnlijk dat precies die persoon die voor het kind moet zorgen, overgaat tot moord.
- Gedurende de ganse loop van het onderzoek heeft de moeder verzoeker ervan beschuldigd om in het verleden zelf Aron te hebben willen vergiftigen, terwijl duidelijk bleek dat ook die pogingen enkel te wijten waren aan de moeder zelf.
- Ook tijdens het assisenproces zelf bleef de moeder verzoeker beschuldigen van die feiten, en werd verzoeker meermaals afgeschilderd als een slechte echtgenoot en vader. Dit terwijl het niet verzoeker was die feiten had gepleegd, maar wel (en alleen) de moeder. Het proces zelf was aldus voor verzoeker emotioneel zeer moeilijk.
- De manier waarop Aron vermoord werd, was gruwelijk. De moeder heeft hem een fatale dosis vergif gegeven, waarna Aron meteen werd opgenomen in het ziekenhuis, en uiteindelijk na 18 dagen doodstrijd is overleden.
- Het feit dat de moeder het niet nodig vond om verzoeker op de hoogte te brengen van de situatie van Aron. Verzoeker heeft dat in de pers moeten vernemen.
- De duur van de onzekerheid over de afloop. Nadat verzoeker de feiten had vernomen bleef Aron gedurende (ruim) 2 weken in kritieke toestand en met verschrikkelijke pijnen opgenomen in het ziekenhuis, waarna hij is overleden.
Verzoeker zelf is reeds lang invalide. Zijn inkomen beperkt zich een invaliditeitsuitkering. Al deze elementen samen rechtvaardigen dan ook een vergoeding van euro 10.000,00."
V. Beoordeling door de Commissie
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.
Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de hoven en rechtbanken zich bedienen. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op het tarief dat overeenstemt met de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters ( euro 5.000 voor een niet-inwonende ouder van een overleden slachtoffer) en tevens op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.
Gelet evenwel op de gruwelijkheid van de omstandigheden waarin de zoon van verzoeker om het leven kwam en - zoals uit het relaas ter rechtszitting is gebleken - op onder meer de daaraan voorafgaande perioden waarin verzoeker zijn bezoekrecht niet kon uitoefenen omwille van de ziektes van het kind die door zijn ex-vrouw in de hand werden gewerkt, meent de Commissie, naar billijkheid oordelend, te mogen afwijken van de forfaitaire waarde volgens de indicatieve tabel en in dit specifiek dossier voor de post ‘morele schade' een financiële hulp van euro 7.500 ex aequo et bono te mogen toewijzen.
In deze context wenst de Commissie nog te benadrukken dat, naar haar oordeel, moreel leed, zoals pijn of smart, niet louter door een geldelijke tegemoetkoming kan gelenigd worden. Hooguit is de financiële hulp een erkenning van dit leed, een vorm van troost, een middel om het leed draaglijker te maken. Dienvolgens kan het toegekende bedrag slechts een abstracte begroting zijn.
*
* *
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op:
- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;
- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;
- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,
Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 7.500.
Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 22 september 2015.
De plv. secretaris, De voorzitter,
B. VAN BEURDEN P. DE SMET