Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 25 Augustus 1994 (België). RG 598250

Date :
25-08-1994
Langue :
Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19940825-6
Numéro de rôle :
598250

Résumé :

(In zijn inleidend verzoekschrift verwijst de verzoeker, in de hoedanigheid waarin hij optreedt, naar het verzoekschrift dat hij ook in eigen naam heeft neergelegd. Daarin werd gesteld dat hij voortdurend het slachtoffer was van valse beschuldigingen én door geneesheren én door het Centrum voor geestelijke gezondheidszorg te Maasmechelen én door het Vertrouwensartsencentrum van het U.Z. Gasthuisberg te Leuven en de klacht tegen hem wegens kindermishandeling en pedofilie. In een aangehecht begeleidend schrijven wees de verzoeker er op dat zijn dochter A. verplicht werd hem te betichten van pedofilie. Om eventueel aanspraak te kunnen maken op een hulp van de Staat, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 augustus 1985 moet de verzoekende partij een ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor haar gezondheid geleden hebben als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad (artikel 31 van de wet). De wet stelt verder als voorwaarde tot neerlegging van een verzoekschrift dat bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing uitspraak werd gedaan over de strafvordering of, indien de dader niet kon vervolgd of veroordeeld worden, na beslissing van het onderzoeksgerecht (artikel 34, alinéa 2 van de wet). Het kind van de verzoeker voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op een tussenkomst van het Fonds. Uit niets blijkt dat er opzettelijk fysisch geweld gepleegd werd op haar persoon. Er is ook geen uitspraak van een straf- of onderzoeksgerecht en de vertegenwoordiger van het kind heeft zich nooit burgerlijke partij gesteld (art. 31, alinéa 1, 3). Het verzoek is derhalve niet ontvankelijk. OP DIE GRONDEN, De Commissie, Gelet op de artikelen 17 alinéa 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37 van de wet van 1 augustus 1985 en de artikelen 28 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986, Verklaart het verzoek niet ontvankelijk.)

Decision :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.