Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders: Beslissing van 4 Maart 2004 (België). RG M3473-3119
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20040304-1
- Numéro de rôle :
- M3473-3119
Résumé :
Samenvatting 1
Decision :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
(...)
I. Feiten
Uit de stukken blijkt dat verzoeker op 18 december 1999 het slachtoffer was van een overval.
II. Vervolging
Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 15 maart 2000 werd de genaamde R. bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar. Op burgerlijk gebied werd de dader veroordeeld om aan verzoeker als schadevergoeding 1 frank provisioneel te betalen, te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten. Tenslotte werd dokter P. Van de H. aangesteld als deskundige met als opdracht verzoeker te onderzoeken.
R. tekende verzet aan tegen voormeld vonnis.
Bij vonnis van dezelfde rechtbank d.d. 12 juli 2000 werd het verzet ontvankelijk verklaard en werd de zaak gesteld om ten gronde te worden behandeld.
Over de zaak ten gronde is tot op heden geen uitspraak gedaan en dit kan thans ook niet meer gelet op het feit dat R. overleden is op 16 december 2000.
Bij schrijven d.d. 2 maart 2001 deelde de door de rechtbank aangestelde deskundige, dokter Van De H., mede dat er nog bijkomend onderzoek diende te worden gedaan door professor De J. met het oog op het evalueren van de hoofdpijnklachten van cliënt en het verband met de feiten d.d. 18 december 1999.
Tot op heden heeft de deskundige zijn verslag nog steeds niet neergelegd.
III. Schadeloosstelling en financiële situatie
Bij schrijven d.d. 31 maart 2003 verklaarde verzoeker dat hij voor de hem op 18 december 1999 overkomen feiten niet verzekerd was. De raadsman van verzoeker deelde tevens mede dat zijn cliënt niet zou beschikken over een verzekering rechtsbijstand.
IV. Medische gevolgen
Dokter Van R. stelt verzoeker te hebben verzorgd naar aanleiding van de feiten die verzoeker zijn overkomen op 18 december 1999. Verzoeker consulteerde de geneesheer 4 maal in december en januari.
Bij een onderzoek van verzoeker op 21 december 1999 stelde dokter Van R. volgende letsels vast:
- ernstige verstuiking rechter duim;
- duidelijke vererging van gehoorklachten thv linker oor met meer dan 40% met bloedverlies uit oor, praktisch volledige doofheid thv linker oor. Als gevolg hiervan werd tweemaal een paracentese (opening in trommelvlies) uitgevoerd.
De geneesheer stelt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen deze klachten en de vererging van de gehoorsklachten ten gevolge van de feiten d.d. 18 december 1999. Verzoeker is gekend als 66% invalide.
De bevindingen worden bevestigd door dokter De S., die bij verzoeker een gehoordaling links vaststelde van 20db t.o.v. de toestand voor het trauma.
Gelet op het uitblijven van het verslag van de deskundige heeft de verslaggeefster bij bevelschrift d.d.
24 november 2003 de Gerechtelijk-geneeskundige dienst gelast met de opdracht verzoeker medisch te onderzoeken.
V. Begroting van de schade door de verzoeker
Voor het begroten van de (hoofd)hulp zal verzoeker steunen op het nog neer te leggen verslag van de deskundige van de Gerechtelijk-geneeskundige dienst. De verzoeker heeft geen andere stappen gepland teneinde een schaderaming op te maken.
Wat de noodhulp betreft maakt verzoeker een attest van tussenkomst van de mutualiteit over d.d. 22 juni 2001.
VI. Beoordeling door de Commissie
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de dader zijn quasi onbestaande.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
Een noodhulp kan, conform artikel 36, eerste lid van de wet van 1 augustus 1985, worden toegekend, indien elke vertraging bij de hulpverlening de verzoeker een aanzienlijk nadeel zou kunnen berokkenen. Uit de voorgelegde stukken blijkt nergens dat verzoeker aanzienlijke kosten heeft moeten maken
De behandeling van de zaak met betrekking tot de hoofdhulp wordt verdaagd tot na de neerlegging van het definitief deskundig verslag van de deskundige van de Gerechtelijk -geneeskundige Dienst.
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 ,§ 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37bis van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003 en 22 april 2003 en de artikelen 14 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek tot een noodhulp ongegrond;
Verwijst de zaak, wat de hoofdhulp betreft, naar de bijzondere rol, in afwachting van de neerlegging van het definitief deskundig verslag.
Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 4 maart 2004.
I. Feiten
Uit de stukken blijkt dat verzoeker op 18 december 1999 het slachtoffer was van een overval.
II. Vervolging
Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 15 maart 2000 werd de genaamde R. bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar. Op burgerlijk gebied werd de dader veroordeeld om aan verzoeker als schadevergoeding 1 frank provisioneel te betalen, te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten. Tenslotte werd dokter P. Van de H. aangesteld als deskundige met als opdracht verzoeker te onderzoeken.
R. tekende verzet aan tegen voormeld vonnis.
Bij vonnis van dezelfde rechtbank d.d. 12 juli 2000 werd het verzet ontvankelijk verklaard en werd de zaak gesteld om ten gronde te worden behandeld.
Over de zaak ten gronde is tot op heden geen uitspraak gedaan en dit kan thans ook niet meer gelet op het feit dat R. overleden is op 16 december 2000.
Bij schrijven d.d. 2 maart 2001 deelde de door de rechtbank aangestelde deskundige, dokter Van De H., mede dat er nog bijkomend onderzoek diende te worden gedaan door professor De J. met het oog op het evalueren van de hoofdpijnklachten van cliënt en het verband met de feiten d.d. 18 december 1999.
Tot op heden heeft de deskundige zijn verslag nog steeds niet neergelegd.
III. Schadeloosstelling en financiële situatie
Bij schrijven d.d. 31 maart 2003 verklaarde verzoeker dat hij voor de hem op 18 december 1999 overkomen feiten niet verzekerd was. De raadsman van verzoeker deelde tevens mede dat zijn cliënt niet zou beschikken over een verzekering rechtsbijstand.
IV. Medische gevolgen
Dokter Van R. stelt verzoeker te hebben verzorgd naar aanleiding van de feiten die verzoeker zijn overkomen op 18 december 1999. Verzoeker consulteerde de geneesheer 4 maal in december en januari.
Bij een onderzoek van verzoeker op 21 december 1999 stelde dokter Van R. volgende letsels vast:
- ernstige verstuiking rechter duim;
- duidelijke vererging van gehoorklachten thv linker oor met meer dan 40% met bloedverlies uit oor, praktisch volledige doofheid thv linker oor. Als gevolg hiervan werd tweemaal een paracentese (opening in trommelvlies) uitgevoerd.
De geneesheer stelt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen deze klachten en de vererging van de gehoorsklachten ten gevolge van de feiten d.d. 18 december 1999. Verzoeker is gekend als 66% invalide.
De bevindingen worden bevestigd door dokter De S., die bij verzoeker een gehoordaling links vaststelde van 20db t.o.v. de toestand voor het trauma.
Gelet op het uitblijven van het verslag van de deskundige heeft de verslaggeefster bij bevelschrift d.d.
24 november 2003 de Gerechtelijk-geneeskundige dienst gelast met de opdracht verzoeker medisch te onderzoeken.
V. Begroting van de schade door de verzoeker
Voor het begroten van de (hoofd)hulp zal verzoeker steunen op het nog neer te leggen verslag van de deskundige van de Gerechtelijk-geneeskundige dienst. De verzoeker heeft geen andere stappen gepland teneinde een schaderaming op te maken.
Wat de noodhulp betreft maakt verzoeker een attest van tussenkomst van de mutualiteit over d.d. 22 juni 2001.
VI. Beoordeling door de Commissie
Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan. De kansen op verhaal tegenover de dader zijn quasi onbestaande.
De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.
Een noodhulp kan, conform artikel 36, eerste lid van de wet van 1 augustus 1985, worden toegekend, indien elke vertraging bij de hulpverlening de verzoeker een aanzienlijk nadeel zou kunnen berokkenen. Uit de voorgelegde stukken blijkt nergens dat verzoeker aanzienlijke kosten heeft moeten maken
De behandeling van de zaak met betrekking tot de hoofdhulp wordt verdaagd tot na de neerlegging van het definitief deskundig verslag van de deskundige van de Gerechtelijk -geneeskundige Dienst.
OP DIE GRONDEN,
De Commissie,
Gelet op de artikelen 17 ,§ 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 37bis van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003 en 22 april 2003 en de artikelen 14 tot 34 van het K.B. van 18 december 1986,
Verklaart het verzoek tot een noodhulp ongegrond;
Verwijst de zaak, wat de hoofdhulp betreft, naar de bijzondere rol, in afwachting van de neerlegging van het definitief deskundig verslag.
Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 4 maart 2004.