Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 1 December 2016 (België). RG 154/2016

Date :
01-12-2016
Langue :
Allemand Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20161201-4
Numéro de rôle :
154/2016

Résumé :

Het Hof zegt voor recht : Artikel 74, § 3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen schendt artikel 175 van de Grondwet niet.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 11 maart 2016 in zake de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tegen de Belgische Staat, de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 maart 2016, heeft het Arbeidshof te Gent, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 74 van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen de bevoegdheidsverdelende regelen en meer bepaald artikel 175 van de Grondwet doordat zij het lot regelt van het IWONL na de opheffing van dit instituut, waarbij deze overdracht van rechtswege geschiedt naar de Gemeenschappen en de Gewesten naargelang de delegatie die zij aan het IWONL hebben gegeven, voor zover deze overdracht niet door de Koning is geregeld bij in Ministerraad overlegde besluiten, terwijl een dergelijke wet die de financiering van de gemeenschappen en gewesten regelt slechts met een wet die met een bijzondere meerderheid wordt aangenomen kan worden geregeld ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de context van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. Het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw (hierna : IWONL) werd opgericht bij de besluitwet van 27 december 1944 « houdende oprichting van een instituut tot aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw ».

B.1.2. De besluitwet van 27 december 1944 werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 juni 1957 « houdende omwerking van het statuut van het Instituut tot Aanmoediging van het Wetenschappelijk Onderzoek in Nijverheid en Landbouw » (hierna : koninklijk besluit van 5 juni 1957).

Krachtens artikel 1 van het statuut van het IWONL, gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 juni 1957, aangevuld en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 86 van 11 november 1967 tot wijziging en aanvulling van het koninklijk besluit van 5 juni 1957, wordt het IWONL als een instelling van openbaar nut opgericht, die zich in hoofdorde tot doel stelt alle wetenschappelijk en technisch onderzoek, waarbij de vooruitgang van nijverheid en landbouw gebaat wordt, door middel van toelagen, uit te lokken, te bevorderen en aan te moedigen.

B.1.3. Krachtens artikel 2bis, § 2, van het voormelde statuut, kan het IWONL beurzen en mandaten voor onderzoek verlenen. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 maart 1968 houdende uitvoeringsmaatregelen van artikel 2bis, § § 1 en § 2, van zijn statuut, kent het IWONL specialisatiebeurzen, navorsingsbeurzen en reisbeurzen toe, met als uitsluitend doel mee te werken aan de vorming van in de nijverheids- of landbouwtechnologie gespecialiseerde navorsers.

B.2. Artikel 74 van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen (hierna : wet van 6 augustus 1993) bepaalt :

« § 1. Het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw (IWONL), hierna ' het Instituut ' genoemd, wordt afgeschaft op de datum vast te stellen door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.

§ 2. Met het oog op de in § 1 bedoelde afschaffing regelt de Koning, bij in Ministerraad overlegde besluiten, de overdracht van de personeelsleden van het Instituut naar de diensten die Hij aanwijst.

De overdracht van de personeelsleden vindt plaats met inachtneming van artikel 11 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.

Bij wijze van overgangsmaatregel, behoudt het personeel van het Instituut dat in dienst is bij de afschaffing van die instelling, de verworven administratieve toestand en bezoldigingsregeling.

§ 3. Met het oog op de in § 1 bedoelde afschaffing regelt de Koning, bij in Ministerraad overlegde besluiten, de overdracht van de opdrachten, goederen, rechten en verplichtingen van het Instituut naar de diensten die Hij aanwijst.

In de gevallen waarin het Instituut opdrachten als lasthebber van een Gemeenschap of een Gewest heeft uitgevoerd, worden die opdrachten en de daarbij horende goederen, rechten en verplichtingen overgedragen aan de respectieve lastgevers, op een datum overeen te komen tussen het Instituut en elke betrokken lastgever.

Deze overdracht moet gebeuren vóór de datum van inwerkingtreding van het in § 1 bedoelde koninklijk besluit.

Bij ontstentenis van overdracht vóór de datum, zal ze van rechtswege geschieden.

§ 4. De besluitwet van 27 december 1944 tot oprichting van een Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in nijverheid en landbouw (IWONL), herzien bij het koninklijk besluit van 5 juni 1957 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 86 van 11 november 1967 en bij de wet van 2 augustus 1968, wordt opgeheven op de datum van inwerkingtreding van het in § 1 bedoelde koninklijk besluit, en de vermelding van het Instituut in de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, vervalt op dezelfde datum ».

B.3. Bij koninklijk besluit van 19 december 1995 betreffende de ontbinding van het IWONL werd dat instituut op 1 januari 1995 afgeschaft.

Die afschaffing noopte tot een regeling inzake de rechtsopvolging voor de goederen, rechten en verplichtingen van het IWONL.

B.4. De parlementaire voorbereiding van artikel 74, § 3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 bevat volgende toelichting :

« Het verlenen van toelagen of beurzen door het IWONL met financiële middelen ter beschikking gesteld door de Gemeenschappen en Gewesten vormen lastgevingen. De goederen, rechten en verplichtingen die eruit voortvloeien worden overgedragen aan de lastgever.

De voorgestelde bepalingen werden geïnspireerd door de wetten betreffende de afschaffing en de herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 13 maart 1991 » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 1040/1, p. 29).

Ten aanzien van de prejudiciële vraag

B.5. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de zaak voor het verwijzende rechtscollege betrekking heeft op de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen met betrekking tot het derde en het vierde kwartaal van het jaar 1994 voor de door het IWONL toegekende specialisatiebeurzen.

B.6. Met zijn prejudiciële vraag wenst het verwijzende rechtscollege te vernemen of artikel 175 van de Grondwet verhindert dat de in het geding zijnde bepaling verplichtingen van het IWONL aan de Vlaamse of Franse Gemeenschap kan overdragen bij gewone wet.

B.7.1. Artikel 175 van de Grondwet bepaalt :

« Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid stelt het financieringsstelsel voor de Vlaamse en de Franse Gemeenschap vast.

De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, de bestemming van hun ontvangsten bij decreet ».

B.7.2. De parlementaire voorbereiding van artikel 175, eerste lid, van de Grondwet vermeldt :

« De regels voor de financiering zullen worden opgenomen in een uitvoeringswet die met bijzondere meerderheid moet worden goedgekeurd. [...]

De keuze om de financiering in een wet met bijzondere meerderheid te regelen, ligt om drie redenen voor de hand :

- De basisregels die de betrekkingen tussen de Gemeenschappen en de Gewesten bepalen, mogen immers niet door een toevallige gewone meerderheid worden gewijzigd. Over eventuele wijzigingen moet een vrij ruime consensus tussen de Gemeenschappen en de Gewesten bestaan, die in een twee derdemeerderheid tot uiting komt.

In een federale structuur moet zulks deel uitmaken van de ' Bundestreue ', die wil dat dergelijke wijzigen slechts mogelijk zijn in geval van een ruime consensus tussen de Gemeenschappen.

- [...]

- Voor de geloofwaardigheid van de Gemeenschappen en de Gewesten is bovendien een stabiele financieringsregeling van belang. Men moet voorkomen dat mogelijkheden worden geboden om de financiële grondslag van de Gemeenschappen en Gewesten in gevaar te brengen, wat reeds gebeurd is toen de financieringsregeling van de gewone wet van 9 augustus 1980 werd uitgewerkt » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 10/59b-456/4, p. 22).

« Het is aangewezen het financieringsstelsel van de Gemeenschappen op permanente wijze te verzekeren. Aangezien dit financieringsstelsel alle Gemeenschappen aanbelangt, dient het door de nationale wetgever te worden vastgesteld door een wet aangenomen met de door artikel 1, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100-2/1°, p. 6).

B.8. Uit die grondwetsbepaling vloeit voort dat de financiering van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap bij een bijzonderemeerderheidswet dient te worden geregeld.

B.9. De bijzonderemeerderheidsvoorwaarde maakt deel uit van het systeem tot bepaling van de bevoegdheden.

Op grond van artikel 26, § 1, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vermag het Hof kennis te nemen van de schending van de bijzondere meerderheidsvoorwaarden vereist door de Grondwet.

B.10. Ter zake dient rekening te worden gehouden met artikel 61, § 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (hierna : Bijzondere Financieringswet).

B.11. Artikel 61, § 3, eerste lid, van de Bijzondere Financieringswet bepaalt :

« De Gemeenschappen en Gewesten nemen, ieder wat hem betreft, de goederen, rechten en verplichtingen over van de instellingen van openbaar nut waarvan de taken ressorteren onder de bevoegdheden van de Gewesten en Gemeenschappen, op de bij de wet vastgestelde wijze, met inachtneming van de beginselen vervat in artikel 57 en in § 1, tweede tot achtste lid, van dit artikel ».

B.12. De parlementaire voorbereiding van die bepaling bevat volgende toelichting :

« De vermogensoverdrachten van activa of passiva naar de Gemeenschappen en de Gewesten kunnen voortaan alleen bij een wet goedgekeurd met een in artikel 1, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid, geschieden.

Voor het overige kunnen de ontbinding en de herstructurering van instellingen van openbaar nut alleen bij een gewone wet worden geregeld. Bijgevolg moet het beginsel van de vermogensoverdrachten in dit wetsontwerp worden geregeld, en moeten met het oog op de coherentie de omvang en de wijze van deze overdrachten worden gepreciseerd in de wet die de andere aspecten van de ontbinding of van de herstructurering van de instellingen van openbaar nut zal regelen.

Voor zover zij op bevoegdheden van de Gewesten of de Gemeenschappen betrekking hebben, worden de goederen, rechten en verplichtingen aan de Gewesten en Gemeenschappen overgedragen, met inachtneming van de artikelen 52 en 56 van dit wetsontwerp, mits de nodige aanpassingen worden aangebracht » (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 635/1, pp. 45-46).

B.13. Aldus heeft de wetgever de algemene rechtsopvolging van de federale overheid, met inbegrip van de overdracht van lasten uit het verleden aangegaan door instellingen van openbaar nut waarvan de taken geheel of gedeeltelijk ressorteren onder de bevoegdheden van de gemeenschappen of de gewesten, in essentie geregeld bij een bijzonderemeerderheidswet, die voor haar uitvoering naar een gewone wet verwijst.

Het gegeven dat de gewone wetgever, ter uitvoering van een bijzonderemeerderheidswet, de concrete uitwerking van die overdracht regelt, doet geen afbreuk aan artikel 175, eerste lid, van de Grondwet.

B.14. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 74, § 3, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen schendt artikel 175 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 1 december 2016.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

E. De Groot