Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 1 Juni 1994 (België). RG 595

Date :
01-06-1994
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19940601-1
Numéro de rôle :
595

Résumé :

het Hof zegt voor recht : Artikel 13.2 van de wet van 29 mei 1959, zoals die wet was gewijzigd bij artikel 7 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 5 juli 1989, schendt artikel 24, alinéa 5, van de Grondwet (vroeger artikel 17, alinéa 5), voor zover dat artikel aan de Vlaamse Regering, in algemene bewoordingen, de vrijheid geeft om het rationalisatie- en programmatieplan bedoeld in artikel 13.1 van dezelfde wet volledig naar eigen inzichten vast te stellen. I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest nr. 42.229 van 9 maart 1993 in zake de v.z.w. Bovenbouw Vrije Rudolf Steiner School Gent tegen de Vlaamse Gemeenschap, heeft de Raad van State, afdeling administratie, IVe kamer, de volgende prejudiciële vraag gesteld : "Wordt artikel 17, alinéa 5, van de Grondwet geschonden doordat krachtens artikel 13.2 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals deze wet gewijzigd was bij het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs van de Vlaamse Raad, de Vlaamse Executieve bevoegd was om het rationalisatie- en programmatieplan bedoeld in artikel 13.1 van dezelfde wet vast te leggen, terwijl de naleving van dat plan blijkens artikel 3, alinéa 1, vierde lid, van deze wet een voorwaarde voor subsidiëring was?" B.1. Artikel 3, alinéa 1, vierde lid, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs, bepaalt : "In de sectoren en niveaus waarop een rationalisatie- en programmatieplan, zoals bedoeld in artikel 13.1.a van deze wet, van toepassing is, kunnen geen onderwijsinstellingen ingericht door de Gemeenschap, afdelingen of andere onderverdelingen van instellingen in stand gehouden of opgericht worden indien zij niet beantwoorden aan de criteria van dit plan. Evenmin kunnen inrichtingen of afdelingen van inrichtingen verder betoelaagd blijven of in de toelageregeling opgenomen worden indien zij niet beantwoorden aan de criteria van datzelfde plan". B.2. Artikel 13 van dezelfde wet, zoals ingevoegd bij artikel 7 van het genoemde decreet van 5 juli 1989 en voor de latere wijziging ervan bij het decreet van 31 juli 1990, luidt : "Art. 13. Kunnen slechts een beroep doen op de door de Vlaamse Gemeenschap aan de ARGO of aan de DIGO toegekende investeringsmiddelen : 1. de onderwijsinstellingen, internaten en de psycho-medisch-sociale centra : a. die beantwoorden aan de criteria van een rationalisatie- en programmatieplan dat de voorwaarden vastlegt enerzijds voor het voortbestaan of de betoelaging van bestaande centra, instellingen, afdelingen of andere onderverdelingen, en anderzijds de oprichting of opname in de toelageregeling van nieuwe centra, instellingen, afdelingen of andere onderverdelingen; b. waarvan de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding is aangetoond door het niet beschikbaar zijn binnen een bepaalde gebiedsomschrijving van bestaande gebouwen of voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op kosten van de Vlaamse Gemeenschap zijn opgericht; 2. de werken die beantwoorden aan de vastgestelde fysische en financiële normen. Het plan, de voorwaarden waaronder de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding kan worden aangetoond en de normen worden vastgelegd door de Vlaamse Executieve. Zolang de Vlaamse Executieve geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht". B.3. De Raad van State vraagt het Hof of artikel 13.2, zoals ingevoegd bij artikel 7 van het decreet van 5 juli 1989, een schending inhoudt van artikel 24, alinéa 5, van de Grondwet (vroeger artikel 17, alinéa 5), nu die bepaling de Vlaamse Regering de bevoegdheid toekent om het rationalisatie- en programmatieplan bedoeld in artikel 13.1 van dezelfde wet vast te leggen, terwijl de naleving van dat plan blijkens artikel 3, alinéa 1, vierde lid, van die wet, een voorwaarde voor subsidiëring is. B.4. Artikel 24, alinéa 5, van de Grondwet (vroeger artikel 17, alinéa 5), bepaalt : "De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet." Die bepaling drukt de wil uit van de Grondwetgever om aan de wetgevende machten de zorg voor te behouden een regeling te treffen voor de essentiële aspecten van het onderwijs wat de inrichting, erkenning en subsidiëring ervan betreft. B.5. Artikel 24, alinéa 5, van de Grondwet (vroeger artikel 17, alinéa 5), verbiedt niet dat opdrachten aan de Gemeenschapsregering worden gegeven. Via die opdrachten vermag de Gemeenschapsregering echter niet de onnauwkeurigheid van de door de wetgever zelf vastgestelde beginselen op te vangen of onvoldoend omstandige beleidskeuzes te verfijnen. B.6. De grondwettigheid van de inzake onderwijs toepasselijke regels moet anders worden beoordeeld naargelang zij zijn aangenomen voor of na 1 januari 1989, datum van inwerkingtreding van artikel 17, alinéa 5, van de Grondwet, thans artikel 24, alinéa 5. Door het aannemen van die bepaling heeft de Grondwetgever immers gewild de bevoegdheid die reeds door artikel 17, tweede lid, van de Grondwet, zoals dat artikel van kracht was voor 1 januari 1989, aan de wetgever was toegewezen, niet alleen te actualiseren, maar ook te versterken. Voortaan vermeldt artikel 24, alinéa 5, van de Grondwet uitdrukkelijk welke elementen van het onderwijs tot de bevoegdheid van de wetgevende macht behoren en kent artikel 142, 2°, aan het Arbitragehof de bevoegdheid toe de schendingen van dat artikel te beteugelen. B.7. Krachtens artikel 13.1.a van de wet van 29 mei 1959, ingevoegd bij artikel 7 van het decreet van 5 juli 1989, legt het door de Vlaamse Regering vast te stellen rationalisatie- en programmatieplan de voorwaarden vast, enerzijds, voor het voortbestaan of de betoelaging van bestaande psycho-medisch-sociale centra, onderwijsinstellingen, afdelingen of andere onderverdelingen en, anderzijds, voor de oprichting of opname in de toelageregeling van nieuwe centra, instellingen, afdelingen of andere onderverdelingen. B.8. Artikel 3, alinéa 1, vierde lid, van de wet van 29 mei 1959, zoals gewijzigd door het decreet van 5 juli 1989, stelt dat de inrichting en subsidiëring van het onderwijs afhankelijk zijn van het beantwoorden aan de criteria vastgesteld in de rationalisatie- en programmatieplannen. Een vergelijking van de diverse tot stand gekomen rationalisatie- en programmatieplannen leidt tot de conclusie dat een rationalisatie- en programmatieplan als bedoeld in de wet van 29 mei 1959 moet worden beschouwd als een geheel van regels en voorzieningen die gericht zijn op het bereiken van een kwalitatief verantwoord onderwijs dat voor de gemeenschap budgettair beheersbaar blijft. Met die regels en voorzieningen worden, wat bestaande centra, onderwijsinstellingen en onderverdelingen betreft, het voortbestaan ervan of het voortzetten van de subsidiëring ervan, en, wat nieuwe centra, onderwijsinstellingen en onderverdelingen betreft, het oprichten of het opnemen ervan in de subsidieregeling aan strengere normen onderworpen. Aldus tekent een rationalisatie- en programmatieplan de grenzen waarbinnen inzonderheid het recht op inrichting van onderwijs en, erop aansluitend, de keuzevrijheid van de ouders kunnen worden uitgeoefend. De rationalisatie- en programmatieplannen moeten aldus beschouwd worden als een aangelegenheid van inrichting en subsidiëring van het onderwijs waarop de waarborgen van artikel 24, alinéa 5, van de Grondwet (vroeger artikel 17, alinéa 5) van toepassing zijn. Om bestaanbaar te zijn met de genoemde grondwetsbepaling is vereist dat wat voor de aangelegenheid essentieel is, in het decreet wordt opgenomen en dat in de formulering van de regelingsbevoegdheid welke aan de Gemeenschapsregering wordt toegekend, de criteria worden aangegeven die voor de uitwerking van de regeling richtinggevend zijn. B.9. Ten deze is aan die voorwaarde niet voldaan, nu het decreet er zich toe beperkt de Gemeenschapsregering in zeer algemene bewoordingen het opstellen van rationalisatie- en programmatieplannen op te dragen en nalaat de objectieve criteria aan te geven die bij het uitwerken van die plannen moeten worden gehanteerd.)

Arrêt :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.