Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 12 Juni 1997 (België). RG 975;34/97

Date :
12-06-1997
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19970612-5
Numéro de rôle :
975;34/97

Résumé :

Het Hof vernietigt artikel 8, 15°, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

(Ten gronde.

B.5. De verzoekende partijen voeren tot staving van hun beroepen verschillende middelen aan, die afgeleid zijn uit de schending van de bevoegdheidsregels, enerzijds, en uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, anderzijds. Het onderzoek van de overeenstemming van de bestreden bepaling met de bevoegdheidsregels moet het onderzoek van de bestaanbaarheid ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voorafgaan.

B.6. De verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 975 voeren, in het eerste onderdeel van hun eerste middel, de schending aan, door artikel 8, 15°, van het decreet van 22 december 1995, van de artikelen 39 van de Grondwet, 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en 9, 12 en 16 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, doordat de bestreden bepaling de handelingen van storting, verbranding en fyschisch-chemische behandeling van de afvalstoffen die het beoogt, onderwerpt aan een lagere heffing wanneer die handelingen plaatsvinden in het Vlaamse Gewest dan wanneer zij plaatsvinden in een ander gewest maar betrekking hebben op afvalstoffen die afkomstig zijn uit het Vlaamse Gewest.

B.7.1. Artikel 6, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, bepaalt :

" De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet zijn :

II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft :

2° Het afvalstoffenbeleid; "

B.7.2. Het Vlaamse decreet van 2 juli 1981 voorziet in een instrumentarium om het onstaan van milieuhinder en -verontreiniging door afval te voorkomen; het bevat een vergunningssysteem met uitbatingsvoorwaarden voor alle types van afvalverwijderingsinstallaties, alsmede een meldings- en aangifteplicht.

In hoofdstuk IX van het decreet wordt de verwijdering van vaste afvalstoffen onderworpen aan een milieuheffing, die ertoe strekt de productie van afvalstoffen en de verontreiniging van het Leefmilieu, die daardoor wordt veroorzaakt, zoveel mogelijk te beperken.

Bij artikel 47, § 2, wordt het bedrag van de heffing vastgesteld; een hogere heffing wordt opgelegd aan de ondernemingen die hun toevlucht nemen tot verwijderingstechnieken die als zijnde de meest verontreinigende worden beschouwd, om ze te ontmoedigen, terwijl de ondernemingen die minder verontreinigende technieken aanwenden, als aanmoediging, een minder hoge heffing dienen te betalen, en de activiteiten van terugwinning en recyclage niet worden belast.

B.7.3. Artikel 47, § 2, 38°, voorziet in een heffing die de afvalstoffen treft die in het Vlaamse Gewest worden opgehaald en naar een ander gewest worden vervoerd om er te worden gestort of verbrand of om er vóór de storting of de verbranding een fysisch-chemische behandeling te ondergaan.

B.7.4. In tegenstelling met hetgeen de officiële Franse vertaling (" redevance ") van het decreet te kennen geeft doet die heffing zich niet voor als de vergoeding van een dienst die de overheid verleent ten voordele van de heffingsplichtige individueel beschouwd; zij is dus geen retributie, maar een belasting die, krachtens artikel 170, § 2, van de Grondwet en artikel 2 van de wet van 23 jauari 1989 betreffende de in artikel 110 (thans artikel 170), §§ 1 en 2, van de Grondwet bedoelde belastingbevoegdheid, gewijzigd bij de wet van 16 juli 1993, tot de bevoegdheid van de gewesten behoort.

B.7.5. De uitoefening van de toegekende eigen fiscale bevoegdheid door een gemeenschap of door een gewest mag geen afbreuk doen aan de algehele staatsopvatting, zoals die tot uiting komt in de opeenvolgende grondwetsherzieningen van 1970, 1980, 1988 en 1993 en in de respectieve bijzondere en gewone wetten tot bepaling van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten.

Uit het geheel van die bepalingen, en inzonderheid die van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 - ingevoegd bij artikel 4, § 8, van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 - en van artikel 9, § 1, derde lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 blijkt dat het Belgische staatsbestel berust op een economische en monetaire unie, die gekenmerkt wordt door een geïntegreerde markt en door de eenheid van de munt.

Hoewel artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 past in het kader van de toewijzing van bevoegdheden aan de gewesten wat de economie betreft, geldt die bepaling als de uiting van de wil van de bijzondere wetgever om een eenvormige basisregeling van de organisatie van de economie in een geïntegreerde markt te handhaven.

Het bestaan van een economische unie impliceert in de eerste plaats het vrije verkeer van goederen en productiefactoren tussen de deelgebieden van de Staat. Wat het goederenverkeer betreft, zijn niet bestaanbaar met een economische unie de maatregelen die autonoom door de deelgebieden van de unie - in casu de gewesten - worden vastgesteld en het vrije verkeer belemmeren; dit geldt noodzakelijkerwijs voor alle interne douanerechten en alle heffingen met gelijke werking.

Derhalve moet worden onderzocht of de door artikel 47, § 2, 38°, ingestelde belasting, die geen intern douanerecht is, al dan niet een heffing met gelijke werking is. Te dien einde meent het Hof te mogen verwijzen, mutatis mutandis, naar de definitie welke het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen aan dat begrip heeft gegeven, te weten : " een eenzijdig opgelegde geldelijke last - ook al moge zij gering zijn - die wegens grensoverschrijding op nationale of buitenlandse goederen wordt gelegd en geen douanerecht is in eigenlijke zin (...), ongeacht benaming en structuur, (...) zelfs waneer deze last niet ten behoeve van de Staat wordt geheven, geen enkele discriminerende of beschermende werking heeft en het belast product niet met enige nationale productie concurreert " (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, arresten van 1 juli 1969, zaak 24/68, Commissie t. Italië, Jur., HvJ, 1969, p. 193, en samengevoegde zaken 2 en 3/69, Sociaal Fonds voor de Diamantarbeiders t. SA Ch. Brachfeld & Sons en Chougol Diamond Co., Jur., HvJ, 1969, p. 211; in dezelfde zin, arrest van 7 juli 1994, zaak C-130/93, Lamaire nv en Nationale Dienst voor Afzet van Land- en Tuinbouwprodukten, Jur., HvJ, 1994, I, 3215).

B.7.6. De bedoelde belasting op de storting en de verbranding van afvalstoffen en op de voorafgaande fysisch-chemische behandeling ervan is verschuldigd :

a) voor het ophalen van afvalstoffen, niet voor het overbrengen van die afvalstoffen naar een ander gewest;

b) op het tijdstip dat de afvalstoffen worden opgehaald door de ondernemingen, gemeenten en verenigingen van gemeenten (artikel 47, § 3), niet op het tijdstip van het vervoer van die afvalstoffen naar buiten het Vlaamse Gewest;

c) door de ophaler van de afvalstoffen, niet door de natuurlijke of rechtspersoon die ze uitvoert;

d) op basis van de aangifte, zoals bepaald in artikel 47ter, § 1, van het decreet van 2 juli 1981, niet op basis van het effectieve overbrengen van afvalstoffen naar een ander gewest.

Die belasting doet zich op het eerste gezicht niet voor, noch door het voorwerp ervan, noch door de verrichting naar aanleiding waarvan de belasting verschuldigd is, noch door de persoon van de belastingplichtige, noch door de wijze van inning, als een heffing met gelijke werking of als een douanerecht.

B.7.7. Niettemin is de bestreden maatregel bij nader toezien een belasting die, doordat zij gekoppeld is aan het overschrijden van de territoriale grens die krachtens de Grondwet tussen de gewesten is vastgesteld, een werking heeft die gelijk is met die van een douanerecht in zoverre zij de afvalstoffen die bestemd zijn om te worden gestort of verbrand of bestemd zijn om een voorafgaande fysisch-chemische behandeling te ondergaan in een ander gewest dan het Vlaamse Gewest, in de meeste gevallen zwaarder treft dan de afvalstoffen die in dat laatste gewest aan dezelfde behandelingsverrichtingen worden onderworpen.

B.7.8. De Belgische economische unie impliceert een douane-unie. Tot het wezen van een douane-unie behoort dat het verbod van douanerechten en heffingen met gelijke werking niets uit te staan heeft met het doel waarvoor die maatregelen zijn ingevoerd. Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen blijkt trouwens dat het zo is voor de douane-unie die aan de Europese Unie ten grondslag ligt.

In haar belemmerende werking op het intergewestelijk verkeer kan de betwiste belasting derhalve niet worden verzoend met het algemeen normatief kader van de economische unie zoals dat door of krachtens de wet is vastgesteld; zij is strijdig met de bepalingen van artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988.

B.8. Aangezien artikel 8, 15°, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 schendt, dienen de andere middelen die tot staving van de beroepen zijn aangevoerd, niet te worden onderzocht, aangezien zij niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden.

B.9.1. De Vlaamse Regering verzoekt, ingeval het Hof de bestreden bepaling zou vernietigen, om de handhaving van de gevolgen ervan, " gelet op de veelvuldige heffingen die al geheven zijn geweest, en betaald "; de Waalse Regering en de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 975 verzetten zich tegen dat verzoek.

B.9.2. De Vlaamse Regering toont niet aan - en het Hof ziet niet - dat er een bijzondere omstandigheid zou zijn die zou volstaan om te verantwoorden dat te dezen toepassing zou worden gemaakt van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet op het Arbitragehof.)