Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 12 Juni 2014 (België). RG 91/2014

Date :
12-06-2014
Langue :
Allemand Français Néerlandais
Taille :
7 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20140612-3
Numéro de rôle :
91/2014

Résumé :

Het Hof verwerpt de beroepen.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 21 en 20 juni 2013 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 24 juni 2013, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van artikel 13 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2012 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2013 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 december 2012, derde editie) respectievelijk door de beroepsvereniging « Belgian Gaming Association », de nv « Golden Palace Waterloo », de nv « European Amusement » en de nv « Center Jeux Automatiques », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Afschrift, advocaat bij de balie te Brussel, en door de nv « Circus Belgium », de nv « Unibox Games » en de vzw « Union Professionnelle Belgian National Gaming Organisation », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Vlaemminck en Mr. L. Falco, advocaten bij de balie te Brussel.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5674 en 5676 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepaling

B.1.1. De samengevoegde beroepen beogen artikel 13 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2012 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2013, dat bepaalt :

« Artikel 80, § 1 van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt vervangen door de volgende bepaling :

' § 1. Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld als volgt :

Categorieën toestellen Belastingbedrag

A 3.000,00 EUR

B 1.194,80 EUR

C 380,17 EUR

D 271,55 EUR

E 162,93 EUR

De bedragen van voormelde belastingen worden jaarlijks vanaf het belastbare tijdperk 2014 aangepast naar gelang van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Vanaf het jaar 2013 worden de bedragen te innen voor het lopend belastbaar tijdperk, aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen tussen de maand juni van het jaar van de bekendmaking en de maand juni van het vorige jaar, jaarlijks in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt door het Operationeel directoraat-generaal Fiscaliteit van de Waalse Overheidsdienst. ' ».

B.1.2. Uit de inhoud van de verzoekschriften blijkt dat de verzoekende partijen de verhoging betwisten van de belasting op de toestellen van categorie A, die door de bestreden bepaling op 3.000 euro wordt gebracht.

B.1.3. De toestellen van categorie A zijn, krachtens artikel 79 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals het van toepassing is in het Waalse Gewest :

« a. de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk ' Bingo ' genoemd, waarvan het spel erin bestaat verscheidene ballen of kogels in de op het horizontaal vlak van het toestel gemaakte gaten te plaatsen, met het doel, naargelang van het type van toestel, op het paneel van het vertikaal vlak verscheidene cijfers of tekens op een horizontale, verticale of diagonale lijn of in een bepaalde zone te belichten;

b. de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk ' One-ball ' genaamd, waarvan het spel erin bestaat op het horizontaal vlak van het toestel een bal of kogel te plaatsen in één van de gaten met hetzelfde cijfer als het cijfer dat op het paneel van het verticaal vlak verlicht is;

c. de automatische ontspanningstoestellen, inbegrepen deze bedoeld sub 3° tot 5° hierna, die aan de speler of gebruiker toelaten, zelfs toevallig, ten minste het bedrag van de gedane inzet in specie of in de vorm van penningen terug te winnen en/of prijzen te winnen, in natura of in de vorm van premiebons, met een handelswaarde van ten minste 6,20 euro ».

Ten aanzien van het middel afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels

B.2. Het derde middel in de zaak nr. 5676 is afgeleid uit de schending van artikel 39 van de Grondwet en van de artikelen 1, 4, 5, 6, 7, 7bis, 8 en 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De verzoekende partijen voeren aan dat de reglementering van de sector van de kansspelen een federale bevoegdheid is die de federale wetgever met name heeft uitgeoefend met de aanneming van de wet van 10 januari 2010 tot wijziging van de wetgeving betreffende de kansspelen. Zij zijn van mening dat de aanzienlijke verhoging van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen van categorie A waarin artikel 13 van het decreet van 19 december 2012 voorziet, zal leiden tot een vermindering van het aantal legaal geplaatste toestellen van die categorie en tot een correlatieve verschuiving van de activiteit van de spelers naar het illegale aanbod van spelen, hetgeen zou indruisen tegen het doel van de federale wetgever dat erin bestaat de spelers te « kanaliseren » in de richting van het legale aanbod.

B.3.1. Artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten bepaalt :

« Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen :

[...]

2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;

[...] ».

Artikel 4, § 1, van dezelfde bijzondere wet bepaalt :

« De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen ».

B.3.2. Overigens is de federale overheid bevoegd om de spelen en weddenschappen te regelen, om de voorwaarden te bepalen waaronder de door haar toegestane activiteiten kunnen worden uitgeoefend, en om de controle ervan te organiseren.

Bij de uitoefening van die bevoegdheid heeft de federale overheid de voormelde wet van 10 januari 2010 aangenomen, waarvan het doel in de parlementaire voorbereiding als volgt wordt omschreven :

« De doelstellingen van het Belgisch kansspelbeleid zijn gericht op de bescherming van de speler, de financiële transparantie en controle op de geldstromen, de controle op het spel, en de identificatie van en controle op de organisatoren.

De regulering van de kansspelen is gebaseerd op de ' kanalisatiegedachte '. Om te voldoen aan de klaarblijkelijke speelbehoefte van de mens wordt het illegale aanbod bestreden door het toelaten van een ' beperkt ' legaal spelaanbod.

Het reguleren van illegale kansspelen draagt bij tot het beteugelen van deelneming aan kansspelen en is een geschikt en proportioneel middel om de aan het kansspelbeleid ten grondslag liggende doelstellingen te bereiken. Door het legale aanbod te beperken komt men tegemoet aan één van de pijlers van het kansspelbeleid zijnde de bescherming van de speler tegen gokverslaving » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, p. 4).

B.4.1. Elke fiscale maatregel kan een invloed hebben op het gedrag van de belastingplichtigen. Hieruit vloeit niet voort dat de decreetgever, bij de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheid, zou moeten afzien van elke bepaling die eventueel een invloed zou kunnen hebben op het gedrag van de belastingplichtigen in een andere zin dan die welke de federale wetgever, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake de reglementering van de spelen en weddenschappen, mogelijk zou willen aanmoedigen. Dat zou alleen het geval zijn indien de decreetgever bij die gelegenheid de uitoefening, door de federale overheid, van haar bevoegdheid onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken.

B.4.2. Te dezen is niet aangetoond dat de bestreden verhoging van de belasting op de ontspanningstoestellen van categorie A zal leiden tot een aanzienlijke vermindering van het aantal in het Waalse Gewest beschikbare toestellen van dat type. Bovendien, zelfs indien een dergelijk effect zich zou voordoen, zou hieruit niet noodzakelijk voortvloeien dat de door de federale wetgever nagestreefde doelen in het gedrang zouden komen. De federale wetgever wil immers een « beperkt » spelaanbod toestaan teneinde de spelers tegen verslaving te beschermen.

B.4.3. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de decreetgever, met het aannemen van de bestreden bepaling, de uitoefening, door de federale wetgever, van diens bevoegdheid inzake de reglementering van spelen en weddenschappen niet onmogelijk of overdreven moeilijk heeft gemaakt.

B.4.4. Het derde middel in de zaak nr. 5676 is niet gegrond.

Ten aanzien van het middel afgeleid uit de schending van het eigendomsrecht

B.5. Het eerste middel in de zaak nr. 5674 is afgeleid uit de schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet.

De verzoekende partijen voeren aan dat het nagenoeg verdubbelen van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen van categorie A door de bestreden bepaling een overdreven of verregaande en discriminerende last vormt, aangezien geen enkele andere sector van de economie aan een dergelijke last is onderworpen.

B.6.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».

Aangezien die internationaalrechtelijke bepaling een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn ingeschreven in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, daarmee rekening houdt.

B.6.2. Een belasting vormt in beginsel een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom.

Die inmenging is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid met het nagestreefde doel vertoont, dat wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. Ofschoon de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt, schendt een belasting bijgevolg dat recht, indien ze op de belastingplichtige een buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie (EHRM, 31 januari 2006, Dukmedjian t. Frankrijk, § § 52-54; EHRM, beslissing, 15 december 2009, Tardieu de Maleissye e.a. t. Frankrijk).

B.6.3. De belasting op de automatische ontspanningstoestellen van categorie A vormt een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de personen welke die belasting verschuldigd zijn.

B.6.4. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling blijkt dat, naast het budgettaire doel dat de decreetgever bij de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheid nastreeft, hij eveneens heeft gewild, enerzijds, het bedrag van de Waalse belasting op de ontspanningstoestellen van categorie A af te stemmen op het bedrag van de vergelijkbare belastingen in de twee andere gewesten en, anderzijds, de plaatsing van nieuwe automatische ontspanningstoestellen van categorie A te ontmoedigen teneinde de spelers te beschermen (Parl. St., Waals Parlement, 2012-2013, 4-IV a, nr. 3; 4-IV bcd, nr. 5, pp. 19-20).

B.7.1. De verzoekende partijen zijn van mening dat de autonomie van de deelentiteiten belet dat de decreetgever het doel kan aanvoeren dat erin bestaat het bedrag van de door hem ingevoerde belasting af te stemmen op dat van soortgelijke belastingen die in de andere gewesten van de federale Staat bestaan.

Hoewel de autonomie van de deelentiteiten het Hof belet om, in het licht van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, een relevante vergelijking te maken tussen de adressaten van wetgevingen die door verschillende deelentiteiten worden aangenomen, verbiedt die een decreetgever niet zich tot doel te stellen de inhoud van de wetgeving die hij bij de uitoefening van zijn bevoegdheden aanneemt, af te stemmen op de inhoud van die welke in andere entiteiten van kracht zijn. Een dergelijk doel is gewettigd en kan met name de verhoging van een belasting verantwoorden, zoals te dezen, wanneer de decreetgever vaststelt dat de verschillen in belasting negatieve of ongewenste gevolgen kunnen hebben voor het evenwicht van een sector.

B.7.2. Zoals de decreetgever tijdens de parlementaire voorbereiding heeft opgemerkt, komt die verhoging « voor de sector neer op 100 euro per maand », dus « wanneer ervan uit wordt gegaan dat een taverne 22 dagen per maand open is, betekent dat [...] gemiddeld 4,5 euro per dag », of « wanneer men de redenering verder trekt, 50 cent per exploitatie-uur », zodat hij uit die cijfers redelijkerwijs heeft kunnen afleiden « dat de impact van die beslissing toch relatief beperkt is » (Parl. St., Waals Parlement, 2012-2013, 4-IV a, nr. 3; 4-IV bcd, nr. 5, p. 20). De belasting op de automatische ontspanningstoestellen is overigens aftrekbaar in de vennootschapsbelasting, hetgeen eveneens de gevolgen voor de financiële situatie van de belastingplichtigen helpt te beperken.

Hieruit vloeit voort dat, gelet op de door de decreetgever nagestreefde doelstellingen, de bekritiseerde verhoging van het bedrag van de belasting niet onevenredig is ten aanzien van de draagkracht van de belastingschuldigen en dat die geen overdreven last voor hen vormt.

B.7.3. Het eerste middel in de zaak nr. 5674 is niet gegrond.

Ten aanzien van de middelen afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel in fiscale zaken

B.8. Het tweede middel in de zaak nr. 5674 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet. De verzoekende partijen zijn van mening dat de decreetgever, door alleen het bedrag van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen van categorie A te verhogen, een onverantwoord verschil in behandeling invoert tussen de eigenaars van toestellen van categorie A en de eigenaars van toestellen die tot de andere categorieën behoren, die geen vergelijkbare verhoging van de belasting moeten ondergaan.

B.9.1. Door bedragen vast te stellen die verschillen naar gelang van de categorieën van betrokken toestellen, heeft de decreetgever rekening gehouden met artikel 79, § 2, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, dat bepaalt dat, voor de rangschikking van een bepaald toestel, rekening wordt gehouden met de rendabiliteit ervan, de aard van het voorgestelde spel en de veelvuldigheid van de inzet.

B.9.2. Uit de vooruitzichten van het rendement van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen (Parl. St., Waals Parlement, 2012-2013, 4-IV a, nr. 1, bijlage 3, p. 13) en uit de uitleg van de Waalse Regering blijkt dat de toestellen van categorie A het talrijkst zijn op het grondgebied van het Gewest en dat eveneens van die toestellen de rendabiliteit in de loop van de laatste jaren het meest is toegenomen. Het is derhalve relevant, ten opzichte van het begrotingsdoel dat de decreetgever nastreeft, de belasting op die categorie van toestellen te verhogen teneinde het Gewest extra middelen toe te kennen zonder het bedrag van de belasting met betrekking tot de toestellen die tot andere categorieën behoren, noodzakelijkerwijs te verhogen.

B.9.3. De fiscale wetgever kan overigens eveneens, door de verhoging van de belasting op een bepaalde categorie van toestellen, op meer nauwkeurige wijze de strijd willen aanbinden tegen de gevaren die gepaard gaan met de kansspelen en de spelers beschermen ten aanzien van een type toestellen dat specifieke kenmerken vertoont in verband met het risico van verslaving. In het licht van dat doel is het in het middel bestreden verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording.

B.9.4. Het tweede middel in de zaak nr. 5674 is niet gegrond.

B.10. Het derde middel in de zaak nr. 5674 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 170 en 172 van de Grondwet. De verzoekende partijen verwijten de decreetgever, door verschillende bedragen vast te stellen naar gelang van de categorieën van automatische ontspanningstoestellen, die categorieën indirect te hebben gedefinieerd zonder de betrokken beroepsverenigingen te hebben geraadpleegd. Zij voeren aan dat de Waalse Regering, krachtens artikel 79, § 3, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, ertoe gehouden is de betrokken beroepsverenigingen te raadplegen wanneer zij de categorie vaststelt of wijzigt waarin een type toestel moet worden gerangschikt. Zij leiden hieruit af dat het feit dat de decreetgever de belasting zou kunnen verhogen zonder de betrokken beroepsverenigingen te raadplegen, een discriminatie zou inhouden.

B.11.1. Artikel 13 van het decreet van 19 december 2012 heeft niet de draagwijdte die de verzoekende partijen eraan geven. Het vervangt artikel 80, § 1, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen voor het Waalse Gewest door het bedrag van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen van categorie A te wijzigen. Het heeft noch tot doel, noch tot gevolg de rangschikking van de verschillende toestellen in de categorieën die vóór de aanneming ervan bestonden, rechtstreeks of indirect te wijzigen.

B.11.2. De beslissing om de rangschikking van een type van automatische ontspanningstoestellen vast te stellen of te wijzigen, die moet worden voorafgegaan door de raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen, en de beslissing om de belasting met betrekking tot een categorie van toestellen te verhogen, zijn overigens geen vergelijkbare beslissingen in het licht van de noodzaak om het advies van de vertegenwoordigers van de betrokken sector in te winnen. De afwezigheid van een verplichting om de betrokken beroepsverenigingen te raadplegen vóór het verhogen van de belasting, is dus niet in strijd met de in het middel aangehaalde bepalingen.

B.11.3. Het derde middel in de zaak nr. 5674 is niet gegrond.

B.12. Het eerste middel in de zaak nr. 5676 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. De verzoekende partijen klagen een niet te verantwoorden verschil in behandeling aan tussen de personen die de belasting op de automatische ontspanningstoestellen van categorie A verschuldigd zijn en voor wie die belasting aanzienlijk wordt verhoogd, en de personen die de belasting verschuldigd zijn op de in het Waalse Gewest ontvangen weddenschappen op de paardenwedrennen, de hondencompetities en de sportcompetities, waarvan het tarief is verlaagd bij artikel 158 van het decreet van 22 december 2010 houdende de algemene uitgavenbegroting van het Waalse Gewest voor het begrotingsjaar 2011.

B.13.1. Tussen de spelen en weddenschappen op de paardenwedrennen, de hondencompetities en de sportcompetities en de automatische ontspanningstoestellen bestaan er objectieve verschillen die de decreetgever, gelet op zijn ruime beoordelingsbevoegdheid in fiscale zaken, toestaan onderscheiden belastingen te vestigen rekening houdend met de specifieke kenmerken van elke sector.

B.13.2. De verlaging van het belastingtarief voor de « werkelijke » spelen en weddenschappen moet, luidens de memorie van toelichting van het bestreden decreet, « gepaard gaan met het geven van een nieuwe dynamiek aan de sector teneinde het omzetcijfer te verhogen en aldus de fiscale inkomsten niet aanzienlijk te wijzigen », « waarbij die nieuwe dynamiek voortvloeit uit de vrijmaking van de online spelen en weddenschappen en gepaard gaat met een verbintenis van de sector ten behoeve van het Waalse circuit van de paardenwedrennen en de tewerkstelling in de gokkantoren » (Parl. St., Waals Parlement, 2012-2013, 4-IV a, nr. 1, bijlage 3, p. 15).

De sector van de automatische ontspanningstoestellen bevindt zich in een objectief verschillende situatie, zodat de decreetgever niet ertoe was gehouden de belastingen daarop op dezelfde wijze te laten evolueren als de belasting op de spelen en weddenschappen.

B.13.3. De decreetgever vermocht overigens eveneens redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de twee betrokken sectoren zich niet in dezelfde situatie bevinden ten aanzien van het doel dat erin bestaat het risico van gokverslaving te bestrijden.

B.13.4. Het eerste middel in de zaak nr. 5676 is niet gegrond.

B.14. Het tweede middel in de zaak nr. 5676 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van rechtszekerheid. De verzoekende partijen zijn van mening dat de ontstentenis van overgangsbepalingen, terwijl het bestreden decreet is bekendgemaakt op 21 december 2012 en de verhoging van de belasting daadwerkelijk en betaalbaar is op 1 januari 2013, in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid.

B.15.1. Indien de decreetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat zij met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een te hunnen voordele ingestelde overgangsregeling kan verantwoorden.

Dat geldt des te meer in fiscale aangelegenheden, waar de decreetgever beschikt over een ruime beoordelingsmarge, ook wanneer hij beslist het bedrag van een belasting te verhogen en beoordeelt of die verhoging het instellen van een overgangsregeling vereist.

B.15.2. Te dezen konden de verzoekende partijen niet redelijkerwijs verwachten dat de belasting op de automatische ontspanningstoestellen van klasse A zou worden verlaagd of dat het bedrag van de belasting niet zou worden verhoogd. Het feit dat een dergelijke verlaging heeft plaatsgehad in de sector van de spelen en weddenschappen verandert hier niets aan, aangezien de omstandigheden waaraan in B.13.2 wordt herinnerd en die ten grondslag liggen aan die verlaging, niet aanwezig waren in de sector van de automatische ontspanningstoestellen.

B.15.3. Het tweede middel in de zaak nr. 5676 is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 juni 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels