Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest aus 12 Oktober 2017 (België). RG 115/2017

Date :
12-10-2017
Langue :
Allemand Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel D-20171012-5
Numéro de rôle :
115/2017

Résumé :

Der Gerichtshof erkennt für Recht: Die Artikel 35, 36 und 37 des Feldgesetzbuches, dahin ausgelegt, dass sie nicht auf die öffentlichen Straßen und deren Anlagen anwendbar sind, verstoßen nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit Artikel 16 der Verfassung und mit Artikel 1 des ersten Zusatzprotokolls zur Europäischen Menschenrechtskonvention, insofern der zuständige Richter in concreto prüfen kann, ob die Störung, die sich aus den Anpflanzungen am Straßenrand einer öffentlichen Straße ergeben könnte, über die Belastung hinausgeht, die einem Einzelnen aufgrund des Allgemeininteresses auferlegt werden kann.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 17 augustus 2016 in zake Roger Heinen en Astrid Heuschen tegen de stad Eupen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 augustus 2016, heeft de Vrederechter van het kanton Eupen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 35, 36 en 37 van het Veldwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van dezelfde tekst en/of met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van hetzelfde Verdrag, wanneer ze zo worden geïnterpreteerd dat ze niet van toepassing zijn op de overheid (Staat, stad, gemeente,...) in haar hoedanigheid van eigenaar of buur ? ».

Aangezien de verwijzingsbeslissing in het Duits is gesteld, heeft het Hof bij beschikking van 21 september 2016 overeenkomstig artikel 63, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof beslist dat het onderzoek van de zaak in het Nederlands wordt gevoerd.

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1. De in het geding zijnde artikelen van het Veldwetboek regelen de afstand voor beplantingen.

Artikel 35 bepaalt :

« Hoogstammige bomen mogen slechts op een door vast en erkend gebruik bepaalde afstand geplant worden; bij ontstentenis van zodanig gebruik mogen hoogstammige bomen slechts op twee meter, andere bomen en levende hagen slechts op een halve meter van de scheidingslijn tussen twee erven worden geplant.

Fruitbomen van welke soort ook mogen als leibomen, aan elke kant van de muur tussen twee erven, geplant worden zonder dat een afstand in acht wordt genomen.

Is die muur niet gemeen, dan heeft alleen de eigenaar het recht hem als steun voor zijn leibomen te gebruiken ».

Artikel 36 bepaalt :

« De nabuur kan de rooiing eisen van bomen, hagen, heesters en struiken die op een kortere afstand geplant zijn dan de wet bepaalt ».

Artikel 37 bepaalt :

« Degene over wiens eigendom takken van bomen van een nabuur hangen, kan de nabuur noodzaken die takken af te snijden.

Vruchten die vanzelf op het eigendom van de nabuur vallen, behoren de nabuur toe.

Degene op wiens erf wortels doorschieten, mag ze aldaar zelf weghakken.

Het recht om de wortels weg te hakken of de takken te doen afsnijden verjaart niet ».

B.2. Volgens een arrest van het Hof van Cassatie van 20 juni 1872 zijn de voorschriften inzake de afstand voor beplantingen niet van toepassing op het geval van twee naast elkaar gelegen erven, waarvan het ene deel uitmaakt van de openbare weg en, als dusdanig, voor het publiek is bestemd (Pas., 1872, I, p. 352).

Volgens het antwoord van de bevoegde minister op een parlementaire vraag is die interpretatie « een toepassing van het meer algemeen principe van de onvervreemdbaarheid van de goederen van het openbaar domein. Het artikel 35 van het Veldwetboek bekrachtigt inderdaad het bestaan van een wettelijke erfdienstbaarheid van niet-beplanting » (Vragen en antwoorden, Senaat, 30 april 1991, nr. 29, p. 1261).

B.3. De verwijzende rechter vraagt of de in het geding zijnde bepalingen, in die interpretatie, verenigbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van hetzelfde Verdrag.

Het geschil voor de verwijzende rechter heeft betrekking op bermbeplantingen die deel uitmaken van de openbare weg. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.4. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Dat beginsel sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voegt niets toe aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.5. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».

Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar tegen elke verstoring van het genot van de eigendom (eerste alinea, eerste zin) en elke regeling van het gebruik van de eigendom (tweede alinea). Doordat beide aangevoerde bepalingen het eigendomsrecht beschermen, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel, zodat het Hof bij zijn toetsing aan artikel 16 van de Grondwet rekening dient te houden met de ruimere bescherming die artikel 1 van dat Protocol biedt.

Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

B.6. De openbare wegen en hun bermbeplantingen verschillen door hun aard en bestemming van de beplantingen op private eigendommen. De openbare wegen en hun uitrusting zijn niet alleen bestemd voor het verkeer en vervoer van eenieder; zij maken daarnaast een wezenlijk onderdeel uit van het leefmilieu, de landinrichting en de ruimtelijke ordening.

Door die bijzondere aard en bestemming is het niet zonder redelijke verantwoording dat de gemeenrechtelijke regeling inzake de afstand voor beplantingen niet op algemene wijze toepasselijk wordt geacht op de openbare wegen en hun uitrusting.

De behoeften inzake mobiliteit, leefmilieu, landinrichting en ruimtelijke ordening behoren immers in essentie door overwegingen van algemeen belang te worden bepaald, terwijl de gemeenrechtelijke regeling inzake de afstand voor beplantingen in de eerste plaats het goede nabuurschap van private eigenaars beoogt te vrijwaren.

B.7. De beperking die voor de private eigenaars voortvloeit uit de in het geding zijnde bepalingen is voldoende voorzienbaar in het licht van de rechtspraak van het Hof van Cassatie en doet als zodanig niet op onevenredige wijze afbreuk aan hun recht op het ongestoord genot van de eigendom.

Die vaststelling neemt niet weg dat elke overheid, in de uitoefening van haar bevoegdheden, het billijk evenwicht dient te bewaken tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Het staat aan de bevoegde rechter om in concreto, rekening houdend met alle particuliere en openbare aspecten van elk geval, de hinder te beoordelen die voor een naburige eigenaar uit de bermbeplantingen van een openbare weg zou kunnen voortvloeien en aan die beoordeling in voorkomend geval het passende gevolg te verbinden.

Een vergoeding is op grond van het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten slechts vereist indien en in de mate waarin de gevolgen van de erfdienstbaarheid tot openbaar nut of de beperking van het eigendomsrecht van de getroffen groep van burgers of instellingen de last te boven gaan die in het algemeen belang aan een particulier kan worden opgelegd.

Onder het voormelde voorbehoud doen de in het geding zijnde bepalingen, in de aan het Hof voorgelegde interpretatie, niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op het ongestoord genot van de eigendom.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 35, 36 en 37 van het Veldwetboek, in de interpretatie dat zij niet van toepassing zijn op de openbare wegen en hun uitrusting, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, voor zover de bevoegde rechter in concreto vermag na te gaan of de hinder die uit de bermbeplantingen van een openbare weg zou kunnen voortvloeien de last te boven gaat die in het algemeen belang aan een particulier kan worden opgelegd.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 12 oktober 2017.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

E. De Groot