Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 14 Juli 1994 (België). RG 623

Date :
14-07-1994
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19940714-5
Numéro de rôle :
623

Résumé :

het Hof zegt voor recht : Artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (vroegere artikelen 6 en 6bis) niet, in zoverre dat artikel via de wettelijke indeling van de misdrijven leidt tot een afwijking van de gewone regelen inzake bevoegdheid voor de strafvervolging wegens inbreuk op artikel 27.3.1, 1°, en op artikel 27.3.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer. (I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 3 december 1993 in zake het Openbaar Ministerie tegen Christian Deleu heeft het Hof van Beroep te Gent, eerste kamer, de volgende prejudiciële vraag gesteld : "Worden de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet geschonden door artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering inzover dit via de wettelijke indeling van de misdrijven leidt tot een afwijking van de gewone regelen inzake bevoegdheid voor de strafvervolging wegens inbreuk op artikel 27.3.1, 1°, en 27.3.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer?". B.1. Artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt : "Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Arbitragehof, een referendaris bij dat Hof, een generaal die het bevel voert over een divisie, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld." Krachtens artikel 29, tweede lid, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, worden de inbreuken op de reglementen uitgevaardigd op grond van die wetten, andere dan de door de Koning als zodanig aangewezen "zware overtredingen", gestraft met een gevangenisstraf van één dag tot één maand en met geldboete van 10 frank tot 500 frank of met één van die straffen alleen. Christian Deleu wordt beticht van inbreuken als bedoeld in laatstgenoemd artikel. Normalerwijze behoort de berechting van die inbreuken, op grond van artikel 138, 6°, van het Wetboek van Strafvordering, tot de bevoegdheid van de politierechtbank. Omdat de betrokkene een persoon is op wie het bijzonder stelsel van voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, en de misdrijven waarvan hij wordt beticht wanbedrijven zijn, werd hij door de procureur-generaal gedagvaard om voor het hof van beroep te verschijnen. B.2. Het voorrecht van rechtsmacht, dat van toepassing is op de magistraten, met inbegrip van de plaatsvervangende magistraten, en op bepaalde andere ambtsdragers, is ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting die het voorrecht van rechtsmacht inhoudt, beogen te vermijden dat, enerzijds, ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de ambtsdragers op wie dat stelsel van toepassing is, op gang zouden worden gebracht, anderzijds, die ambtsdragers hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld. Het geheel van die motieven kan redelijkerwijze verantwoorden dat de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, op het gebied van het onderzoek, de vervolging en de berechting anders worden behandeld dan de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van strafvordering van toepassing zijn. B.3. De prejudiciële vraag betreft evenwel niet het bijzonder stelsel van voorrecht van rechtsmacht als zodanig, doch enkel de toepasselijkheid ervan op de in artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering genoemde ambtsdragers voor zover die worden vervolgd op grond van bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer bedoelde inbreuken, meer in het bijzonder op grond van inbreuken op artikel 27.3.1, 1°, en op artikel 27.3.3 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer. B.4. De wetgever vermag de toepassing van het voorrecht van rechtsmacht voor te behouden voor vervolgingen betreffende inbreuken die hij als voldoende gewichtig aanziet. De wettelijke indeling der misdrijven die resulteert uit de zwaarte van de straffen welke op die misdrijven zijn gesteld, vormt - welke de ter berechting bevoegde rechtbank ook moge zijn - een objectief en adequaat criterium om te bepalen of het voorrecht van rechtsmacht toepassing moet vinden. Er wordt niet aangetoond - en het Hof ziet niet in - dat aan het vereiste van een redelijk verband van evenredigheid tussen de door de wetgever aangewende middelen en het beoogde doel niet zou zijn voldaan.)

Arrêt :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.