Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 18 November 1992 (België). RG 343

Date :
18-11-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19921118-6
Numéro de rôle :
343

Résumé :

Het Hof zegt voor recht : Artikel 414 van het Gerechtelijk Wetboek houdt geen schending in van de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet. B.1.1. De prejudiciële vraag heeft geen betrekking op alle in de memories van de eiser tot cassatie geuite grieven ten aanzien van het Gerechtelijk Wetboek : zij stelt het probleem van de bestaanbaarheid van de bepalingen betreffende de tuchtstraffen die aan de ambtenaren van het openbaar ministerie kunnen worden opgelegd met het beginsel van de onpartijdigheid niet in zijn geheel aan de orde; zij heeft evenmin betrekking op het feit dat eenzelfde persoon in bepaalde gevallen gemachtigd is om te vervolgen en te veroordelen, noch op de mogelijkheid van een beroep van volle rechtsmacht tegen de bedoelde straffen. Het enige probleem dat aan de orde wordt gesteld, is dat de tuchtrechtelijk vervolgde magistraten van het openbaar ministerie als tuchtstraffen de waarschuwing, de enkele censuur en de censuur met berisping kunnen worden opgelegd, zonder dat zij de mogelijkheid hebben om te verschijnen voor een collegiaal samengesteld rechtscollege, terwijl de rechters in een dergelijk geval die mogelijkheid wel wordt geboden. B.1.2. Uit artikel 412 van het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat enkel de korpsoverste van de betrokken magistraat of die van het onmiddellijk hogere rechtscollege bevoegd is om de waarschuwing te geven. B.3. Tot de rechten en vrijheden die aan de Belgen zijn toegekend en die bijgevolg krachtens artikel 6bis van de Grondwet zonder discriminatie moeten worden verzekerd, behoort niet een recht om in tuchtzaken te worden berecht door een orgaan waarvan de samenstelling van collegiale aard zou zijn. De wetgever heeft weliswaar bepaald dat de zittende magistraten in bepaalde gevallen een dergelijke waarborg zou kunnen worden verleend. De hoedanigheid van aan de rechtsbedeling bijdragende magistraat, die de ambtenaren van het openbare ministerie met de magistraten van de zetel delen, houdt echter geenszins in dat de eerstgenoemden in tuchtzaken aan dezelfde regels zouden zijn onderworpen als de laatstgenoemden. In tegenstelling tot de magistraten van de zetel hebben die van het openbaar ministerie geen rechtsprekende bevoegdheid : zij vervullen de plichten van hun ambt bij de hoven en rechtbanken om een juiste toepassing van de wet te vorderen, alsook om de vereisten van de openbare orde en het belang van een een goede rechtsbedeling te verdedigen. Door bij artikel 30 te bepalen dat de rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de hoven en rechtbanken, en bij artikel 101 dat de Koning de ambtenaren van het openbaar ministerie benoemt en ontslaat, heeft de Grondwet zelf de basis gelegd voor een statuut en een organisatie van het openbaar ministerie die verschillen van die van de zittende magistratuur. Dat statuut en die organisatie worden met name gekenmerkt door de relaties van hiërarchische aard tussen de ambtenaren van het openbaar ministerie. Die relaties vloeien voort uit de concentratie, in de handen van de procureur-generaal bij het hof van beroep, van de leiding van de activiteit van alle parketmagistraten in het rechtsgebied van het hof, zoals die blijkt uit de artikelen 143 van het Gerechtelijk Wetboek en 27 van het Wetboek van Strafvordering. Daaruit volgt dat de wetgever de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet niet heeft geschonden door het beginsel van een collegiale samenstelling van de bevoegde tuchtoverheid ten aanzien van de magistraten van het openbaar ministerie niet in werking te stellen.)

Arrêt :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.