Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 27 Februari 1992 (België). RG 256

Date :
27-02-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19920227-1
Numéro de rôle :
256

Résumé :

Het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 11 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer SCHENDT de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten : a) IN DE MATE dat het de bewijswaarde regelt van de processen-verbaal opgesteld door de ambtenaren die de Vlaamse Executieve aanwijst; b) IN ZOVERRE de plaatsen bedoeld in dat artikel een woning uitmaken in de zin van artikel 10 van de Grondwet. (Ten aanzien van de bevoegdheid van het Gewest inzake grondwaterbeheer Artikel 6, alinéa 1, V, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen - zoals gewijzigd bij bijzondere wet van 8 augustus 1988 - bepaalt : "De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet zijn : V. Wat het waterbeleid betreft : 1° De waterproduktie en watervoorziening, met inbegrip van de technische reglementering inzake drinkwater, met eerbiediging van de milieunormen vastgesteld door de nationale overheid wanneer er geen Europese normen bestaan." Uit de parlementaire voorbereiding van voormeld artikel 6, alinéa 1, V, 1°, blijkt, dat de ontwerpers ervan beoogden aan de Gewesten de aangelegenheden toe te wijzen die voordien onder meer bij volgende nationale wetten geregeld waren : - de besluitwet van 18 december 1946 waarbij tot het houden van een telling der grondwaterreserves en tot invoering van een reglementering van hun gebruik besloten wordt; - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater; - de wet van 9 juli 1976 betreffende de reglementering van de exploitatie van de grondwaterwinning;, - de wet van 10 januari 1977 houdende regeling van de schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door het winnen en pompen van grondwater. Het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 januari 1984 inzake het grondwaterbeheer neemt in grote mate de bepalingen van de voormelde wetten over. De Vlaamse gewestelijke decreetgever was dus in beginsel bevoegd om in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden inzake het waterbeleid de bepalingen van voormeld decreet aan te nemen. Ten aanzien van de door de Grondwet aan de wet voorbehouden aangelegenheden De artikelen 3ter, 59bis, en 107quater van de Grondwet en de artikelen 4 tot 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 hebben aan de decreetgever de bevoegdheid toegekend om bij decreet een aantal aangelegenheden te regelen. Artikel 19, alinéa 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt evenwel : "het decreet regelt de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 4 tot 11, onverminderd de bevoegdheden die door de Grondwet aan de wet zijn voorbehouden". Daaruit vloeit voort dat, behoudens de gevallen waarin een bijzondere en uitdrukkelijke machtiging is gegeven door de bijzondere of gewone wetten tot hervorming der instellingen, een decreetgever de hem toegewezen aangelegenheden slechts kan regelen mits hij op generlei wijze inbreuk maakt op bij de Grondwet voor de wet gereserveerde bevoegdheden. De mogelijkheid die de Raden krachtens artikel 10 van de bijzondere wet hebben om in de decreten rechtsbepalingen op te nemen m.b.t. aangelegenheden waarvoor zij niet bevoegd zijn, kan geen toepassing vinden op bevoegdheden die de Grondwet aan de wet voorbehoudt. Ten aanzien van bevoegdheid in strafzaken Artikel 7 van de Grondwet behoudt de nationale wetgever de zorg voor tot het bepalen van de gevallen waarin vervolging kan plaatshebben en tot het regelen van de vorm van die vervolging. Artikel 9 van de Grondwet bepaalt : "geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet". De Gemeenschappen en de Gewesten mogen in die voorbehouden aangelegenheden slechts optreden mits zij daartoe gemachtigd zijn. Artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 behelst een dergelijke machtiging : het biedt de decreetgever de mogelijkheid de gevallen te bepalen waarin vervolging mag plaatshebben en de strafmaatregelen te bepalen binnen de grenzen die het stelt. Het biedt de decreetgever echter niet de mogelijkheid de vorm van de vervolging te regelen. Artikel 11 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : "Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gewesten en de Gemeenschappen kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen overeenkomstig Boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van de criminele straffen bepaald in artikel 7 van dat Wetboek". Artikel 11 staat de decreetgever evenwel niet toe af te wijken van de bepalingen van Boek I van het Strafwetboek. De Gemeenschappen en de Gewesten kunnen derhalve geen beroep doen op artikel 100 van het Strafwetboek, ook al is die bepaling ondergebracht in Boek I ervan. De bijzondere wetgever heeft de in Boek I vervatte regels uniform willen houden en heeft gewild dat de Gemeenschappen en Gewesten er niet van afwijken. Hij heeft dan ook uitdrukkelijk gesteld dat het geheel van de aangelegenheden vervat in Boek I van het Strafwetboek tot de bevoegdheid van de nationale wetgever behoort. Het staat niet aan de decreetgever die aangelegenheden te regelen, zelfs al zou hij de bestaande nationale bepalingen slechts overnemen. Ten aanzien van artikel 11 van het decreet Artikel 11 bepaalt : "Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de ambtenaren, die daartoe worden aangewezen door de Vlaamse Executieve, gerechtigd om de overtreding van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluit op te sporen en vast te stellen. Zij hebben bij dag en nacht toegang tot alle instellingen of inrichtingen - woongelegenheden uitgezonderd - als ze redenen hebben om aan te nemen dat dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten worden overtreden. Hun processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift ervan wordt aan de overtreders toegezonden binnen de tien dagen na de vaststelling. Indien er voldoende aanwijzingen zijn om te vermoeden dat een dergelijke overtreding in woongelegenheden wordt begaan, mag door twee van die ambtenaren huiszoeking worden gedaan, krachtens een machtiging van de vrederechter". De gewestwetgever, die bevoegd is om ambtenaren die onder het Gewest ressorteren met opdrachten van toezicht op de gewestelijke normen te belasten, is eveneens bevoegd om de wijze te bepalen waarop die ambtenaren hun bevindingen dienen te rapporteren. Anders is het gesteld met de regeling van de bewijswaarde van de processen-verbaal. Die regeling betreft de bewijslast in strafzaken en maakt deel uit van de vaststelling van de vorm van de vervolging, aangelegenheid die bij artikel 7 van de Grondwet aan de nationale wetgever is voorbehouden en die buiten de toepassingssfeer van artikel 11 van de bijzondere wet valt. Voormeld artikel 11, eerste lid, derde zin, van het decreet schendt dus de bevoegdheidsbepalende regels in de mate dat daarin de bewijswaarde wordt geregeld van de processen-verbaal opgesteld door ambtenaren die de Vlaamse Executieve aanwijst. Ook in zoverre de plaatsen die zijn bedoeld in artikel 11 een woning uitmaken in de zin van artikel 10 van de Grondwet is voormeld artikel van het decreet door een bevoegdheidsgebrek aangetast. Artikel 10 van de Grondwet bepaalt immers : "De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft". Naar luid van dat artikel komt dus de nationale wetgever en hem alleen de bevoegdheid toe om de gevallen waarin huiszoekingen - in de zin van artikel 10 van de Grondwet - gelast kunnen worden en de vorm waarin ze kunnen geschieden, te regelen.) 2. Artikel 29, alinéa 2, van voormeld decreet SCHENDT de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten. (Artikel 29, alinéa 2, bepaalt : "alinéa 2. De straffen kunnen worden verdubbeld indien een nieuwe overtreding wordt begaan binnen twee jaar na een onherroepelijk geworden vonnis tot veroordeling wegens een der in dit artikel bepaalde overtredingen." Die bepaling schendt de bevoegdheidsbepalende regel die voortvloeit uit artikel 11 van de bijzondere wet omdat zij de herhaling regelt, een aangelegenheid opgenomen in Boek I van het Strafwetboek (artikelen 54 en volgende), die onder de bevoegdheid van de nationale wetgever valt.) 3. Artikel 29, alinéa 4, van voormeld decreet HOUDT GEEN SCHENDING IN van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten. (Artikel 29, alinéa 4, bepaalt : "alinéa 4. De rechter kan de inbeslagneming van machines en het afbreken van de gebouwen, inrichtingen en kunstwerken bevelen die tot stand zijn gebracht met overtreding van de ter uitvoering van dit decreet gegeven voorschriften. Hij kan eveneens bevelen de plaatsen in hun vroegere staat te herstellen. Indien de veroordeelde het vonnis niet binnen de gestelde tijd ten uitvoer legt, geschiedt dit van ambtswege, op zijn kosten en risico, op bevel van de daartoe door de Vlaamse Executieve gemachtigde ambtenaar. In dat geval heeft deze het recht de materialen en voorwerpen afkomstig van het herstel van de plaatsen in hun vroegere toestand te verkopen, te vervoeren, op te slaan of te vernietigen op een plaats die hij uitkiest. De veroordeelde is ertoe gehouden alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop der materialen en voorwerpen, te vergoeden op vertoon van een staatsbegroting en invorderbaar verklaard door de beslagrechter." De bepalingen van artikel 29, alinéa 4, zijn te beschouwen als een regeling van de teruggave in de brede zin. Hoewel zij een burgerrechtelijk karakter heeft, is de teruggave verbonden met de openbare orde en door sommige aspecten een met de strafsanctie onlosmakelijk verbonden accessoria; zij is namelijk het verlengde ervan nu zij erop gericht is - buiten de strafrechtelijke veroordeling - te vermijden dat de situatie van overtreding blijft voortbestaan. Artikel 29, alinéa 4, is dus in overeenstemming met de krachtens artikel 11 van de bijzondere wet aan de decreetgever verleende machtiging : het recht om de niet-inachtneming van de decreten strafbaar te stellen en om de straffen wegens die niet-inachtneming te bepalen, impliceert het recht om de verwijdering van het voorwerp van het misdrijf op te leggen en de modaliteiten ervan te regelen.) 4. Artikel 29, alinéa 5, van voormeld decreet SCHENDT de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten. (Artikel 29, alinéa 5, bepaalt : "alinéa 5. De vennootschappen zijn burgerlijk aansprakelijk voor veroordelingen tot geldboeten en verbeurdverklaringen uitgesproken tegen hun orgaan of aangestelden wegens overtreding van de bepalingen van dit decreet. Die vennootschappen kunnen voor de strafrechtbank worden gedagvaard." In de mate dat artikel 29, alinéa 5, van het decreet bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een der straffen bepaald bij paragraaf 1 van datzelfde artikel - de betaling van de geldboeten - kan geschieden ten laste van een andere persoon dan die welke veroordeeld werd, wijkt het af van de regelen vastgesteld door Boek I van het Strafwetboek; het schendt zodoende de regels die de onderscheiden bevoegdheid bepalen van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten. Door de vennootschappen burgerlijk aansprakelijk te stellen voor een verbeurdverklaring die als straf tegen hun orgaan of aangestelden is uitgesproken, creëert artikel 29, alinéa 5, van het decreet een andere verbeurdverklaring dan die welke in Boek I van het Strafwetboek is geregeld. Enkel de nationale wetgever is bevoegd om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden de verbeurdverklaring als straf uitgesproken kan worden. Artikel 29, alinéa 5, van het decreet schendt de bevoegdheidsbepalende regels in de mate dat het een toevoeging inhoudt aan de artikelen 42 en 43 van het Strafwetboek. De tweede zin van artikel 29, alinéa 5, naar luid waarvan vennootschappen voor de strafrechtbank kunnen worden gedagvaard, moet worden gelezen in samenhang met de bepalingen van de eerste zin. Derhalve schendt ook de tweede in de bevoegdheidsbepalende regels.)

Arrêt :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.