Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 30 November 2017 (België). RG 137/2017

Date :
30-11-2017
Langue :
Allemand Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20171130-3
Numéro de rôle :
137/2017

Résumé :

Het Hof zegt voor recht : Artikel 38, § 2bis, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 22 april 2016 in zake de procureur des Konings tegen F.S. en de nv « AG Insurance », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 mei 2016, heeft de Franstalige Correctionele Rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 38, § 2bis, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer in zijn huidige vorm de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het aan de rechter de mogelijkheid biedt te bevelen dat het uitgesproken verval van het recht tot sturen enkel wordt uitgevoerd van vrijdag om 20 uur tot zondag om 20 uur en van 20 uur op de vooravond van een feestdag tot 20 uur op die feestdag, voor de personen die tijdens de week werken, terwijl niet is voorzien in de mogelijkheid van een verval van het recht tot sturen dat is beperkt tot een aantal weekdagen voor de personen die in het weekend en op feestdagen werken, en terwijl het verval van het recht tot sturen niet anders kan worden gemodaliseerd naar gelang van de werktijden van de persoon die het voorwerp van een dergelijke maatregel uitmaakt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Wanneer hij bepaalde veroordelingen uitspreekt, kan de bevoegde rechter « het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken » (artikel 38, § 1, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, zoals zij voortvloeit uit de coördinatie bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968).

Artikel 38, § 2bis, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, vervangen bij artikel 10, 6°, van de wet van 20 juli 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer », en vervolgens gewijzigd bij artikel 9, 3°, van de wet van 9 maart 2014 « tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen en van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen », bepaalt :

« Behoudens in geval van artikel 37/1, eerste lid, of als hij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maakt van het slagen voor een of meer van de in § 3 vermelde examens en onderzoeken, kan de rechter lastens iedere bestuurder houder van een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, bevelen dat het effectief verval enkel wordt uitgevoerd :

- van vrijdag om 20 uur tot zondag om 20 uur;

- van 20 uur op de vooravond van een feestdag tot 20 uur op die feestdag ».

B.2. Uit de verwijzingsbeslissing en uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 38, § 2bis, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, in zoverre die bepaling twee categorieën van personen die vervallen zijn verklaard van hun recht op het besturen van een motorvoertuig, op dezelfde wijze behandelt : enerzijds, de personen die, tijdens de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde periodes, geen motorvoertuig moeten besturen om hun beroepsactiviteit uit te oefenen en, anderzijds, diegenen die dat tijdens die periodes wel moeten doen.

De in het geding zijnde bepaling, waarbij de bevoegdheid van de rechter op dezelfde wijze wordt beschreven voor die twee categorieën van personen, maakt het hem niet mogelijk rekening te houden met de situatie van diegenen die tot de tweede categorie behoren.

B.3.1. Artikel 38, § 2bis, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer bepaalde oorspronkelijk :

« De rechter kan lastens iedere bestuurder houder van een rijbewijs uitgereikt sedert minder dan vijf jaar of van het als zodanig geldend bewijs, bevelen dat het effectief verval enkel wordt uitgevoerd van de vrijdag om 20 uur tot de zondag om 20 uur en op de feestdagen, volgens de nadere regels die hij bepaalt ».

B.3.2. Die « [mogelijkheid] voor de rechter om jonge chauffeurs te veroordelen tot een verval van het recht tot sturen dat tijdens weekends zal gelden » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1915/001, p. 14), ingevoerd bij de wet van 7 februari 2003 « houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid », was oorspronkelijk verantwoord « om de specifieke problematiek van de weekendongevallen bij jongeren te bestrijden » (Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 2-1402/3, p. 48).

De uitbreiding van het toepassingsgebied van die maatregel tot alle andere bestuurders bij de wet van 20 juli 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer » werd als volgt verantwoord :

« In plaats van een doorlopende termijn van verval van het recht tot sturen uit te spreken, kan de rechter ook een gefractioneerd verval uitspreken [dat] enkel geldt tijdens het weekend en op de feestdagen. Dit geldt evenwel alleen voor personen die minder dan 5 jaar houder zijn van een rijbewijs. Dit artikel heft deze laatste beperking op. Ook voor wie langer dan 5 jaar houder is van een rijbewijs wordt gefractioneerd verval mogelijk » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1428/004, p. 15).

B.4.1. Het toekennen van het recht tot sturen door de overheid is afhankelijk van het slagen voor examens. Die maatregel past in het kader van het bewaken van de verkeersveiligheid door het deelnemen aan het verkeer met een motorvoertuig voor te behouden aan personen die hun kennis van de verkeersregels en hun rijvaardigheid hebben aangetoond en dus voldoende bekwaam zijn om zich op een veilige manier in het verkeer te begeven.

Het recht tot sturen kan in bepaalde gevallen door de rechter worden ontzegd omdat de gepleegde verkeersinbreuken van dien aard zijn dat kan worden aangenomen dat de veroordeelde bestuurder een gevaar is voor de verkeersveiligheid. Het verval van het recht tot sturen draagt aldus bij aan het waarborgen van de verkeersveiligheid.

B.4.2. Het verval van het recht tot sturen in de in het geding zijnde bepaling is een straf, die zowel een preventief als een repressief karakter heeft. Het verval van het recht tot sturen heeft tot gevolg dat een veroordeelde het recht verliest om zich als bestuurder van een motorvoertuig op de openbare weg te begeven en deel te nemen aan het verkeer. De maatregel draagt bijgevolg bij aan de verkeersveiligheid, door rechters toe te laten bestuurders die zich niet houden aan de verkeersregels, de toegang tot het verkeer als bestuurder van een motorvoertuig tijdelijk of definitief te ontzeggen.

B.5. De in het geding zijnde bepaling laat de rechter toe bij een veroordeling tot het verval van het recht tot sturen voor een bepaalde termijn, de uitvoering ervan te koppelen aan specifieke periodes. Uit de in B.3.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de doelstelling van het onderbroken verval van het recht tot sturen erin bestaat de verkeersveiligheid specifiek te bevorderen tijdens de periodes waarin de zogenaamde « weekendongevallen » zich voordoen door de rechter de mogelijkheid te geven het recht tot sturen uitsluitend tijdens die specifieke periodes te ontzeggen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2005 blijkt niet dat de voormelde doelstelling van verkeersveiligheid zou zijn verlaten.

De maatregel is derhalve specifiek bedoeld om verkeersongevallen tijdens weekends en op feestdagen tegen te gaan en zo de algemene verkeersveiligheid te bevorderen.

B.6. Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat de persoon die tijdens de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde periodes geen motorvoertuig moet besturen om zijn beroepsactiviteit uit te oefenen, zich ten aanzien van de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel niet in een situatie bevindt die wezenlijk verschilt van die van de persoon die dat tijdens die periodes wel moet doen, zodat hun gelijke behandeling niet zonder redelijke verantwoording is.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 38, § 2bis, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 november 2017.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels