Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest aus 7 Mai 2015 (België). RG 53/2015

Date :
07-05-2015
Langue :
Allemand Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel D-20150507-2
Numéro de rôle :
53/2015

Résumé :

Der Gerichtshof erkennt für Recht: Artikel 301 § 2 Absätze 2 und 3 des Zivilgesetzbuches verstößt nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 24 januari 2014 in zake I.H. tegen J.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 januari 2014, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 301, § 2, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek de grondwettelijke bepalingen van gelijkheid en niet-discriminatie bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een onderscheid maakt tussen, enerzijds, de onderhoudsschuldeiser die een ' [zware] fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt ' (artikel 301, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek) en, anderzijds, de onderhoudsschuldeiser die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon (artikel 301, § 2, derde lid) ? »;

2. « Schendt artikel 301, § 2, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 1447, tweede lid, en 223, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, de grondwettelijke bepalingen van gelijkheid en niet-discriminatie bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en is, meer bepaald, het onderscheid gemaakt tussen, enerzijds, artikel 301, § 2, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat van het recht op de uitkering tot levensonderhoud de onderhoudsschuldeiser uitsluit die ' schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen [...] de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon ' en, anderzijds, de artikelen 223, derde lid, en 1447, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, die, behalve bij uitzonderlijke, door de rechter te beoordelen omstandigheden, respectievelijk het genot van de gezinswoning en de eigendom van de gezinswoning toewijzen aan de echtgenoot die het slachtoffer is van dezelfde strafbare feiten, op onverantwoorde wijze discriminatoir ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 301, § 2, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :

« Bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in § 1, kan de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere echtgenoot.

De rechtbank kan het verzoek om een uitkering weigeren indien de verweerder bewijst dat verzoeker een zware fout heeft begaan die de voortzetting van de samenleving onmogelijk heeft gemaakt.

In geen geval wordt de uitkering tot levensonderhoud toegekend aan de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek bedoeld feit dat is gepleegd tegen de persoon van de verweerder of aan een poging tot het plegen van een in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek bedoeld feit tegen diezelfde persoon.

In afwijking van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering kan de rechter in afwachting dat de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden, aan de verzoeker een provisionele uitkering toekennen, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak. Hij kan het toekennen van deze provisionele uitkering ondergeschikt maken aan het stellen van een waarborg die hij bepaalt en waarvoor hij de nadere regels vaststelt ».

B.1.2. Het Hof wordt door de verwijzende rechter ondervraagd over de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van het derde lid van die bepaling.

De in het geding zijnde bepaling bevat een absolute uitsluitingsgrond van de uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding voor personen die een strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen wegens één van de daarin opgesomde geweldmisdrijven, indien de feiten werden gepleegd tegen de gewezen echtgenoot van wie de uitkering wordt gevorderd.

B.1.3. In het bodemgeschil werd opgeworpen dat onderhoudsschuldeisers op wie de in het geding zijnde uitsluitingsgrond wordt toegepast, worden gediscrimineerd ten opzichte van de onderhoudsschuldeisers op wie de uitsluitingsgrond van artikel 301, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt toegepast. Het onderscheid zou volgens de geïntimeerde voor de verwijzende rechter, appellant op tussengeschil, tot uiting komen in het absolute karakter van de in het geding zijnde uitsluitingsgrond, die te dezen enkel van toepassing is op de in het in het geding zijnde artikel limitatief vermelde misdrijven, terwijl andere, even ernstige, misdrijven niet worden beoogd.

De afwezigheid van een beoordelingsmarge voor de rechter zou in de hypothese van de in het geding zijnde bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden, doordat geen rekening kan worden gehouden met verzachtende omstandigheden of met verzoening na de feiten, terwijl de rechter dergelijke omstandigheden wel zou kunnen onderzoeken in het kader van de uitsluitingsgrond waarin artikel 301, § 2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek voorziet (eerste prejudiciële vraag). Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou in dezelfde mate zijn geschonden in zoverre geen rekening kan worden gehouden met uitzonderlijke omstandigheden, terwijl de rechter dat wel kan doen met betrekking tot de toewijzing van de echtelijke verblijfplaats waarin de artikelen 223, derde lid, en 1447, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek voorzien (tweede prejudiciële vraag).

B.1.4. Artikel 223, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bepaalde :

« Indien een echtgenoot zich tegenover de andere schuldig gemaakt heeft aan een feit als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek, of heeft gepoogd een feit te plegen als bedoeld in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek, of indien er ernstige aanwijzingen voor dergelijke gedragingen bestaan, zal de echtgenoot die het slachtoffer is, behalve bij uitzonderlijke omstandigheden, het genot toegewezen krijgen van de echtelijke verblijfplaats indien hij daarom verzoekt ».

De artikelen 1446 en 1447 van hetzelfde Wetboek bepalen :

« Art. 1446. Wanneer het wettelijk stelsel eindigt door het overlijden van een der echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient, samen met het aldaar aanwezige huisraad, en het onroerend goed dat dient voor de uitoefening van zijn beroep, samen met de roerende zaken die aldaar aanwezig zijn voor beroepsdoeleinden.

Art. 1447. Wanneer het wettelijk stelsel eindigt door echtscheiding, scheiding van tafel en bed of scheiding van goederen, kan elk der echtgenoten in de loop van de vereffeningsprocedure aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 1446 vragen.

Behoudens uitzonderlijke omstandigheden wordt het verzoek ingewilligd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403 of 405 van het Strafwetboek of van een poging tot een feit als bedoeld in de artikelen 375, 393, 394 of 397 van hetzelfde Wetboek, wanneer de andere echtgenoot uit dien hoofde is veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing.

De rechtbank beslist met inachtneming van de maatschappelijke en gezinsbelangen die erbij betrokken zijn en van de vergoedings- of vorderingsrechten van de andere echtgenoot.

De rechtbank bepaalt de datum waarop de eventuele opleg opeisbaar wordt ».

B.2.1. De automatische uitsluiting van het recht op de uitkering tot levensonderhoud voor de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan een van de in de in het geding zijnde bepaling limitatief opgesomde misdrijven wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord :

« 1. Om het hoofd te bieden aan de omvang en de diversiteit van de vormen van geweld binnen de koppels, moet men rekening houden met het nationaal actieplan inzake geweld tegen vrouwen, dat werd goedgekeurd voor de periode 2001 tot 2003. Op 7 mei 2004 heeft de federale regering een tweede actieplan inzake geweld tegen vrouwen goedgekeurd voor de periode 2004-2007. Dit amendement is ingegeven door artikel 1447 van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd door de wet van 28 januari 2003 tot toewijzing van de gezinswoning aan de echtgenoot of aan de wettelijk samenwonende die het slachtoffer is van fysieke gewelddaden vanwege zijn partner.

2. In tegenstelling met de andere zware fouten zoals bedoeld door het tweede lid (overspel, enzovoort), beschikt de rechter niet over enige beoordelingsbevoegdheid. Daarvoor zou de verantwoordelijke schuldig moeten worden bevonden door een strafrechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is getreden. Zo zal het derde lid niet van toepassing zijn wanneer de potentiële [schuldeiser wordt vrijgesproken of] de opschorting van de uitspraak van de veroordeling verkrijgt (krachtens het tweede lid blijft de rechtbank dan de volledige beoordelingsbevoegdheid behouden) » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2341/008, amendement nr. 92, p. 3).

B.2.2. In tegenstelling met hetgeen in het voormelde uittreksel uit de parlementaire voorbereiding te verstaan wordt gegeven, impliceert de tekst van de in het geding zijnde bepaling dat het automatisch verval van het recht op alimentatie is verworven vanaf het ogenblik dat de echtgenoot-schuldeiser in een vonnis schuldig is verklaard. Bijgevolg tasten het uitstel en de opschorting van de uitspraak dat verval geenszins aan.

B.2.3. De misdrijven waarnaar de in het geding zijnde bepaling verwijst, betreffen alle zware feiten van echtelijk geweld die de fysieke en morele integriteit raken van de persoon die het slachtoffer ervan is.

Vanuit het oogpunt van de strijd die hij tegen echtelijk geweld wilde voeren, vermocht de wetgever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de zwaarste fysieke gewelddaden, in geval van echtscheiding, voor de echtgenoot die schuldig wordt verklaard aan het plegen van dergelijke misdrijven, het automatisch verval van het recht op de uitkering tot levensonderhoud met zich moeten meebrengen.

Hoewel alleen de in een vonnis vastgestelde misdrijven, en die in de in het geding zijnde bepaling uitdrukkelijk worden opgesomd, het automatisch verval van het recht op een uitkering met zich meebrengen, belet dezelfde bepaling de rechter geenszins de impact te beoordelen van niet uitdrukkelijk beoogde misdrijven, of van elk ander foutief gedrag dat aan de oorsprong ligt van de duurzame ontwrichting van het huwelijk, en bijgevolg het bedrag aan te passen dat hij zal kunnen toewijzen aan de persoon die schuldig is aan dergelijke feiten en die alimentatie zou vorderen van zijn gewezen echtgenoot die het slachtoffer ervan zou zijn.

De in het geding zijnde bepaling belet evenmin dat de gewezen echtgenoten, ondanks het plegen van de daarin beoogde misdrijven, overeenkomen over de toekenning van een uitkering tot levensonderhoud aan de echtgenoot welke die misdrijven heeft gepleegd. Artikel 301, § 2, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek is slechts van toepassing bij ontstentenis van overeenkomst tussen de partijen, die, luidens artikel 301, § 1, « op elk ogenblik » kan worden gesloten, waarbij ook het bedrag kan worden herzien.

B.2.4. Met betrekking tot de vergelijking die in de tweede prejudiciële vraag wordt gemaakt met de artikelen 223, derde lid, en 1447, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, vermocht de wetgever ervan uit te gaan dat, inzake verschillende vorderingen en met betrekking tot verschillende situaties, de rechter in die aangelegenheid rekening kan houden met uitzonderlijke omstandigheden om, in voorkomend geval, het verval af te wijzen van het recht dat wordt gevorderd door de echtgenoot die schuldig werd bevonden aan dezelfde misdrijven.

Terwijl de in het geding zijnde bepaling betrekking heeft op het recht op alimentatie na een echtscheiding, heeft artikel 223, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek immers het recht op het genot van de gezinswoning tijdens het huwelijk wanneer een van de echtgenoten grovelijk zijn plicht heeft verzuimd, ten doel, terwijl artikel 1447, tweede lid, van hetzelfde Wetboek betrekking heeft op de toewijzing bij voorrang van een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient, tijdens de verdeling van de goederen van de wettelijke gemeenschap na echtscheiding. Terwijl het verkrijgen van een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding slechts de relaties tussen de beide gewezen echtgenoten betreft, en slechts kan betreffen, kan het in artikel 223, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek beoogde recht op het genot van de echtelijke verblijfplaats, op een ogenblik van crisis tussen de echtgenoten, de situatie van andere personen dan de echtgenoten raken, zoals die van de kinderen die onder de hoede zouden zijn van de echtgenoot die schuldig werd bevonden. Hetzelfde geldt met betrekking tot de toewijzing van de eigendom van de echtelijke verblijfplaats zodra de echtscheiding is toegestaan (artikel 1447, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). In beide gevallen lijkt het redelijk dat de rechter met uitzonderlijke omstandigheden rekening kan houden om ofwel het genot van de echtelijke verblijfplaats, ofwel, eventueel tegen vergoeding, de eigendom ervan in voorkomend geval aan de schuldige echtgenoot toe te wijzen.

B.2.5. De in het geding zijnde maatregel is niet zonder redelijke verantwoording.

B.3. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 301, § 2, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 7 mei 2015.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels