Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 9 Maart 2017 (België). RG 34/2017

Date :
09-03-2017
Langue :
Allemand Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20170309-3
Numéro de rôle :
34/2017

Résumé :

Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, stelt vast dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter J. Spreutels en de rechters J.-P. Moerman en A. Alen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij beschikking van 11 januari 2017 in zake de vakbondsorganisatie « Metaalbewerkers Wallonië-Bruxelles (MWB-ABVV) » tegen de nv « Scima » en J.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 januari 2017, heeft de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden artikel 587bis, 4°bis, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 32decies, § 2, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, in die zin geïnterpreteerd dat zij de voorzitter van de arbeidsrechtbank de bevoegdheid geven om zoals in kort geding uitspraak te doen over een geschil inzake pesterijen en geweld op het werk met sterke collectieve connotaties, of over een collectief geschil waarvan bepaalde aspecten te maken hebben met de begrippen ' pesterijen ' en ' geweld op het werk ', de artikelen 10, 11, 23 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ? ».

Op 19 januari 2017 hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en A. Alen, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Luik stelt aan het Hof de volgende prejudiciële vraag :

« Schenden artikel 587bis, 4°bis, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 32decies, § 2, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, in die zin geïnterpreteerd dat zij de voorzitter van de arbeidsrechtbank de bevoegdheid geven om zoals in kort geding uitspraak te doen over een geschil inzake pesterijen en geweld op het werk met sterke collectieve connotaties, of over een collectief geschil waarvan bepaalde aspecten te maken hebben met de begrippen ' pesterijen ' en ' geweld op het werk ', de artikelen 10, 11, 23 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ? ».

B.2. Artikel 587bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« De voorzitter van de arbeidsrechtbank, aangezocht bij verzoekschrift, doet uitspraak over :

[...]

4°bis. De vorderingen krachtens artikel 32decies, §§ 2 en 3 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk ».

Artikel 32decies, § 2, van de voormelde wet van 4 augustus 1996 bepaalt :

« Op verzoek van de persoon die verklaart het voorwerp te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk of van de organisaties en instellingen bedoeld in artikel 32duodecies stelt de voorzitter van de arbeidsrechtbank het bestaan vast van deze feiten en beveelt hij aan de dader de staking ervan, binnen de door hem vastgestelde termijn, zelfs indien deze feiten onder het strafrecht vallen.

[...] ».

B.3. Noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de motieven van de verwijzingsbeschikking kan worden afgeleid op welke wijze de in het geding zijnde bepalingen, in zoverre zij aan de voorzitter van de arbeidsrechtbank de bevoegdheid geven om kennis te nemen van de vorderingen inzake geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de artikelen 10, 11, 23 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, zouden schenden.

Wanneer noch uit de prejudiciële vraag, noch uit de motivering van de verwijzingsbeslissing kan worden opgemaakt welke categorieën van personen met elkaar dienen te worden vergeleken, en wanneer daaruit evenmin kan worden afgeleid op welke wijze de in het geding zijnde bepalingen een schending zouden inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, bevat de prejudiciële vraag niet de noodzakelijke elementen op grond waarvan het Hof uitspraak moet kunnen doen.

B.4. Bovendien zou het toelaten van een prejudiciële vraag wanneer noch de bewoordingen, noch de motieven van de verwijzingsbeslissing preciseren in welk opzicht de in het geding zijnde bepalingen de voormelde grondwetsbepalingen zouden schenden, ertoe leiden dat het contradictoire karakter van de rechtspleging voor het Hof in het gedrang wordt gebracht, nu de partijen die in voorkomend geval in de zaak voor het Hof wensen tussen te komen, niet in de gelegenheid worden gesteld zulks op een doeltreffende wijze te doen. Dat geldt inzonderheid voor de partij die zou opkomen voor de verdediging van de in het geding zijnde bepaling, en die geen dienstig verweer zou kunnen voeren.

B.5. De vraag of het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil individueel of collectief is, behoort, ten slotte, klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

stelt vast dat de prejudiciële vraag onontvankelijk is.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 maart 2017.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels