Grondwettelijk Hof (Arbitragehof): Arrest van 9 November 1995 (België). RG 824

Date :
09-11-1995
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19951109-4
Numéro de rôle :
824

Résumé :

het Hof zegt voor recht : Artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering, in zoverre het bepaalt dat de burgerlijke partij die op haar verzet in het ongelijk wordt gesteld, tot schadevergoeding jegens de verdachte wordt veroordeeld, zonder dat een soortgelijke bepaling de Staat tot eenzelfde schadevergoeding verplicht indien de procureur des Konings op zijn verzet in het ongelijk wordt gesteld, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. (I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 14 februari 1995 heeft het Hof van Cassatie, tweede kamer, de volgende prejudiciële vraag gesteld : "Is het artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering in strijd met de artikelen 10 (voorheen 6) of 11 (voorheen 6bis) van de Grondwet, doordat het bepaalt dat de burgerlijke partij die op haar verzet tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling van de raadkamer in het ongelijk wordt gesteld, tot schadevergoeding jegens de verdachte wordt veroordeeld terwijl dit niet het geval is voor de Staat, wanneer de procureur des Konings in het ongelijk wordt gesteld?" B.1. Krachtens artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering kunnen de procureur des Konings en de burgerlijke partij hoger beroep instellen, voor de kamer van inbeschuldigingstelling, tegen de beschikkingen van de raadkamer die het voortzetten van de strafvordering in de weg staan. Artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt : "De burgerlijke partij die op haar verzet in het ongelijk wordt gesteld, wordt tot schadevergoeding jegens de verdachte veroordeeld." Het Hof dient na te gaan of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat de burgerlijke partij die op haar verzet tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling van de raadkamer in het ongelijk wordt gesteld, tot schadevergoeding jegens de verdachte wordt veroordeeld, terwijl de Staat niet tot schadevergoeding wordt veroordeeld wanneer de procureur des Konings in het ongelijk wordt gesteld. B.2. Er bestaat, tussen het openbaar ministerie en de burgerlijke partij, een fundamenteel verschil dat op een objectief criterium berust. Het openbaar ministerie is, in het belang van de maatschappij, belast met de opsporing, de vervolging en de bestraffing van misdrijven (artikelen 22 tot 47 van het Wetboek van Strafvordering) en vordert toepassing van de strafwet (artikel 138 van het Gerechtelijk Wetboek). De burgerlijke partij behartigt haar persoonlijk belang en beoogt, bij de burgerrechtelijke vordering, de vergoeding te verkrijgen van de schade die haar door het misdrijf werd toegebracht. B.3. Dat verschil verantwoordt dat het openbaar ministerie en de burgerlijke partij verschillend worden behandeld wanneer hun verzet wordt verworpen door de kamer van inbeschuldigingstelling. Het rechtsmiddel dat krachtens artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering voor de burgerlijke partij openstaat is een uitzondering op de regel volgens welke het openbaar ministerie de toepassing van de strafwet vordert. De wetgever vermocht te vrezen dat de burgerlijke partij misbruik maakt van haar recht van hoger beroep en de verdachte schaadt door het onderzoek te verlengen, om redenen die geen verband houden met het algemeen belang, door een ongepast verzet. Tegenover de bestreden maatregel staat het uitzonderlijke recht van de burgerlijke partij dat ertoe leidt dat de strafvordering wordt aangehouden. B.4. De maatregel beperkt niet op buitensporige wijze de rechten van de persoon die beweert benadeeld te zijn : die heeft de mogelijkheid zijn vordering voor de burgerlijke rechter te brengen. De sanctie is niet onevenredig : de kamer van inbeschuldigingstelling heeft de mogelijkheid, afhankelijk van de omstandigheden, de verdachte een symbolisch bedrag toe te kennen. De procedure sluit niet ieder debat uit : niets belet de burgerlijke partij, subsidiair, te pleiten over de omvang van de schadevergoeding waarmee zij wordt bedreigd. B.5. Er dient negatief op de vraag te worden geantwoord.)

Arrêt :

La version intégrale et consolidée de ce texte n'est pas disponible.