Hof van Cassatie: Arrest van 1 December 2005 (België). RG C040581N

Date :
01-12-2005
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20051201-3
Numéro de rôle :
C040581N

Résumé :

Voor de toepassing van art. 682, ,§ 1, B.W. dient de ingeslotenheid van een erf niet enkel beoordeeld te worden op grond van het al dan niet palen aan de openbare weg, maar ook naar de omstandigheden van normaal gebruik van het perceel volgens de bestemming ervan en de kosten of ongemakken voor het inrichten van de toegang tot het erf.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. C.04.0581.N
V. G. G.,
eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
P. P.,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 30 juni 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven.
II. Rechtspleging voor het Hof
Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
&§9472; artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet ;
&§9472; de artikelen 682, 1319, 1320, 1322 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek.
Bestreden beslissingen
De vijfde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Leuven verklaart in het bestreden vonnis van 30 juni 2004 het hoger beroep van verweerder ontvankelijk en deels gegrond. Ze hervormt het vonnis a quo en wijst eiseres' vordering tot toewijzing van een recht van uitweg en tot veroordeling van verweerder tot betaling van een schadevergoeding als ongegrond af. Alvorens recht te doen over de overige vorderingen wordt een gerechtsdeskundige aangewezen met de in het beschikkend gedeelte neergelegde opdracht. Eiseres wordt tevens tot twee derden van de kosten van het hoger beroep veroordeeld.
De rechtbank van eerste aanleg grondt haar beslissing op de volgende motieven (vonnis, pp. 4 en 5, punt Cl., eerste tot en met derde, vijfde tot en met zevende en laatste alinea) :
"(Eiseres) vordert een uitweg over de eigendom van (verweerder) wegens insluiting van haar achtergelegen garages.
Partijen zijn het erover eens dat het perceel zélf niet ingesloten is. De voorgevel van de woning, die op het zelfde perceel ligt als de achtergelegen garages, grenst immers aan de Statiestraat.
(Eiseres) voert aan dat zij haar achtergelegen garages enkel kan bereiken via de voordeur van haar woning gelegen aan de Statiestraat. Aangezien zij deze achtergelegen garages (in haar tuin) niet kan bereiken met de wagen, zijn deze volgens haar ingesloten en vordert zij een recht van uitweg over het perceel van (verweerder).
De rechtbank is van oordeel dat door deze verkoop echter geen ingeslotenheid is ontstaan in de zin van artikel 682 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Om een uitweg te kunnen vorderen moet men de feitelijke insluiting van het erf aantonen. Er is geen insluiting van het perceel wanneer er een toegang is naar de openbare weg. Dit is vereist om een recht van uitweg te vorderen.
Het loutere feit dat een bestaande toegang naar de openbare weg minder gemakkelijk is dan een ander traject betekent niet dat men met een onmogelijkheid in de zin van de wet te maken heeft.
Anderzijds toont mevrouw V.G. niet aan dat zij een belangrijk nadeel ondervindt doordat (zij) deze garages niet met de wagen kan bereiken. Zij voert aan dat zij schoonheidsproducten moet kunnen opslaan omdat zij vertegenwoordiger is bij Estee Lauder voor de Benelux. Zij legt hiervoor geen enkel bewijsstuk neer. Bovendien kan worden aangenomen dat deze pakjes niet zo omvangrijk zijn en evengoed via de voordeur naar de achtergelegen garages kunnen worden gebracht.
De vordering tot toekenning van een uitweg en de daaraan gekoppelde vordering tot betaling van een schadevergoeding zijn dan ook ongegrond".
Grieven
1. Eerste onderdeel
Luidens artikel 682, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek kan "de eigenaar wiens erf ingesloten ligt omdat dit geen voldoende toegang heeft tot de openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven onkosten of ongemakken, voor het normale gebruik van zijn eigendom naar de bestemming ervan, een uitweg vorderen over de erven van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die hij mocht veroorzaken".
Opdat een eigenaar overeenkomstig artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek recht zou hebben op een uitweg moet aldus geen absolute ingeslotenheid, met name een afwezigheid van toegang tot de openbare weg, worden aangetoond. Het volstaat dat er sprake is van een relatieve ingeslotenheid, met name een onvoldoende toegang tot de openbare weg.
Derhalve zal de eigenaar van een eigendom die (1) onvoldoende toegang tot de openbare weg biedt, een uitweg kunnen vorderen, (2) mits deze uitweg nodig is voor het normale gebruik van de eigendom naar de bestemming ervan.
Een erf dat een toegang op de openbare weg heeft, is dus niettemin een ingesloten erf, in de zin van artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek, indien de toegang onvoldoende is voor de exploitatie van het erf.
De rechtbank kon dienvolgens niet wettig eiseres' vordering tot toekenning van een uitweg als ongegrond afwijzen op grond van de enkele vaststelling dat er "een toegang is naar de openbare weg" zonder te na te gaan of de bestaande toegang naar de openbare weg volstaat voor het normale gebruik van de eigendom naar de bestemming ervan (schending van artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek). Bijgevolg kon de rechtbank evenmin wettig eiseres' vordering tot schadevergoeding wegens miskenning van het recht van uitweg als ongegrond afwijzen (schending van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek).
2. Tweede onderdeel
Voor zover er zou moeten worden aangenomen dat de appèlrechters in voorliggende zaak aan de hand van de overweging dat "het loutere feit dat een bestaande toegang naar de openbare weg minder gemakkelijk is dan een ander traject niet (betekent) dat men met een onmogelijkheid in de zin van de wet (heeft) te maken" (p. 5, derde volledige alinea van het bestreden vonnis) én met de in het raam van de beslissing betreffende het misbruik van recht gestelde motivering dat "kan worden aangenomen dat deze pakjes niet zo omvangrijk zijn en evengoed via de voordeur naar de achtergelegen garages kunnen worden gebracht" (p. 5, vijfde volledige alinea van het bestreden vonnis) zouden hebben geoordeeld dat de via de voordeur van de woonst naar de openbare weg verschafte uitweg volstond voor het normaal gebruik van de garages naar de bestemming ervan, dient te worden vastgesteld dat dergelijke beslissing niet regelmatig met redenen is omkleed en evenmin naar recht verantwoord is.
Daar waar dergelijke redengeving de beslissing tot weigering van de toekenning van een uitweg in zoverre de garages bestemd zijn voor het stockeren van goederen naar recht kan verantwoorden, kan op basis van deze redengeving niet wettig worden beslist dat eiseres geen recht heeft op een (andere) uitweg in zoverre de garages voor het stallen van haar wagen zijn bestemd.
Het stallen van voertuigen behoort tot het normale gebruik van een garage.
Eiseres voerde bovendien voor de appèlrechters aan dat zij de garages (en grond) ook effectief wenst te gebruiken voor het parkeren van haar wagen. Aldus sloot eiseres zich aan bij de pertinente motieven van de eerste rechter (vervangende synthesebesluiten van eiseres, p. 1, punt 2), die gewezen had op "(...) het gebruik van twee garages (waarvan in werkelijkheid er maar één als garage wordt gebruikt en de ander een veredelde versie van een berging met garagepoort is)" (vonnis van 31 december 2001 van het Vredegerecht van Diest, p. 3, midden). Bovendien had eiseres zelf gewezen op de gebruiksbestemming van een garage "(...) waaronder het parkeren van haar wagen, het stapelen van goederen, enz. (vervangende synthesebesluiten van eiseres, p. 1, punt 2).
In het thans aangevochten vonnis wordt niet vastgesteld dat eiseres, in strijd met de aanvoeringen in conclusie, niet de intentie had om haar wagen in één van de kwestieuze garages (of op de betreffende grond) te stallen.
Luidens artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet moeten hoven en rechtbanken hun beslissingen regelmatig met redenen omkleden wat onder meer inhoudt dat zij dienen te antwoorden op alle pertinente, regelmatig aangevoerde grieven en middelen van verweer.
De rechter mag in zijn beoordeling van de zaak de bewijskracht van de hem regelmatig overgelegde akten, zoals conclusies, niet miskennen door er een betekenis of draagwijdte aan te geven die totaal onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
In zoverre de rechtbank zou geoordeeld hebben dat eiseres voorhield de garage enkel te gebruiken voor het opslaan van (schoonheids)producten, miskent de appèlrechter de bewijskracht, verbonden aan de hiervoren aangehaalde en door eiseres regelmatig overgelegde conclusie, door hieraan een met de bewoordingen en draagwijdte ervan onverenigbare uitlegging te geven (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en beantwoordt het niet eiseres' aanvoeringen in conclusie nopens het gebruik van de garages voor het stallen van een voertuig (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
Alleszins beperkt de rechtbank zich in het licht van de aanvoeringen van eiseres ten onrechte, bij de beoordeling van het gebruik der garages, tot het louter opslaan van goederen.
De rechtbank kon dienvolgens niet wettig eiseres' vordering tot toekenning van een uitweg als ongegrond afwijzen (schending van artikel 682 van het Burgerlijk Wetboek) en bijgevolg evenmin wettig eiseres' vordering tot schadevergoeding wegens miskenning van het recht van uitweg als ongegrond afwijzen (schending van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek).
IV. Beslissing van het Hof
Eerste onderdeel
Overwegende dat, krachtens artikel 682, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek, de eigenaar wiens erf ingesloten ligt omdat dit geen voldoende toegang heeft tot de openbare weg en deze toegang niet kan inrichten zonder overdreven onkosten of ongemakken, voor het normale gebruik van zijn eigendom naar de bestemming ervan, een uitweg kan vorderen over de erven van zijn naburen, tegen betaling van een vergoeding in verhouding tot de schade die hij mocht veroorzaken ;
Dat aldus de ingeslotenheid van een erf voor de toepassing van dit artikel dient beoordeeld te worden, niet enkel op grond van het al dan niet palen aan de openbare weg, maar ook naar omstandigheden van normaal gebruik van het perceel volgens de bestemming ervan en de kosten of ongemakken voor het inrichten van de toegang tot het erf ;
Overwegende dat eiseres een uitweg vordert voor haar erf gelegen te S., met twee achterliggende garages ;
Overwegende dat het bestreden vonnis de door eiseres gevorderde uitweg afwijst op grond dat door de verkoop van het perceel er geen ingeslotenheid is ontstaan in de zin van de artikelen 682 en volgende van het Burgerlijk Wetboek omdat :
- de voorgevel van de woning op hetzelfde perceel waarop de garages staan, grenst aan de Statiestraat ;
- er geen feitelijke insluiting van het perceel is wanneer er toegang is naar de openbare weg ;
Dat het bestreden vonnis de gevorderde uitweg afwijst zonder het normale gebruik van het erf en de kosten en ongemakken van een toegang tot de garages te onderzoeken ;
Dat het bestreden vonnis artikel 682, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek schendt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
Overige grieven
Overwegende dat de overige grieven niet tot een ruimere cassatie kunnen leiden ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
eenparig beslissend,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de vordering van eiseres tot het verkrijgen van een uitweg voor haar perceel met garages te S, afwijst en uitspraak doet over de kosten ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van een december tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols.