Hof van Cassatie: Arrest van 10 Februari 1992 (België). RG 9257

Date :
10-02-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19920210-1
Numéro de rôle :
9257

Résumé :

Wanneer de rechter beslist dat een partij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd door eenzijdige wijziging van een wezenlijk bestanddeel, dient hij niet vast te stellen dat die partij de bedoeling had de overeenkomst te beëindigen. ( Art. 1134 Burgerlijk Wetboek. )

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 8 november 1990 door het Arbeidshof te Luik gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek en 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978,
doordat het arrest vaststelt dat eiser met ingang van het schooljaar 1968-1969 's maandags 's avonds drie uur les in sociale promotie gaf, dat die uurregeling bij het begin van het schooljaar 1987 is gewijzigd, in die zin dat hij voortaan driemaal per week één uur les diende te geven, dat die nieuwe uurregeling is toegepast toen eiser op 4 september 1987 's avonds één uur les heeft gegeven en op 7 september 1987 's avonds verhinderd werd volgens de vroegere voorwaarden les te geven, daar de directie "niets anders kon doen" dan de nieuwe uurregeling "te doen naleven", omdat er een andere en trouwens daar tegenwoordige leraar was voorzien, en aan eiser zijn vordering ontzegt tot betaling van een vergoeding en van een aanvullende beschermingsvergoeding, van een compensatoire opzeggingsvergoeding en van een vergoeding wegens willekeurige afdanking, wegens de redenen ervan die hier beschouwd worden als zijnde volledig overgenomen,
terwijl krachtens het begrip "met beëindigend gelijkstaande handeling", zoals dit voortvloeit uit artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, ook al wordt de arbeidsovereenkomst op zichzelf niet beëindigd wanneer een partij haar verbintenissen niet nakomt en niet-nakoming enkel tot beëindiging leidt als daardoor de bedoeling van de partij om de overeenkomst te beëindigen tot uiting komt, de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden echter onmiddellijk een einde maakt aan die overeenkomst ongeacht de wil van de werkgever, en zulks op voorwaarde alleen dat het gaat om een werkelijke, belangrijke wijziging betreffende een wezenlijk bestanddeel van die overeenkomst; die onmiddellijke beëindiging impliceert dat de werknemer met geen enkele termijn rekening moet houden om de beëindiging vast te stellen en evenmin een voorafgaande ingebrekestelling is vereist;
eerste onderdeel, als het beslist dat een van de bestanddelen van de overeenkomst is gewijzigd, het arrest dat niet zegt hoe belangrijk die uurregeling is en evenmin of die uurregeling voor de contracterende partijen essentieel was, het bestaan van een met beëindiging gelijkstaande handeling niet kon uitsluiten op grond dat eiser, voordat hij de beëindiging vaststelt, heeft nagelaten "tegenvoorstellen te doen, de vakbondsorganisatie te doen tussenkomen, met andere leraars erover te spreken en ondertussen verder les te geven" volgens het gewijzigde uurrooster en door overhaasting "niet kon worden nagegaan of het de bedoeling was de overeenkomst te beëindigen en evenmin of de litigieuze wijziging belangrijk was"; het derhalve schending inhoudt van het begrip "met beëindiging gelijkstaande handeling", zoals dit voortvloeit uit artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek en bijgevolg van deze bepaling en van artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, waarin een onregelmatige beëindiging van de overeenkomst wordt gesanctioneerd;
Over de grond van niet-ontvankelijkheid tegen het middel opgeworpen, in zoverre het middel de wettelijke bepalingen niet vermeldt waarop de grief tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van een beschermingsvergoeding en van een aanvullende vergoeding diende te worden gegrond :
Overwegende dat het middel aan het arrest verwijt dat het de begrippen "met beëindiging gelijkstaande handeling" en "wijziging van de overeenkomst", zoals deze voortvloeien uit artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, schendt, door te beslissen dat verweerster de overeenkomst niet heeft beëindigd;
Dat aanneming van het middel cassatie meebrengt van de hieruit volgende beschikkende gedeelten, onder andere die waarop de grond van niet-ontvankelijkheid betrekking heeft;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen;
Over het middel :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat de partij die eenzijdig een van de wezenlijke bestanddelen van de arbeidsovereenkomst wijzigt, die overeenkomst onmiddellijk en onrechtmatig beëindigt;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat verweerster het uurrooster van de lessen die eiser 's avonds gaf, eenzijdig heeft gewijzigd; het arrest in zijn beschikkende gedeelte beslist dat verweerster de overeenkomst niet heeft beëindigd "op grond van de theorie van de met beëindiging gelijkstaande handeling";
Dat het arrest oordeelt dat verweerster geen grove fout heeft begaan, dat eiser "overhaastig heeft gehandeld" bij het vaststellen van de beëindiging van de overeenkomst en dat het arbeidshof daardoor niet heeft kunnen nagaan of het de bedoeling was van verweerster de overeenkomst te beëindigen en evenmin of de litigieuze wijziging belangrijk was;
Dat het arrest om die redenen zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Om die redenen, zonder dat er grond bestaan tot onderzoek van het tweede onderdeel van het middel, dat niet tot ruimere cassatie kan leiden, vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het het hoger beroep ontvankelijk verklaart; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.