Hof van Cassatie: Arrest van 10 Januari 2006 (België). RG P051409N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20060110-11
- Numéro de rôle :
- P051409N
Résumé :
Een uitstel met het oog op een mogelijke herkwalificatie is geen beslissing om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit die de verjaring opnieuw doet lopen (1). (1) Art. 24 Voorafgaande Titel Sv. zoals vervangen bij art. 3 wet 11 dec. 1998, B.S. 16 dec. 1998 (inwerkingtreding 16 dec. 1998) en van toepassing tot aan zijn vervanging bij artikel 3 wet 16 juli 2002, B.S. 5 sept. 2002 (inwerkingtreding 1 sept. 2004).
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. P.05.1409.N
1. D P,
beklaagde,
met als raadsman mr. Bernard Heens, advocaat bij de balie te Ieper,
ter zitting bijgestaan door mr. Alexandre de le Court, advocaat bij de balie te Brussel,
2. CADO INTERNATIONAL nv, met zetel te 1070 Anderlecht, Clemenceaulaan 11,
civielrechtelijk aansprakelijke partij,
met als raadsman Mr. Antoine de le Court, advocaat bij de balie te Brussel,
eisers.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep, van de Correctionele Rechtbank te Ieper van 22 september 2005.
De eiser D P voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
De eiseres Cado International legt een memorie neer.
Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Ontvankelijkheid van de memorie van Cado International
1. De eiseres heeft op 9 januari 2006 een memorie neergelegd ter griffie van het Hof, dit is zowel minder dan acht dagen voor de terechtzitting als na verloop van meer dan twee maanden sedert de dag waarop de zaak op de algemene rol is ingeschreven.
2. De memorie is niet ontvankelijk (artikel 420bis Wetboek van Strafvordering).
Beoordeling van het middel van D P
3. D P werd veroordeeld wegens een inbreuk op de artikelen 6 en 11, 3°, van het koninklijk besluit van 9 maart 2003 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen. De op dat misdrijf toepasselijke straf wordt bepaald in artikel 29, ,§ 2, Wegverkeerswet.
Overeenkomstig artikel 68 Wegverkeerswet verjaart de voormelde inbreuk door verloop van een jaar, te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan.
4. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat het feit waaraan de eiser schuldig wordt bevonden, zich heeft voorgedaan op 14 maart 2003.
5. Voor het nazicht van de verjaring van de voormelde overtreding, gepleegd op 14 maart 2003, zijn de artikelen 22, 23 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering van toepassing, dit laatste artikel meer bepaald in zijn versie zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.
6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- de verjaring gestuit werd door het kantschrift van 3 februari 2004, uitgaande van het openbaar ministerie;
- de zaak op de door de wet bepaalde wijze bij de Politierechtbank te Ieper werd ingeleid op 31 januari 2005;
- de partijen op die datum gehoord werden in hun vordering en verweer en de zaak vervolgens werd uitgesteld naar de terechtzitting van 28 februari 2005 voor mogelijke herkwalificatie.
7. Overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt de verjaring geschorst vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid. Een uitstel met het oog op een mogelijke herkwalificatie is geen beslissing de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit in de zin van artikel 24, eerste lid, 1°, tweede streepje, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, die de verjaring opnieuw doet lopen.
8. Het middel faalt naar recht.
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
9. De beslissingen op de strafvordering zijn gewezen met inachtneming van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen en overeenkomstig de wet.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Begroot de kosten op 63,39 euro,
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, en Luc Van hoogenbemt en op de openbare terechtzitting van 10 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.
1. D P,
beklaagde,
met als raadsman mr. Bernard Heens, advocaat bij de balie te Ieper,
ter zitting bijgestaan door mr. Alexandre de le Court, advocaat bij de balie te Brussel,
2. CADO INTERNATIONAL nv, met zetel te 1070 Anderlecht, Clemenceaulaan 11,
civielrechtelijk aansprakelijke partij,
met als raadsman Mr. Antoine de le Court, advocaat bij de balie te Brussel,
eisers.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep, van de Correctionele Rechtbank te Ieper van 22 september 2005.
De eiser D P voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
De eiseres Cado International legt een memorie neer.
Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Ontvankelijkheid van de memorie van Cado International
1. De eiseres heeft op 9 januari 2006 een memorie neergelegd ter griffie van het Hof, dit is zowel minder dan acht dagen voor de terechtzitting als na verloop van meer dan twee maanden sedert de dag waarop de zaak op de algemene rol is ingeschreven.
2. De memorie is niet ontvankelijk (artikel 420bis Wetboek van Strafvordering).
Beoordeling van het middel van D P
3. D P werd veroordeeld wegens een inbreuk op de artikelen 6 en 11, 3°, van het koninklijk besluit van 9 maart 2003 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen. De op dat misdrijf toepasselijke straf wordt bepaald in artikel 29, ,§ 2, Wegverkeerswet.
Overeenkomstig artikel 68 Wegverkeerswet verjaart de voormelde inbreuk door verloop van een jaar, te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan.
4. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat het feit waaraan de eiser schuldig wordt bevonden, zich heeft voorgedaan op 14 maart 2003.
5. Voor het nazicht van de verjaring van de voormelde overtreding, gepleegd op 14 maart 2003, zijn de artikelen 22, 23 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering van toepassing, dit laatste artikel meer bepaald in zijn versie zoals gewijzigd door de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering.
6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- de verjaring gestuit werd door het kantschrift van 3 februari 2004, uitgaande van het openbaar ministerie;
- de zaak op de door de wet bepaalde wijze bij de Politierechtbank te Ieper werd ingeleid op 31 januari 2005;
- de partijen op die datum gehoord werden in hun vordering en verweer en de zaak vervolgens werd uitgesteld naar de terechtzitting van 28 februari 2005 voor mogelijke herkwalificatie.
7. Overeenkomstig artikel 24, eerste lid, 1°, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt de verjaring geschorst vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid. Een uitstel met het oog op een mogelijke herkwalificatie is geen beslissing de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit in de zin van artikel 24, eerste lid, 1°, tweede streepje, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, die de verjaring opnieuw doet lopen.
8. Het middel faalt naar recht.
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
9. De beslissingen op de strafvordering zijn gewezen met inachtneming van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen en overeenkomstig de wet.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Begroot de kosten op 63,39 euro,
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, en Luc Van hoogenbemt en op de openbare terechtzitting van 10 januari 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.